NIENKE
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen
Zelfs Swopk, de meid, had dit opgemerkt. „Wat is die Mini toch veranderd in dien tijd, dat ik hier ben", had zij de vorige week nog tot de boerin gezegd, en toen deze daarop antwoordde : , Ja, Mini is wel twintig pond aangekomen", vervolgde zij : „Ik bedoel het ook nog anders ; vindt de vrouw niet, dat haar karakter en heel haar leven als met handen is omgekeerd ? "
„'t Kan wel", heeft vrouw Santema toen gezegd, omdat zij met de meid met wilde redeneeren over hare dochter, maar toch moest zij over dat woord nadenken en erkennen, dat Swopk gelijk had. Tegen haar man behoefde zij hierover niet te spreken. Deze had het veel te druk met de besognes van de boerderij, vooral in dézen tijd, nu Gabe vanwege de veemarkten zooveel van huis was en ook wel eens langer uitbleef dan zij 't noodig oordeelde. Of haar man dit ook wel merkte, maar in elk geval was zijn humeur de laatste tijden eveneens niet meer zooals vroeger, doch dan in anderen zin als bij Mini. Hij was stil en in zichzelf gekeerd of kort aangebonden, zoodat men niet veel tegen hem behoefde in te brengen, of 't was mis. Net alsof er iets was, 't welk hem hinderde, maar dat hij niet wilde openbaren. Wel had hij ook voor de langzaam toenemende beterschap van Mini, maar dan als iets, hetwelk eene vanzelfheid was, als zij maar goed wilde innemen, gelijk hij altijd gezegd had. Niet als een bijzondere gunst Gods, die de middelen ter genezing dusdanig zegende, dat de hoop op herstel zelfs bij den dokter scheen te herleven.
Vandaar evenwel, dat de boerin met hem niet spreken kon over dat andere, dat diepere, waar zij geen naam voor had, een plaats voor wist, maar 't welk door de meid zelfs was opgemerkt en waardoor Mini haar des te dierbaarder werd.
Thans evenwel scheen vrouw Santema een licht op te gaan. Nog nooit had zij hare dochter over zulke dingen hooren spreken, doch het raadsel, waar zij geen oplossing voor wist, begon haar duidelijk te worden. Mini was aangeraakt door een hoogere Macht. De godsdienst had vat op haar hart gekregen. Het lange, vaak eenzame lijden, had in haar ziel gedachten en verlangens gewekt, die zij voorheen niet kende, maar zoo menigmaal voor 't eerst op de krankbedden boven komen, 't Lijden des tegenwoordigen tijds leek aan haar hart te zullen worden geheiligd. Of de meid, die óók zeer godsdienstig was, dit wellicht wist en daarom met hare vrouw getracht had daarover te spreken ? En of dit nu het gevolg was van de bezoeken, die ds. Buitenveld hier bracht, of van de gesprekken met Swopk, of van de lectuur, die zij las, of van dat alles tezamen, maar nog nooit had haar kind of een der andere huisgenooten zich bezig gehouden met die onderwerpen, welke hier thans, in de ongezellige duisternis van een mistigen herfstdag, werden besproken. En in stilte verheugde de moeder zich over iets, 't welk zij zelf niet kende, maar waar haar hart toch wel naar uitging.
„Niet te diep die verborgen dingen indenken, lieve", sprak zij, na eenig zwijgen. „Vindt moeder dat dan verkeerd ? "
„Neen, dat is het rechte woord niet, maar wij weten met zekerheid daar zoo weinig van en hebben toe te zien, dat wij ons hoofd daar niet mee op hol jagen".
Hier klonk plotseling een luide lach op, zooals zij in geen tijden van de patiënt gehoord had, en dat op zoo'n triesten avond ! „Wees daar maar niet bang voor, moeder", troostte Mini ; „ik geloof niet, dat daar gevaar voor is, maar dunkt u ook niet, dat er een heerlijke vertroosting ligt in de gedachte van nooit alleen te zijn, rnaar dat Gods engelen als een vurige muur ons willen omringen op Hooger last, om ons voor alle kwaad te bewaren ? "
„Dat zal ik niet ontkennen, kind, maar wij weten het niet".
„Ds. Buitenveld verzekerde het mij van wèl en haalde er Schriftwoorden bij aan. Bovendien heb ik op zijn aanraden een paar psalmverzen geleerd, die mij o zooveel te denken geven, vooral wanneer ik hier in den donker lig en waardoor mij de tijd nooit lang valt. Zal ik ze eens opzeggen ? " En zonder het antwoord af te wachten, begon zij :
„De schrik des nachts doet u niet vliên. Waarvoor de boozen beven ; Geen pijlen hoeft gij 's daags t' ontzien. Die hevig on? u zweven. De pest, met welk een snellen spoed Zij moog' in 't duister waren. Noch 't streng verderf, dat 's middags woedt. Zal uwe ziel vervaren".
En dan dat andere :
„Ik steun op God, mijn Toeverlaat ! Dies heb ik niets te vreezen ; Wie God vertrouwt, dien deert geen kwaad. Uw tent zal veilig wezen. Hij zal Zijn engelen gebiên. Dat z' u op weg bevrijden ; Gij zult hen, in gevaren, zien Voor uw behoud'nis strijden".
„Ds. Buitenveld en jij zijn groote specialen, geloof ik", sprak vrouw Santema glimlachend, terwijl zij de wang harer dochter streelde. Daarop vervolgde zij : „'k Wil eerlijk bekennen, dat ik nooit geweten heb dat zooiets in den Bijbel stond, maar mooi is het en als ik het eerder geweten had, zou ik mij niet zoo vaak ongerust over je gemaakt hebben".
„Vindt moeder het eigenlijk niet vreeselijk jammer, dat wij van dit alles en van nog zooveel meer altijd onkundig zijn geweest en dat, terwijl het tóch onder ons bereik lag ? " „Je wilt zeggen, dat het in den Bijbel staat en wij dezen wel in huis hebben".
„Ja, maar meest als een gesloten boek, en dat nog niet alleen, maar onze harten gingen daar ook niet naar uit. We konden het er tot heden best buiten doen".
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's