De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NIENKE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NIENKE

EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN

6 minuten leestijd

Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen
„Vergeet niet de drukte van ons bedrijf, kind. Je weet, hoe het gaat: 's morgens voor dag en dauw al op, met het oog op het vee. Dan, na het melken, op een drafje brood eten. Dan het manvolk het land in en wij, vrouwen, de handen vol met het huiswerk en het boenen van de melkbussen, 't Middageten gaat gewoonlijk ook op een drafje, omdat je vader dan daarna graag even rusten wil, en dan duurt het niet lang, of het is alweer melken of vee voederen of wat de tijd van het jaar maar zegt. Werkelijk, je moet ook maar tijd hebben voor den godsdienst en in de stemming zijn".
„Dat laatste is, geloof ik, vooral de zaak, waar het op aankomt. Den tijd zouden wij wel vinden, als het hart dit slechts verlangde. We vinden hier immers ook allen tijd voor andere dingen en anders neemt men dien eenvoudig, zonder te vragen, of het kan. Wat is onze Maar d'r vaak op uit. Dat gaat Dinsdags naar Sneek en Vrijdags naar Leeuwarden, en dan nog zoo vaak anders eens, als hier of daar iets te doen is. Gabe net eender. Wanneer komt hij vanavond thuis, als het geen nacht wordt ? En wij hebben immers ook wel tijd voor de krant".
Ja, dat was zoo. Als het er aan toe kwam, had men voor alles tijd, wanneer slechts de gelegenheid daar was of de stemming, gelijk zij zoo juist gezegd had. Vrouw Santema zuchtte. Zij voelde wel, dat hare dochter gelijk had en zij wist wel, dat het verkeerd ging heelemaal verkeerd. Met de twee oudste kinderen vooral, maar dan ook met de geheele huishouding, omdat er geen krachtige, Christelijke leiding was, zooals het behoorde.
Toen Mini eerst ziek werd en men voor haar leven vreesde, toen scheen het, alsof het op „Donia-state" een anderen weg zou gaan. Gabe was zoo kalm en Maaike bleef meer thuis en haar man had buiten de boerderij om ook nog tijd om zich eens met huishoudelijke zaken te bemoeien en rustig naast de patiënte plaats te nemen. Doch al spoedig gewende men aan den toestand en was het weer het oude liedje, 't Dreigend doodsgevaar bleef zoo lang uit en scheen zelfs af te trekken (roemde niet elk den buitengewonen vooruitgang, die bij Mini merkbaar was ? ) en zoo ging het leven steeds meer op in de stoffelijke wereld, zonder daarbij acht te geven op den nood der zielen. Maar bij Mini was iets anders gekomen, als vrucht van de krankheid, en dat sprak zich uit in dit avondgesprek met moeder, die beter dan iemand anders haar verstond en hier oor voor had.
„'k Zou het ook wel anders en beter kind, maar hoe dat hier te krijgen ? " wenschen,
Precies, dat was de vraag. Mini had straks gesproken van het geleid worden door onzichtbare machten ten goede of ten kwade, maar zóó was het wellicht, en als het zoo was, dan schenen vooral hier op de zathe wel booze machten in het spel te zijn, althans bij sommigen. Wat had zij menigmaal tegen Maaike gezegd, om zich toch rustig op „Doniastate" neer te geven, evenals Rooske en Fetje Piersma op „Burmania-state" dat ook deden, of zooals bijv. Nienke Huitema. Zelfs Hedwig en Betty Krips waren lang niet zooveel op pad als Maaike, en dat waren nu burgermeisjes, die thuis niet veel werk hadden. Maar toen was er wat gekomen ! Moeder behoefde niet te denken, dat zij plan had om zoo vroom te worden als de Piersma's en als een hond altijd aan den ketting wilde gebonden zijn, en wat Nienke betrof, 't paste haar ook, om zich maar een beetje op den achtergrond te houden. Waar kwam zij weg en wie, die haar kende, zou met zoo een omgang willen hebben ? Wat de meisjes van mijnheer Krips betrof, niets dan gierigheid, dat zij meest bij honk bleven, 't Leek vaak met zulke ambtenaren heel veel, maar in de beurs viel het gewoonlijk af. Zij was maar éénmaal jong en kon nu nog genieten. Als later de deur van bekommernis openkwam, zooals oudere menschen het noemden, wanneer men eigen huishouding kreeg, dan was het nog vroeg genoeg om zich rustig in eigen woning neer te geven. Natuurlijk zou zij eenmaal trouwen. Wanneer, dat wist zij niet, en met wien, dat wist zij óók niet. Dat was óók het mooie van haar jonge leven, dat zij zich nu eens met dezen en dan weer met genen vrijer op pad gaf. Als zij de aardigheid van den één af had, nam zij den ander. Een dochter van Santema, heer van Donia-state, behoefde niet bang te wezen, dat zij zou overblijven. Daarvoor zat er te veel geld in de familie, en was het den jongen mannen dus niet om haar te doen, dan wel om haar toekomstig kapitaal, 't Trouwen had tóch zijn uitvallen, evenals het varkensslachten. 't Kon mee-, maar ook tegenloopen. Feitelijk vond zij dat gaan naar het gemeentehuis om je daar met een ander voor het geheele leven te verbinden, of het paste of niet paste, een flauwe beweging, 't Leek haar veel mooier toe, zooals het in Amerika ging, waar men op een gemakkelijke manier eventjes een-twee-drie getrouwd werd, om, als het niet beviel, bijna ook weer even gemakkelijk van elkander los te komen. Dat was je ware en zóó zou zij het ook willen. Waardoor lang niet zooveel ongelukkige huwelijken zouden gevonden worden, waarbij de een den ander vaak tot aan zijn dood tot een last was.
Zoo had zij eens tot hare moeder gesproken, daarbij voorgelicht door allerlei romans, die af en toe uit de openbare leeszaal in de stad gehaald werden, en vrouw Santema had er maar het zwijgen aan toegedaan. Vooreerst, omdat zij lang niet in het spreken tegen Maaike was opgewassen, en dan ook, omdat in hetgeen zij sprak, wel een kern van waarheid lag.
Niettemin voelde haar moederhart, dat het met de oudste dochter een verkeerden weg opging, evenals met Gabe, die zich evenmin liet leiden. Hém behoefde zij in het geheel niet aan te komen met hare vermaningen. Daar stond hij ver boven. Krulde zich onlangs om z'n mond niet een glimlach, toen zij op een Zondagmiddag na het eten gezegd had, dat men nu ook wel eens een kapittel uit den Bijbel lezen kon ?
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

NIENKE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's