KERKELIJKE RONDSCHOUW
EEN NIEUW BEGIN.
Weer een nieuwe jaargang ! Reeds de 31e! Het is bijna niet te gelooven. We herinneren ons als den dag van gisteren den dag van het verschijnen van het eerste no. van den Isten jaargang. Onlangs hebben we op een vergadering van predikanten dat eerste no. van den Isten jaargang nog eens laten zien. Wat een verschil bij het eerste no. van den één-endertigsten jaargang ! Wat ons oorzaak geeft om in stille dankbaarheid te getuigen van Gods Vaderlijke goedheid en trouwe zorg. Want met het antwoord van de 10e Zondagsafdeeling van onzen Heidelb. Catechismus stemmen we van harte in, waar de christen zegt : dat geen ding bij geval geschiedt, maar van Zijne Vaderlijke hand ons toekomt. Hij heeft alles boven bidden en denken wèl gemaakt, ondanks onze ontrouw en onze zonden. Wanneer iemand ons in het jaar 1909 voorspeld had, dat wij nog eens voor de éénen-dertigste keer een inleidend woord bij het begin van een nieuwe jaargang zouden schrijven, zouden we gezegd hebben : dat is onmogelijk te achten. En niet alleen, dat de Heere ons spaarde, maar Hij deed het zóó, dat we, op een paar weken na, toen een korte, maar ernstige ziekte ons tot rust dwong, week aan week en jaar na jaar alles mochten verzorgen, met hulp van zoovelen, die onzen Gereformeerden Bond, naar den grondslag en overeenkomstig het doel, lief hadden, en voorzoover het de levenden betreft, nóg lief hebben met een groote liefde.
Ja, velen zijn uitgevallen uit de rijen van leden, lezers, medewerkers ! De Heere bewandelt ook daarin Zijn eigen wegen. Maar Hij heeft de ledige plaatsen ook weer willen aanvullen. En zoo mogen we gemoedigd voortgaan. Hoewel wat is het intusschen een bange tijd geworden. Het eerste no. van deze nieuwe jaargang verschijnt wel in dagen vol angst en zorgen. Wie, wie kan zeggen wat 't jaar, dat we nu met „De Waarheidsvriend" begonnen zijn, ons brengen zal ? Het zouden wel eens heel vreeselijke dingen kunnen zijn. Want de teekenen der tijden voorspellen niet veel goeds. Integendeel ! Het schijnt wel alsof de hel is losgebarsten en alsof de Antichrist z'n helsche boden vooruit zendt, om vreeselijke dagen aan te kondigen.
Hoe zal het met ons land gaan ? Hoe zal 't gaan in het midden van ons maatschappelijk leven ? En in onze gezinnen ? En in de Kerk ?
Dat 's Heeren oog over ons mag open zijn en Zijn handen beschermend over ons mogen zijn uitgebreid, naar den rijkdom Zijner genade. En mogen deze dingen nog medewerken ten goede. Ook voor ons Bondsleven. Ook voor onzen Bondsarbeid. Waarbij we nu ook denken aan ons Bondsblad „De Waarheidsvriend".
„Eendracht maakt macht", hebben onze Vaderen in de bangste tijden tot lijfspreuk gehad. Ook : „bidt en werkt".
Laat alles wat onze krachten kan breken en ons werk kan verlammen, verre van ons zijn. En ons stellend in den weg der gehoorzaamheid, willen we doen, waartoe de Heere ons roept.
Brengt de practijk van ons Bondsleven mee, dat er altijd weer afvallen, door den dood niet alleen, maar ook wel om andere oorzaken, daar geve de Heere uit genade, dat anderen mee hun schouders onder het werk mogen zetten, door abonné te worden, of — wat ook van groote beteekenis is ! — anderen te bewerken, dat ze zich abonneeren.
De nieuwe jaargang geeft zoo'n mooie gelegenheid om abonné te worden.
Geestverwanten, blijft dan niet achter. Meelevende vrienden en vriendinnen, zet uw schouders nu eens mee onder dit werk, en rust niet Toor de Administratie te Maassluis ook van U één of meer namen van nieuwe abonné's heeft ontvangen of adressen voor proefnummers.
DE 60STE VERJAARDAG.
Neen — niet van ons Bondsorgaan. Dat telt nog maar dertig, en dus lang nog geen zestig jaren. Maar één van onze bestuursleden mag een dezer dagen het voorrecht smaken 60 jaar te worden en dat geeft ons aanleiding hem ook langs dezen weg hartelijk geluk te wenschen.
De jubilaris is ditmaal de heer J. L. Verbeek Wolthuys, in Den Haag, Jan Pieterszoon Coenstraat no. 11.
Buiten ons Bondsleven heeft de jubilaris een staat van dienst, die er zijn mag ; want werd hij in 1902 als ambtenaar aan het Kabinet der Koningin aangesteld, in 1937 werd hem, na alle rangen doorloopen te hebben, de personeele titel van Administrateur verstrekt door H.M. de Koningin. In 1923 ontving de heer Verbeek Wolthuys het officierskruis van de Orde van Wasa van den Zweedschen Koning, en in 1927 het officierskruis van de Orde van Oranje Nassau.
Elf jaar is de jubilaris diaken geweest en nu al weer 17 jaar ouderling bij de Ned. Herv. Gemeente te 's-Gravenhage. Ook op onderwijsgebied heeft hij zich verdienstelijk gemaakt als voorzitter van de Coligny-school. enz. Voor de stichting van een Geref. ziekenhuis, alsook voor politieken arbeid heeft hij zich gaarne gegeven — niet te vergeten ook wat hij gedaan heeft voor de stichting en instandhouding van 't gebouw der Herv. Geref. „Elim" — en van onzen Geref. Bond is hij nu ook reeds een lange reeks van jaren bestuurslid, warm voelend voor al den arbeid, die van den Gereform. Bond uitgaat.
De Heere geve den heer Verbeek Wolthuys Woensdag 13 Dec. a.s. een goeden dag, waarop het hem aan belangstelling zeker niet zal ontbreken ; en spare de Heere hem nog vele jaren in Zijn gunst voor de zijnen en voor zijn veelzijdigen arbeid op allerlei gebied, ook voor onzen Gereformeerden Bond !
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (27)
Hierom bidt de Gereformeerde Kerk in het Doopsformulier aldus : „Wij bidden U, door Uw grondelooze barmhartigheid, dat Gij deze kinderen genadiglijk wilt aanzien, en door Uwen Heiligen Geest, Uwen Zoon Jezus Christus inlijven ; opdat zij met Hem in Zijn dood begraven worden, en met Hem mogen opstaan in een nieuw leven; opdat zij hun kruis. Hem dagelijks navolgende, vroolijk dragen mogen ; Hem aanhangen met een waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde ; dat zij dit leven (hetwelk toch niet anders is dan een gestadige dood) om Uwentwil getroost verlaten, en ten laatsten dage voor den rechterstoel van Christus, Uwen Zoon, zonder verschrikken mogen verschijnen, door Denzelven onzen Heere Jezus Christus, Die met U en den Heiligen Geest, een éénig God, leeft en regeert in eeuwigheid. Amen".
Wanneer wij dat gebed — zegt Wormser — lezen en hooren, en we vergelijken het dan met de dankzegging, na de doopsbediening, dan zien we helder en klaar hoezeer vele vromen van de Gereformeerde gezindheid, van het ruime en heldere standpunt der oude Gereformeerde Kerk zijn afgeweken. En hoeveel moet er niet veranderen in de overtuigingen en gevoelens van deze menschen, die zich bij voorkeur op de vaderen beroepen, om hen in gezonde en krachtige opvatting der waarheid aan de Vaderen gelijk te doen zijn !
Laten wij ons de doopsbediening realiseeren.
De ouders brengen hun jonge kinderen ten doop. De gemeente, voorgegaan door haar leeraar, bidt : „Wij bidden U, door Uw grondelooze barmhartigheid, dat Gij deze kinderen genadiglijk wilt aanzien, en door Uw Heiligen Geest, Uw Zoon Jezus Christus inlijven", enz. Daarna worden de kinderen gedoopt, en weinige minuten later dankt de gemeente : „Wij danken en loven U, dat Gij ons en onzen kinderen, door het bloed van Uw lieven Zoon Jezus Christus, al onze zonden vergeven, en ons door Uw Heiligen Geest tot lidmaten van Uw eeniggeboren Zoon, en alzoo tot Uw kinderen aangenomen hebt, en ons dit met den Heiligen Doop bezegelt en bekrachtigt".
En dat de Vaderen dit ernstig meenden — aldus Wormser — blijkt uit de onmiddellijk volgende woorden, die de zaak, vergeleken met de tegenwoordig onder de godvruchtigen heerschende gevoelens, hoe langer hoe erger maken. Want zoo volgt in de dankzegging : „Wij bidden U ook door Hem, Uw lieven Zoon, dat Gij deze gedoopte kinderen met Uw Heiligen Geest altijd wilt regeeren, opdat zij Christelijk en godzalig opgevoed worden, en in den Heere Jezus Christus wassen en toenemen, opdat zij Uw vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die Gij hun en ons allen bewezen hebt, mogen bekennen", enz.
Wormser merkt hierbij op : „Indien zóó in een stuk van den tegenwoordigen tijd gesproken werd, zouden vele vromen het als onrechtzinnig met verontwaardiging ter zijde leggen".
„Verbeeldt u" — zoo gaat Wormser, niet weinig cynisch en met een zeker sarcasme, verder — : „verbeeldt u, dat men zuigelingen ten doop aanbiedt, en daarbij bidt dat God hen door den Heiligen Geest Zijn Zoon Jezus Christus wil inlijven, en dat men eenige minuten later, nadat zij met water besprengd zijn, dankt, dat die inlijving heeft plaats gehad ; dat zij tot lidmaten van Christus en tot kinderen van God aangenomen zijn ; en vervolgens bidt, dat die gedoopte kinderen nu maar altijd door den Heiligen Geest geregeerd mogen worden, en in Christus mogen wassen en toenemen, en de vaderlijke goedheid en barmhartigheid mogen bekennen, die God hun en ons allen bewezen heeft !"
„Zullen vele vromen van onze dagen, wier toon dikwijls zoo onverstandig hoog is, wanneer er sprake is van de Gereformeerde belijdenis en van de leer der vaderen, niet moeten erkennen, dat zij van de Gereformeerde leer toch eigenlijk weinig begrijpen ; niet goed weten wat Gereformeerd is ; hun eigen onjuiste opvattingen daarvoor in de plaats stellen ; en aan hun kinderen den doop doorgaans slechts machinaal laten toedienen, zonder dien te verstaan ? "
„Ik laat" — zegt Wormser — „voor een oogenblik in het midden, of de vaderen gelijk of ongelijk hadden met zoo te spreken als zij doen in het gebed en de dankzegging, waarover wij handelen. Ik wil thans slechts doen uitkomen hoe en wat zij spreken, en hoezeer velen, die in onze dagen de meest bekrompen en averechtsche gevoelens als de leer der vaderen voordragen, dwalen, en door het beheerschen van eenvoudige godvruchtige gemoederen, de Gereformeerde Kerk (in tegenovergestelden zin als de Vrijzinnigen) helpen verwoesten, en vooroordeel en verachting opwekken omtrent haar leer".
(Wordt voortgezet.)
DE STRIJD OM DEN BIJBEL OP DE SCHOOL (5)
Vanouds ging de school uit van de Overheid ; niet van de ouders, niet van de Kerk, maar van de Overheid. En de Overheid heeft altijd gestreden voor de „Openbare" School, welke school moest en zou „openstaan" voor alle kinderen des volks, van welke kerkgemeenschap, van welke religie, van welke richting ook : alle kinderen op één school ; dat was het ideaal. Of de ouders Protestant, Roomsch, Jood, Gereformeerd, Remonstrant, Deïst, Humanist waren, dat mocht geen verschil maken. En ieder moest met die „gemengde" school tevree zijn ! Leerstellig onderwijs mocht er niet gegeven worden. Zoo was er dan kans, dat in de toekomst — zij het langzaam — aan veel verdeeldheid onder de burgers van ons Vaderland een einde zon komen. De kleuren zouden meer en meer ineenvloeien, de scherpe kantjes meer en meer worden afgeslepen, en spoedig zou het zijn, dat de groote algeheele verbroedering des volks kwam ! Eén volk, één geloof (óf ongeloof ? ), één Kerk !
Zij, die met dezen gang van zaken — waarbij de ware religie natuurlijk weer het loodje moest leggen — geen vrede hadden, omdat de Bijbel niet meer als Gods Woord met autoriteit bekleed was, maar plaats moest maken voor de hooggeroemde „neutraliteit", kregen altijd op hun aanvrage om een bijzondere school, ten antwoord, dat de Openbare School „godsdienstig genoeg" was. De machthebbers dezer wereld hadden hun liefde aan de Openbare School verpand en stonden altijd de vrijheid van schoolstichting bij de voorstanders van het Christelijk Onderwijs, tegen. Er moesten liever geen Scholen met den Bijbel komen ! Dat zou weer een twistappel worden onder het volk en inplaats van de éénheid te bevorderen, zou het bijzonder onderwijs de verdeeldheid nog des te grooter maken. En daarom werd aan de voorstanders van het Christelijk Onderwijs het recht onthouden en de vrijheid niet gegund, zelfs niet voor eigen rekening, een School met den Bijbel te stichten. Men wilde die vrijheid niet !
Bij de mannen van den schoolstrijd was dat anders. Die begeerden de vrijheid van onderwijs niet alleen voor zichzelf, maar over héél de linie en voor allen, die zich althans niet aan de wetten des lands en de wetten der zede bezondigden; En daarom was het ook zoo onbillijk wat dr. Betz in 1885 schreef : „Nooit had een Antirevolutionair de vrijheid lief om haar zelve". Waarop hij liet volgen : „Groen van Prinsterer begeerde in de ruimste mate vrijheid van onderwijs voor zichzelven ; maar aan anderen onthoudt hij vrijheid zoolang het gaat".
Dat was een leugenachtig gezegde. Wat waar is, dat is : dat Groen vóór zijn „bekeering" (1829—'31), toen hij volbloed liberaal was en geenszins nog „onze" Groen was, dweepte met „de ééne en ondeelbare volksschool" ; en toen aan de consciëntievrijheid niet alle recht heeft laten wedervaren (denk aan zijn adviezen, die hij als jeugdig Kabinetssecretaris van Willem I, vol „liberale" beginselen zittend, gegeven heeft in de Belgische schoolkwestie). Maar niet zoodra was zijn christelijk-historische opvoeding voltooid, of de ware vrijheid vond geen vuriger kampioen ; en de zaak van het Christelijk Onderwijs was en bleef zijn zaak, de strijd daarvoor zijn levens-strijd. Zijn leuze was : de school aan de ouders ; de vrije school voor héél de natie !
Groen begon den strijd, die lang zou duren en heftig van aard zou zijn, onder de heerschappij van de Wet van 1806, die verlangde, dat het onderwijs zoodanig zou worden ingericht, dat het de kinderen opleidde tot alle maatschappelijke en christelijke deugden, en zulks met vermijding van alle leerstellige waarheid, wat practisch wil zeggen : met verzwijging en verloochening van de fundamenteele geloofswaarheden en verwerping van dén Bijbel als Gods Woord, bekleed met het hoogste gezag. Over de groote stukken van ons algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof als : schepping, zondeval, algeheele verlorenheid, verzoening, rechtvaardigmaking, enz. mocht niet gesproken worden, omdat niemand in z'n godsdienstige overtuiging mocht gekrenkt worden ; en Jezus Christus, waarachtig God en waarachtig mensch, de eenige en algenoegzame Zaligmaker, gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, werd buiten het onderwijs en de opvoeding gezet. Voor Hem in de school geen plaats — om niemand te ergeren. Waarbij men aan de ware belijders van Zijn Naam niet dacht.
Juist die Christelijke en die paedagogische beginselen inzake de opvoeding en het schoolonderwijs, hebben mannen als Groen van Prinsterer in den schoolstrijd getrokken. Door beginselen gedreven, gingen zij ten strijde ! En het groote doel was : de vrije school voor heel de natie ; de bijzondere school regel en de openbare aanvulling. Omdat de onderwijstaak niet allereerst bij den Staat, maar bij de ouders ligt. Het kind is niet „Staatskind", maar kind van de ouders. En de ouders hebben dan ook de geestelijke richting van het onderwijs te bepalen ; waarbij de school uit den zelfden geest dient te leven als de gezinnen.
Het Staatsonderwijs — we zagen het reeds — was en werd al meer doordrongen van den geest van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, met een Staats- en schoolgodsdienst, die noch den Jood, noch den Protestant, noch den Roomsche ergernis mocht geven. Die Staats- en schoolgodsdienst kwam b.v. uit in den Catechismus van 1803, van Staatswege op de school ingevoerd. Daar wordt gevraagd : „Welke godsdienst is het meest geschikt ? " En het antwoord luidt dan: „Alle godsdiensten zijn in de oogen van den .wijze gelijk, mits dat derzelver leer- en zedekunde overeenkomstig zijn met de wetten van den Staat".
De geschiedenis dus van Nathan der Weise!
(Wordt voortgezet.)
De Aflaat in Luther's dagen en nu. Sola Fide - alleen door het geloof.
Paus Leo schreef in Luther's dagen een aflaat uit. Zoo'n brief mocht alleen verkocht worden — zoo zei de Paus — aan degenen, die berouw uitspraken en beterschap des levens beloofden. Het stuk papier, voor geld verkocht, was dan een zekerheidsbrief van de vergiffenis van zonden, zoowel voor levenden als voor dooden. Geld, geld, geld — zoo riep straks de gansche bende van aflaat-vei'koopers in de verschillende landen.
In Duitschland was het Albert, aartsbisschop en keurvorst van Mainz en Maagdenburg, die geweldig veel schulden had, o.a. bij de firma Fugger in Augsburg. Ook moest hij aan den Paus nog 26.000 gulden betalen voor zijn aartsbisschoppelijken mantel. Want Rome zegt : ,, niets voor niets".
Aartsbisschop Albert had aan den Paus voorgesteld, dat hem de leiding van den aflaat-verkoop zou worden opgedragen : ze zouden dan de winst samen deelen. Voor wat, hoort wat. En de Paus was er mee gebaat, omdat de controle voor hem in Duitschland niet zoo makkelijk was.
De firma Fuggers beschouwde het als een geldzaakje en schoot dan ook gaarne de 26000 gulden aan den aartsbisschop voor ; die betaalde zijn schuld aan den Paus en kreeg toen de leiding bij den verkoop, waarbij de firma Fugger nu ook geïnteresseerd was.
Nu had men nog een kerkelijk man noodig, die de zaak wilde ten uitvoer leggen en zich met den verkoop wilde belasten. Eerst wendde de aartsbisschop zich tot de barrevoeters, de Franciscaner monniken, maar deze hadden er niet veel zin in ; over de beteekenis van den aflaat werd reeds zoo wonderlijk gesproken onder de menschen en daarom hielden zij er zich liever buiten. Bij de Augustijners behoefde men nog minder aan te komen ; in hun kloosters vond men de meest verstandige en vrome monniken.
Toen bood Johann Tetzel zich aan, een Dominikaan, die heel wat op z'n kerfstok had en die op het gebied van den aflaat-handel reeds ervaring had ; en die zijn mannen er wel voor zou weten te vinden.
Zoo werd Tetzel de derde in het verbond.
„In een fraai rijtuig gezeten" — zoo lezen we in het Herv. Weekblad voor het Noorden — „met drie ruiters vooraf, nadert Tetzel een stad. Daar houdt hij stil, en zendt een van zijn gevolg naar het stadsbestuur met de boodschap : „De genade van God en van den paus staat voor uw poorten". Onmiddellijk wordt een optocht gevormd. Het stadsbestuur, de geestelijkheid, de monniken, de nonnen, de gilden met hun vaandels, mannen en vrouwen, ouden en jongen, trekken uit op de tonen der muziek, met brandende kaarsen in de handen. Alle kerkklokken der stad luiden. Zoo haalt men Tetzel binnen en de stoet begeeft zich naar de hoofdkerk. Daar plaatst Tetzel het houten kruis, dat hij in de hand draagt, voor het altaar en hij beklimt den preekstoel, 't Is nog een krachtig man, ondanks zijn drie en zestig jaren, en hij heeft nog een stem als een klok.
„Goede lieden" — zegt hij — „ik ben hier gezonden door onzen heiligen vader, den paus, die in zijn groote liefde u allen gelukkig wil maken. Hij zendt een algemeenen aflaat, en hoe groot uw zonden ook zijn, gij hebt slechts een aflaatbrief te koopen en alles is u vergeven. En meer nog, gij kunt ook een aflaat krijgen voor de zielen in het vagevuur. Hoort gij ze niet, uw vader, uw moeder, uw vrouw en kind, hoe ze schreeuwen van pijn ? En zoudt gij dan onbarmhartig wezen, als ge met een weinig geld hen kunt verlossen ? Neen, zoo hard zijt ge niet".
In dier voege ging de prediker voort, en wanneer hij op die manier niet genoeg ingang vond, dan riep hij Petrus en, Paulus te hulp. Hun kerk was bouwvallig, hun gebeente was niet veilig meer voor den regen. Dat mocht toch niet. Tetzel was een bekwaam spreker, bekwaam zooals een koopman op de markt bekwaam is. Hij wist op het gemoed van zijn hoorders te werken. En als hij gereed was met zijn toespraak, dan kwam hij van de preekstoel af en de handel begon. Wie een aflaat begeerde, moest zich eerst vervoegen bij een biechtvader, een van Tetzel's volgelingen. Daar moest hij vertellen, wat voor kwaad hij gedaan had. Over berouw en beterschap behoefde hij niet te spreken, hij had alleen maar te vertellen. En als hij dan een gewone zondaar was, dan kon hij naar Tetzel en zijn helpers gaan en een aflaatbrief in ontvangst nemen en betalen. En dat ging volgens tarief. Koningen, koninginnen, aartsbisschoppen en bisschoppen betaalden vijf en twintig dukaten. Baronnen, graven, abten, betaalden er tien. Burgers, die meer dan vijfhonderd gulden inkomen hadden, betaalden zes gulden. Wie slechts tweehonderd gulden verdiende, betaalde er één, en wie nog armer was, een halven gulden. Precies als bij de belastingen. Voor bijzondere misdaden had Tetzel nog een afzonderlijk tarief. Veelwijverij kostte zes dukaten, kerkroof en meineed negen ; moord acht ; tooverij twee dukaten.
Zelf moest men het geld in de kist werpen door een opening. Want men vertrouwde elkaar niet. De kist had drie verschillende sloten. De eene sleutel berustte bij Tetzel, de tweede bij een beambte van Fugger, die mee reisde, de derde bij het bestuur van de stad, waar men vertoefde. Was de handel in de stad afgeloopen, dan werd de kist geopend in tegenwoordigheid van een notaris, het geld geteld en geboekt. Zoo werd gezorgd voor een eerlijken handel".
Ziehier een aflaatbrief :
„Dat onze Heere Jezus Christus Zich ontferme over u (hier volgde de naam van den kooper) en u vergiffenis schenke.door de verdiensten van Zijn heilig lijden ! En ik, uit kracht van de apostolische volmacht, die mij is toevertrouwd, ik spreek u vrij van alle kerkelijke boetedoeningen, straffen en vonnissen, die gij moogt hebben verdiend ; voorts scheld ik u kwijt alle uitspattingen, zonden en misdaden, die ge moogt hebben bedreven, hoc groot en vreeselijk ze ook mogen zijn. Ik wisch uit alle vlekken van schande en alle teekenen van eerloosheid, dié gij bij zulk een gelegenheid hebt opgedaan. Ik stel u vrij van de smarten, die gij zoudt moeten lijden in het vagevuur. Ik geef u opnieuw deel aan de sacramenten der kerk. Ik neem u weder op in de gemeenschap der heiligen en ik maak u weer zoo onschuldig als gij waart op den dag van uw doop. Zoodat op den dag van uw dood, de poorten naar het oord der pijniging voor u gesloten zullen zijn en de poorten naar het paradijs der vreugde geopend. En indien gij niet spoedig sterft, dan blijft toch deze genade van kracht tot uw einde.
In den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, Amen.
Broeder Johann Tetzel, de gevolmachtigde, heeft dit eigenhandig onderteekend".
Wanneer we deze dingen nog weer eens lezen, kunnen we begrijpen, dat de aflaathandel, met al de schandelijke practijken, de Hervorming hebben uitgelokt en bevorderd. Alle dingen, ook deze schandelijke dingen, hebben onder Gods voorzienig bestel moeten medewerken ten goede. En het is Luther, die den strijd heeft aangebonden, toen de Heilige Geest hem had ingeleid in de kennis van het „alleen door het geloof". Sola fide.
Nu is er misschien iemand, die vraagt : maar die aflaat-kwestie bestaat toch zeker nu niet meer
Dan moeten we den vrager teleurstellen. Want — neen, die zwendel als in de dagen van den schavuit Johann Tetzel, bestaat gelukkig niet meer, maar de zaak zelve — en daarom gaat het toch eigenlijk — bestaat in de Roomsche Kerk wel degelijk.
Want nauwelijks is de merkwaardige herdenking van den „Heiligen Willibrord" in het land, of de Roomsche Kerk komt met een bijzondere aflaat, een Willibrord-aflaat, in het publiek. We lazen dit bericht : ,
In een Haagsch parochieblad der Roomsche Kerk, dat huis aan huis bezorgd wordt, staat het volgende te lezen onder het hoofd : „Aflaten" :
. „Jubilé-aflaat bij gelegenheid van het 12de Eeuwfeest van den Heiligen Willibrord.
De voorwaarden voor het verdienen van dezen Jubilé-aflaat :
1. Waardig biechten en Communiceeren.
2. Het godvruchtig afleggen van twee bezoeken in een kathedraal of in een parochiekerk, en wel gedurende de dagen vanaf Zondag 5 November tot en met Zondag 19 November a.s. Het is niet noodzakelijk de eigen parochie-kerk te bezoeken.
3. Bij ieder kerkbezoek moet een gebed worden gestort ter eere van den H. Willibrord, terwijl bovendien nog moet worden gebeden tot intentie van den Paus. Bepaalde gebeden of een bepaalde tijdsduur zijn niet vereischt.
Wie op een Aanbiddingsdag het uitgestelde Allerheiligste bezoekt en zesmaal het Onze Vader, Wees gegroet en Eer aan den Vader bidt, kan hij ieder bezoek een aflaat verdienen van vijftien jaar.
Alle geloovigen die op Woensdag 8 Novemher het kerkhof bezoeken en aldaar voor de overledenen bidden (een bepaald gebed is niet voorgeschreven) kunnen een aflaat verdienen van zeven jaar, uitsluitend toepasselijk op de geloovige zielen ; bovendien kunnen de geloovigen, die gebiecht en gecommuniceerd hebben, nog een vollen aflaat verdienen, eveneens uitsluitend toepasselijk op de geloovige zielen". (Algem. Weekblad voor Kerk en Christendom).
Nu kan men zeggen : dat is toch niet de zwendel van Tetzel — en we stemmen 't toe — maar hier is toch ook in 1939 het feit, dat men — met het kalenderblaadje in de hand, want het moet op datum geschieden ! — een extra aflaat kan verdienen van vijftien jaar — en ook minder langdurige — door dit te doen en dat te doen wat absoluut waardeloos is (b.v. op een kerkhof bidden).
De Heilige Willibrord schijnt dan op die bepaalde datums voor de uitbetaling van de belooning op de goede werken, zorg te dragen. Het is ter eere van zijn jubileum dat het geschiedt .
Als in onze dagen van Protestantsche zijde wel eens op deze dingen gewezen wordt en over den aflaat iets wordt gezegd of geschreven, b.v. rondom 31 October, Hervormingsdag, dan zegt men van Roomsche zijde — zelfs door de Radio — „dat is gelogen en gelasterd". Dan zegt men : , , de protestantsche voorgangers zeggen maar wat en misleiden de menschen".
En nu dit Haagsche parochieblad dan ? Dat Roomsche blad lastert en liegt toch niet ?
Daarom kwam het ons wel gewenscht voor het hier even vast te leggen.
God geve, dat de roep der Hervorming : „alleen door het geloof", Sola fide, meer en beter mag worden verstaan, door de Protestanten — en óók door de Roomscheh !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's