KERKELIJKE RONDSCHOUW
HULDE BEWIJZEN
We hadden een paar weken geleden een stukje uit de Nieuwe Vertaling van het Nieuwe Testament overgenomen en wel Matth. 4 VS. 1—:11 „De verzoeking in de woestijn". Daar staat nu o.a. „dat alles zal ik (satan) U geven, indien Gij U nederwerpt en mij hulde bewijst" en ook in vers 10 komt dat woord „hulde bewijzen" dan nog eens voor. De Staten-vertaling heeft hier het woord „aanbidden". En nu zijn er, die hier over vallen en zeggen : men mag Gods Woord niet gaan veranderen en de Bijbel niet gaan vervalschen.
Nu moeten we elkaar altijd in lankmoedigheid dragen. En wanneer iemand de dingen niet goed begrijpt moeten we geduld oefenen en intusschen probeeren misverstanden op te ruimen. Zoo ook hier. En daarom komen we in een kort stukje nog eens even op deze kwestie terug.
Van „veranderen van Gods Woord" en van „vervalschen van den Bijbel" en van „luchten van eigen wijsheid" enz. moest men niet spreken. De goede trouw verbiedt dat al aanstonds. Liever moet men probeeren in te denken, dat de Heilige Schrift niet in het Nederlandsch, maar in de oorspronkelijke tekst in het Hebreeuwsch en in het Grieksch geschreven is. Of wij zeggen „wijf" of „vrouw", „ende" of „en" houdt geen verband met „Gods Woord". Of wij zeggen „schoot" of „buik" is precies hetzelfde en houdt geen verband met „vervalschen van den Bijbel". Als wij in Ps. 19 : 8 zouden lezen „den slechte wijsheid gevende", was dat vroeger goed, toen „slecht" en „eenvoudig" overeenstemden, maar n u zou het absoluut misverstand wekken ; nu moeten we lezen „den eenvoudige wijsheid gevende". Zoo zijn er honderd voorbeelden te geven.
En nu hebben Geref. theologen van naam reeds meer dan 40 jaar gevraagd, om een nieuwe bijbelvertaling. De brochure van prof. Noordtzij b.v. is daarbij baanbrekend geweest. En een man als prof. van Leeuwen heeft er, al de jaren dat hij hoogleeraar was, z'n volle aandacht aan gegeven ; en zijn nieuwe vertaling van het Evangelie van Mattheüs dateert reeds van 1915 ! En vanaf het jaar 1915 heeft prof. van Leeuwen nu al gezegd : er moet in Matth. 4 gesproken worden van „hulde bewijzen" ; „eere geven" enz. (Blz. 24 Ev. V. Matth. 1915).
Is dat nu „wijsheid luchten" ? of „veranderen van Gods Woord" of „vervalschen van den Bijbel", of ons „een ethischen Bijbel in de handen stoppen"?
Laat men toch eerst even rustig nadenken en laat men eens beginnen met een weinigje vertrouwen te schenken aan mannen, die van God gebruikt worden, om de Heilige Schrift niet alleen in de taal van onzen tijd over te zetten, maar die Gods Woord zooals het in de oorspronkelijke tekst luidt, in deze 20ste eeuw in menig opzicht beter kunnen en mogen begrijpen, dan men dat 300 jaren geleden kon doen.
Nu willen we graag in betrekking tot dat woord „hulde brengen" of „eer bewijzen" (dat niet beteekent „aanbidden") op een paar teksten wijzen, die ons wel eenig licht kunnen verschaffen, naar we meenen.
Matth. 18 : 26 lezen we in de Statenvertaling (gelijkenis van den ondankbaren dienstknecht) : De dienstknecht dan, nedervallende, aanbad hem (n.l. den Koning, zie vs. 23), zeggende : Heere, wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen". (Dat woord Heere heeft hier niets te maken met God). Hier hebben we in.'t Grieksch precies dezelfde woorden als in Matth. 4.
Prof. Van Leeuwen vertaalde ook daar — reeds in 1915 — niet „aanbidden", maar „voor hem te voet vallen". Dus niet : „aanbidden", maar een diep nederige houding aannemen als mindere voor den meerdere ; hulde brengen, eerbied toonen.
In Hand. 10 vs. 25 lezen we in de Statenvertaling : „En als het geschiedde, dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende aan zijne voeten, aanbad hij". Dat „aanbad" is hier natuurlijk fout ; er staat hier en in gelijkluidende teksten: hulde brengen, diepe eerbied toonen, heel nederig aan iemands voeten neervallen als de mindere. Maar niet „aanbidden". Dat doet Cornelius ook niet !
Zoo lezen we (om ook een paar voorbeelden uit het O. T. te nemen) in 2 Sam. 24 vs. 20 (de geschiedenis van David onder het oordeel Gods) : ,,En Arauna zag toe, en zag den Koning en zijne knechten tot zich overkomen ; zoo ging Arauna uit en boog zich voor den Koning met zijn aangezicht ter aarde".
Daar hebben we, wat we hebben moeten, „zich neer buigen en hulde bewijzen, eere geven ; en niet „aanbidden".
Zoo ook 1 Kon. 1 vs. 16 en 53 (de geschiedenis van Koningin Bathséba). Daar lezen we : „En Bathséba neigde het hoofd en boog zich neder voor den Koning" (vers 16). En in vers 53 (de geschiedenis van Adonia, die tegen zijn vader opstond en zich tegenover zijn broer Salomo stelde) : „En de Koning Salomo zond henen en zij deden hem afgaan van het altaar, en hij kwam en boog zich neder voor den Koning Salomo". Ook hier hebben we niét ,,aanbidden", maar zich voor iemand buigen en hem eer bewijzen, hulde brengen, eerbied toonen.
Lezen we dus; Schrift met Schrift vergelijkend, om daardoor Gods Woord des te beter te leeren verstaan, de geschiedenis van de verzoeking in de woestijn met elkaar nog eens rustig over, dan voelen we, dat de situatie aldus is : Satan zegt tot den Heiland „dan moet Gij eerst knielen voor mij en mij als den meerdere erkennen'; Gij moet eerst voor mij bukken en mij hulde brengen en mij eere geven".
Maar dan zegt de Heiland: God zegt in Zijn Woord : gij zult u voor dien niet buigen noch hem eeren — dat mag de mensch alleen voor God doen en dat doe Ik nooit voor u. Satan". Prof. Van Leeuwen vertaalde dan ook reeds in 1915 : „en de duivel zeide tot Hem, wanneer Gij voor mij neervalt en mij hulde bewijst" ; en verder : ,, toen zeide Jezus tot hem : ga heen. Satan, want er staat geschreven : den Heere uwen God zult gij eeren en Hém alleen dienen".
Ons dunkt, dit alles is nu zoo duidelijk en zoo eenvoudig, dat ieder, die rustig deze dingen nu overdenkt — en eerlijk wil zijn — er van overtuigd zal zijn, dat prof. Van Leeuwen (reeds in 1915!) de eenig juiste vertaling heeft gegeven en geenszins „Gods Woord heeft willen veranderen" en niet ,,den Bijbel heeft willen vervalschen", noch ons „een ethische Bijbel" heeft willen geven, maar als man van wetenschap en godsvrucht voor Gods Woord heeft willen buigen en er voor geijverd heeft om dat Woord des Heeren over te brengen in onze taal.
Dat heeft hij niet gelaten bij woorden, maar hij heeft de woorden ook omgezet in. daden, waarover we ons hartelijk verblijden. Men leze voorts zijn : Mattheüs-Evangelie en den Romeinenbrief in de nieuwe vertaling!
VADER BRAKEL over BIJBELVERTALINGEN
Ons volk is gewend aan de Statenvertaling ; en we bezitten daarin ook waarlijk een schat van de allergrootste beteekenis. Het is de Bijbel „getrouwelijk overgezet uit de grondtalen". Er waren in die dagen wel meer bijbelvertalingen ; maar niet altijd waren ze door kundige mannen „getrouwelijk uit de grondtalen" (Hebreeuwsch en Grieksch) over gezet. Men had wel eens een vertaling van een vertaling gegeven. Maar dat hebben onze Vaderen niet gedaan. Die hebben het oorspronkelijke geraadpleegd en dat oorspronkelijke in onze Nederlandsche taal overgezet, opdat ieder, ook de eenvoudigste, den Bijbel lezen kon. „Onderzoekt de Schriften", heeft de Heiland gezegd ; wacht niet op allerlei wonderlijke openbaringen of z.g.n. stemmen uit den hemel — zelfs niet iemand, die uit "de dooden opstaat, kan hier de plaats van „Mozes en de Profeten" vervangen ! zooals de Heiland in de gelijkenis van den rijken man en Lazarus door de mond van Abraham laat getuigen.
Het moet ons om de Heilige Schrift zelve te doen zijn, en daartoe moet ieder dan de Schrift kunnen lezen „in zijn eigen taal". In Engeland heeft men een Engelsche bijbel noodig, in Duitschland een bijbel in de Duitsche taal, en wij hebben een Nederlandsche vertaling noodig, in de taal van onzen tijd.
Vader Brakel schrijft daarover in Hoofdstuk II van zijn bekend boek : „De Redelijke Godsdienst", Deel I, blz. 54—56.
Hij zegt : „Dewijl de Schrift aan de gemeente en ieder harer leden gegeven is, en door ieder gelezen moet worden, over heel de wereld (Openb. 5:9), zoo is 't noodig, dat de Heilige Schrift ook in allerlei talen overgezet wordt. Tot dat einde is de Bijbel in zeer velerlei talen overgebracht" (bladz. 54). Hij spreekt dan van de Septuaginta, de vertaling van de zeventigen ; van de Syrische vertaling, van de Vulgata (de Roomsche vertaling) enz.
„Maar" — zoo zegt.hij verder (blz. 55) — „al de overzettingen zijn niet geschied uit de oorspronkelijke Hebreeuwsche en Grieksche talen, in welke de heilige mannen, door den Geest Gods gedreven zijnde, die geschreven hebben. Doch volgens besluit van de Nationale Synode van Dordt (1618—'19) is de geheele Bijbel, op last en op kosten van de Hoogmogende Heeren Staten-Generaal, uit de oorspronkelijke Hebreeuwsche en Grieksche handschriften in het Nederlandsch getrouwelijk overgezet. En opdat het zoo volkomen als doenlijk is, mocht geschieden, zoo zijn een meerder getal van geleerde mannen afgezonden, die gezamenlijk de overzetting, door de eerst gekozenen gedaan, van het begin tot het einde hebben onderzocht. Daardoor overtreft onze Nederlandsche overzetting alle andere vertalingen, zoo oude als naderhand gedane ; zoodat vriend en vijand zich verwondert daarover". „Als mogelijk een woord ook nog in een anderen zin kon worden verstaan, zoo heeft men dat op den kant aangeteekend. (De Kantteekeningen). De Heere zij gedankt voor dat onwaardeerlijk geschenk !"
Aldus Vader Brakel. Maar dan vervolgt hij dadelijk :
„Doch hoe volmaakt ook een overzetting of vertaling is, zoo is ze toch niet authentiek of onfeilbaar. De overzetters kunnen in 't een of ander woord missen ; daarom moet elke vertaling aan de grondtekst getoetst worden, als ergens over de vertaling verschil van meening bestaat". „Want de grondteksten zijn onmiddellijk door God ingegeven, dat is Gods Woord, zoowel wat de zaken als de woorden betreft, maar de vertalingen hebben wel de van God ingegevene zaken, doch niet de woorden. Ook die de grondteksten niet kan raadplegen, kan er van verzekerd zijn, dat de zaken in de vertaling Gods Woord is, maar de woorden moeten door de kenners van de oorspronkelijke talen worden beproefd. Bij 't lezen van de vertaling komt de Heilige Geest, getuigende, dat de Geest, in het Woord sprekende, de waarheid is en past de kracht van het Woord toe op z'n eigen hart en op de harten van anderen".
Maar de grondtaal moet de grondtaal blijven. Als men dan ook vraagt — zoo zegt Brakel — of de overzettingen dezelfde waarde hebben als de grondtekst, dan moet het antwoord zijn : neen ! Dat zeggen de Roomschen wel van hun Roomsche overzetting, de Vulgata, maar wij ontkennen dit. (blz. 56). Brakel zegt dan : dat die overzetting niet is geschied door een onfeilbare ingeving des Heiligen Geestes ; 't is geschied door feilbare menschen, schoon zij hun best hebben gedaan. „Daarom mag men noch die, noch andere overzettingen met de grondteksten gelijk stellen in achting en onfeilbaarheid".
Brakel gaat op dit onderwerp dan nog verder in. Hij houdt nog even vast aan die Grieksche vertaling van het O. Testament, de Septuagint. En hij zegt : de Heere Jezus Zelf en de Apostelen hebben dikwijls uit die vertaling teksten aangehaald ; is dus die vertaling niet als Gods onfeilbaar Woord en als authentiek te achten ?
En zijn antwoord is dan : „Christus en de Apostelen beoogden den zin van den tekst, en niet de woorden. Zij gebruikten die Grieksche overzetting, omdat die 't meest in de handen van het volk was ; want de Grieksche taal was toen algemeener dan de Hebreeuwsche".
Maar dan besluit hij, dat om dit gebruik der Septuaginta door Christus en de Apostelen, geenszins de vertaling gelijke achting en authenticiteit ontvangt als de grondtekst, die door God is ingegeven.
Deze door Christus gebruikte vertaling toch, zegt Brakel, heeft tastelijke misslagen, en 't is kennelijk dat de zeventig overzetters zich in verscheidene plaatsen hebben vergist".
Men voelt hoe Vader Brakel dus staat tegenover de woorden van een vertaling. Het is en blijft een overzetting uit de oorspronkelijke talen en daarom moeten de vertaalde woorden ook telkens weer aan de grondteksten getoetst worden.
Niet de vertaling, maar de grondtekst bovenal !
En daarom hebben we den Heere, Die Zijn Woord ons gegeven heeft, om dat te onderzoeken, te danken, dat Hij ons mannen gegeven heeft, die in deze donkere dagen, vol verscheuring en verwarring, bekwame, godvruchtige mannen gegeven heeft, die in eensgezindheid met ingespannen arbeid hebben gewerkt aan een nieuwe vertaling van Gods Woord, een „getrouwe overzetting uit de oorspronkelijke (Hebreeuwsche en) Grieksche taal".
Zóó kunnen we Gods Woord, waarlijk Gods Woord, in ons bezit krijgen, waarbij de Heere waakt over Zijn Kerk, alle eeuwen door.
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (28)
,, De Vaderen" — aldus gaat Wormser voort — „spreken in het aangehaalde gebed en in de dankzegging met volkomen juistheid ; maar zij spreken uit het genadeverbond, en niet uit de abstracte praedestinatie. Daarom houde men wel in het oog, dat zij voor ieder gedoopt kind, hoofd voor hoofd, danken dat God het „door Zijn Heiligen Geest tot lidmaat Zijns eeniggeboren Zoons en alzoo tot Zijn kind aangenomen heeft, en dat met den Heiligen Doop bezegelt en bekrachtigt". Onze Gereformeerde Vaderen wisten niets van die inwendige, stille voorbehouding, waardoor men thans somtijds de zaak tracht te redden, door er bij te denken : „mits het kind uitverkoren zij" ; een voorbehoud, waardoor 't genadeverbond, evenzeer als de dankzegging zelve, van kracht en waarheid wordt beroofd.
Dat kind moet in zijn opwassen kunnen staat maken op de genade van God, die het in den doop verzegeld is ; — verzegeld is, onvoorwaardelijk, ook zelfs zonder voorwaarde van uitverkoren te zijn.
Het moet den weg ten hemel kunnen inslaan uit kracht van hetgeen God hem geopenbaard heeft (het genadeverbond) ; want het kan dit niet doen uit kracht van hetgeen God voor hem tot dusverre heeft verborgen gehouden (zijn personeele praedestinatie of uitverkiezing).
Was Noach — zoo vraagt Wormser — gepraedestineerd om uit den zondvloed behouden te worden ? Zeer zeker : ja ! Maar — waaruit bleek dit, zelfs vóór dat de zondvloed kwam ? Immers uit hetgeen God, de Heere, hem geboden heeft. „Naar al wat God hem geboden had, zoo deed hij". (Gen. 6 vers 22) Zal het gedoopte kind uit den algemeenen nood ten jongsten dage behouden en zalig worden ? — Ja, onfeilbaar zeker, indien het slechts uit zijn doop voortleeft, aan het genadeverbond vasthoudt, en in overeenstemming daarmede „doet naar al wat God hem gebiedt".
Had Noach niet geloofd aan den aanstaanden nood, hij zou geen ark gebouwd hebben. Zoo ook, wanneer het kind in zijn opwassen niet gelooft aan den aanstaanden nood, het zal geen verschuiling zoeken in Christus, maar Hem den rug toekeeren en Hem verachten en verlaten.
Maar ook omgekeerd ; wat zou het Noach gebaat hebben, indien hij uit eigen beweging, en zonder de belofte van God, pogingen tot behoudenis en; redding had in het werk gesteld, om den algemeenen nood te ontgaan ? Immers niets ; ook de schoonste ark zou door den zondvloed verzwolgen zijn geworden.
Acht men het dan voor niets, dat God ons thans laat aankondigen : „de hemelen, die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels, en der verderving der goddelooze menschen". (2 Petrus 3 vers 7) ?
Acht men het voor niets, dat God ons Zijn Zoon tot een verberging geeft, om uit dien nood gered en behouden te worden, èn dat Hij ons en onzen kinderen dit door den doop laat verzegelen en bekrachtigen ?
„Maar — zal men zeggen" — aldus Wormser — „indien wij niet gepraedestineerd zijn, dan baat het alles niets".
„God plaatst u" — zoo antwoordt Wormser — „door den doop in de ark, die door het vuur niet verteerd of aangetast worden zal. Blijf in de ark, dan zijt gij gepraedestineerd ; of loop er uit, dan zult gij vergaan, en het zal daardoor blijken, dat gij niet gepraedestineerd waart.
Zoo is de praedestineerende God, de roepende God. En hetgeen verborgen is latende voor den Heere, hebben wij op de roeping Gods acht te geven ; we hebben onze roeping vast te maken, opdat straks onze verkiezing blijke uit de vruchten. Maar wee ons, indien de verkiezing het obstakel wordt om de roeping te verachten, indien het verborgene het geopenbaarde zou komen te niete maken — wat Satan o zoo gaarne wil.
Noach zij ons ten voorbeeld. „Naar al wat God hem geboden had, zoo deed hij". (Gen. 6 vers 22).
„Wat had Noach, met betrekking tot den zondvloed, meer dan wij, die gedoopt zijn, met betrekking tot het laatste oordeel ? Niet anders dan Gods gebod en Gods belofte, waarbij hij het geloof in Gods verzekeringen mocht bezitten, nalatende den Heere tegen te spreken ; en waardoor hij den weg insloeg, dien God hem aanwees.
Alleen door geloovige onderhouding van het genadeverbond komt men tot de zekerheid, dat men gepraedestineerd is, om aan het eeuwig verderf te ontvlieden en de eeuwige heerlijkheid te beërven".
(Wordt voortgezet.)
DE STRIJD OM DEN BIJBEL OP DE SCHOOL (6)
De Staat trok alle onderwijs aan zich en de oprichting van bijzondere scholen, met godsdienstigen grondslag, werd vrijwel onmogelijk gemaakt. In weerwil van de véle aanvragen- had men in de dagen van Groen slechts op 4 plaatsen bijzondere Christelijke Scholen, en wel : in Nijmegen (Van der Brugghen), Den Bosch (Pierson en Lohman), Nijkerk en Amsterdam.
Welnu, tegen dezen staat van zaken (in het land van de klassieke vrijheid !) had Groen reeds terloops in zijn : „De Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het Staatsrecht getoetst", zijn stem doen hooren, om daarna, als hij in 1840 in de Staten-Generaal zijn intrede doet, voor het eerst den „Goliath van het Nut voor 't Algemeen" aan te vallen.
Op den 27sten Augustus 1840 deed hij zijn meesterlijk protest in 's lands raadszaal hooren. Hij zei : „Ja, het onderwijs in Nederland is onchristelijk ; niet, alsof dit verwijt elke school zou treffen ; geenszins, er is ook bij de algemeenheid van het stelsel, overvloedig reden om over uitzonderingen en inconsekwenties dankbaar te zijn. Het onderwijs is onchristelijk, omdat de Wet van 1806, door de Vereeniging der Gezindheden, een beginsel ingevoerd heeft, ten gevolge waarvan de Bijbel óf niet óf enkel behoudens goedvinden der R.K. geestelijkheid gelezen mag worden. Het is onchristelijk, omdat men door de afscheiding van hetgeen onafscheidelijk is, niet slechts de leer des Bijbels terzijde heeft gesteld, maar ook de geschiedenis der Heilige Schrift van ziel en leven en waarheid heeft beroofd".
„Het is" — zoo gaat Groen, scherper nog in zijn verontwaardiging — „het is antichristelijk, omdat, terwijl het leerstellig onderwijs in schijn uitgesloten wordt, men inderdaad een ander leerstellig onderwijs geeft! Het is anti-Christelijk, omdat men met voorbijzien van de klove, die de zonde daar gesteld heeft, een algemeenen Vader der menschen verkondigt. Het is anti-Christelijk, omdat men aldus aan het jeugdig gemoed een God predikt, die een droombeeld is van menschelijke wijsheid, een afgod, die, met verloochening van den levenden God der waarheid, opgericht wordt".
Wat Groen hier in zijn Kamer-rede uitsprak, wel beseffend dat de Overheidsschool onder den schijn van neutraal te zijn, in wezen een moderne secte-school was geworden, heeft hij als lid van de Commissie, in Nov. van 1840 door Koning Willem H samengesteld, in.een Nota meer geformuleerd neergelegd. Dan geeft hij de eerste systematische verdediging van zijn wensch : „èn splitsing der Openbare School naar gezindheden èn zonder uitstel als eisch en recht van het geweten, vrijheid van bijzonder onderwijs".
Facultatieve splitsing naar de gezindheden — voor wie dat wilden.
Vrijheid van bijzonder onderwijs — als eisch en recht van het geweten.
In deze Nota, die een proefstuk, maar tegelijk een meesterstuk van Groen was inzake het onderwijsvraagstuk, trachtte hij den Koning vrijmoedig van het verderfelijke eener kunstmatige eenheid te overtuigen. Scherp geeselt hij de valsche vrijheidszin van hen, die staande hielden, dat nu reeds vrijheid van onderwijs bestaat. Groen spreekt hier van „de vrijheid van een slaaf", want de voorstanders van het bijzonder onderwijs mochten alleen een school oprichten — en zelf onderhouden ! — als het Gemeentebestuur machtiging gaf (en dan kwamen niet zelden allerlei belemmeringen eindeloos op 't appèl !). „Zoo kan men" — zei Groen -- „óók spreken van de vrijheid van een slaaf, daar deze met machtiging van zijn meester ook de vrijheid kan verkrijgen".
Als het anti-papisme dan ook en duit in 't zakje doet en met allerlei vreesaanjagende argumenten komt, en zelfs komt aandragen met „ijzingwekkende galgen, rookende brandstapels, allerlei inquisitoriale gruwelen als noodzakelijke gevolgen als er vrijheid van onderwijs komt", om daarmee de goê gemeente te verontrusten, dan zegt Groen: „Ik ben óók in het schoolwezen veel minder voor den invloed van Rome beducht, dan voor de werking van eene dorre Protestantsche leer, welke, ja het Evangelie verkondigt, doch er op meer dan ééne wijze het kenmerk eener blijde boodschap aan ontneemt".
Het was de eerste bede van Groen om vrijheid en recht inzake het onderwijs als eisch en recht van het geweten des Christens, en die eerste bede werd afgewezen. Als eenige gunst werd bepaald, dat men voortaan bij weigering der Gemeentebesturen beroep op Gedeputeerde Staten zou hebben ; en als deze dezelfde taktiek volgen (zooals Gr oen en zijn vrienden dat in Den Haag hadden ervaren !) zou er een verzoekschrift mogen worden gezonden aan den Koning om zijn hooge tusschenkomst te vragen — op welk verzoekschrift dan geen bescheid volgde
De vrijheidszon was echter aan 't dagen — waartoe de revolutiebeweging van 1848 heeft moeten medewerken ten goede. Want onder den indruk van de Februari-revolutie was door den Koning in Maart 1848 eene Staats commissie tot Grondwetsherziening ingesteld en deze, met Thorbecke aan het hoofd, nam daarin de bepaling op : „Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid der onderwijzers en het toezicht der Overheid".
Dat was veel gewonnen. „Het geven van onderwijs is vrij !"
Maar we zijn nog niet, waar we wezen moeten !
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's