Een aangrijpend verschil
over het Borgschap van Christus tusschen Gereformeerden en Ethischen.
In een vorig artikel over Melchizedek hebben we nog even de gelegenheid gehad om het 22ste vers van het 7de hoofdstuk van de Hebreen aan te halen. Daar liezen we : „van een zooveel beter verbond is Jezus borg geworden".
Als we in dit artikel wat breeder op dit vers zullen ingaan, dan zal het ons duidelijk worden dat de ethischen over het borgschap van Christus een geheel andere opvatting huldigen dan de gereformeerden.
Het is niet zoo gemakkelijk, om precies de meening van de ethischen weer te geven. Men zal telkens ondervinden, dat het weer op tegenspraak zal uitloopen als men het waagt om te zeggen : de ethischen zeggen dit of dat.
Zoo ging het ook mij, toen ik eenige jaren geleden in De Waarheidsvriend een artikel gaf over de rechtvaardigmaking door het geloof. Toen ik had beweerd, dat het groote verschil tusschen gereformeerd en ethischen inzake de rechtvaardigmaking hierin bestond, dat de gereformeerden de rechtvaardigmaking opvatten als een juridische — rechterlijke — daad Gods en dat de ethischen spreken van een ethische rechtvaardigmaking, werd enkele weken later in het Weekblad voor Christendom en Cultuur opgemerkt, dat er wel degelijk ethischen te vinden waren, die toch wenschten in te stemmen met de juridische rechtvaardigmaking.
Omdat het borgschap van Christus ons onmiddellijk brengt op het terrein van de rechtvaardigmaking, is het misschien wel goed dal we even ons oor te luisteren leggen bij dr. J. H. Gerritsen. Deze heeft een boek geschreven, waarvan de titel luidt : Rechtvaardigmaking bij Paulus in verband met de prediking van Christus in de synoptici en de beginselen der reformatie.
Bij het noemen van dit werk hebben we ten minste dit voor, dat we met iemand te doen hebben, voor wien men in ethische kringen groot respect heeft.
In het genoemde werk ontwikkelt dr. Gerritsen de gedachte, dat overnemen van straf eigenlijk nooit kan plaats hebben. Er kan dus ook alleen maar persoonlijk voor worden geboet. De rechtspraak kent wel de mogelijkheid, dat de een voor den ander een boete betaald. Als b. v. iemand vijf gulden boete moet betalen, omdat hij 's avonds zonder lantaarn op zijn rijwiel reed, dan is het mogelijk dat een ander die boete voor hem betaalt. Als het echter niet met boete of hechtenis afloopt, maar tot gevangenisstraf komt, dan is er geen sprake meer van dat een ander voor dat misdrijf gaat zitten. De persoon, die het misdrijf begaan heeft, moet onherroepelijk zelf gaan zitten. Van een overdracht van straf is dan geen sprake meer.
Welnu, daaruit trekt dr. Gerritsen woordelijk deze volgende conclusie :
„Straf kan naar recht niet door een ander gedragen worden. Men kan zich dus nimmer op onze rechtspleging beroepen om daarmede de gedachte, dat Christus onze schuld heeft betaald, te rechtvaardigen. Men heeft, wanneer men dit doet, 't woord schuld in de beteekenis, welke het in de koopmanswereld heeft, n.l. verplichting tot het betalen van een som gelds, genomen. Maar in dit laatste geval bevindt men zich op juridisch terrein".
We gaan op dit betoog van dr. Gerritsen niet in den breede in. Dat dr. Gerritsen zich hier meer laat leiden door de opvattingen van het oude heidensche Romeinsche recht, dan door de geheel eenige openbaring Gods, moet iedereen wel duidelijk zijn.
Op blz. 244 van zijn werk trekt hij deze conclusie :
„Feitelijk stamt de kerkelijke leer van de toegerekende gerechtigheid niet uit de rechtswereld, maar uit die van het koopmansbedrijf en ontvangt zij daardoor een bedenkelijk mercantiel (koopmans)karakter, dat, wanneer het leven, dat de onjuiste theorie corrigeert, is verdwenen, een zeer noodlottigen invloed op geheel het zedelijk geestelijk bestaan des menschen kan uitoefenen, ja, tenslotte mede kan werken geheel het zedelijk leven des menschen te vernietigen Deze bedenkingen tegen de leer der toegerekende gerechtigheid zijn m. i. van te groote beteekenis, dan dat zij in een zuiver ethische theologie kan blijven gehandhaafd".
Nog eens, het is geenszins onze bedoeling om) in dit artikel in te gaan op het betoog van dr. Gerritsen. Alleen is het ons begonnen om den invloed te teekenen van zulk een beschouwingswijze op de uitlegging van den bovengenoemden tekst uit Hebreen 7, waar sprake is van het borgschap van Christus. Om u niet te vermoeien met talrijke breede verklaringen, wilde ik het maar laten bij het citeeren van de korte verklaring, die prof. dr. H. M. van Nes geeft in Tekst en Uitleg, zie blz. 48 onderaan. Daar lezen we : „Er is geen sprake van wat de oude godgeleerden noemden „de borgtochtelijke gerechtigheid" des Heeren, want de bedoeling is niet, dat Jezus onze borg zou zijn bij God, maar juist omgekeerd, dat hij borg van God is bij ons ten opzichte van de nieuwe bedeeling, die door God is geschonken".
We hebben in Hebr. 7 vers 22 te doen met een tekst, waarop de ethischen zich bij voorkeur gaarne beroepen bij hunne bestrijding van de borgtochtelijke gerechtigheid van ; !en Heere Jezus.
Dergelijke uitlegging van dit vers is niet nieuw. Als we de geschiedenis van de exegese van dezen tekst nagaan, dan zien we dat er al de eeuwen door aan dezen tekst getornd is. Al degenen, die niet wilden weten van de vrije, souvereine genade, hebben in den loop der eeuwen getracht om aan dezen tekst een andere uitlegging te geven. Welnu, laat ons dan nog even in het kort nagaan of met een beroep op Hebr. 7 : 22 de leer van de borgtochtelijke gerechtigheid moet gehandhaafd worden óf of we ze met dr. Gerritsen en dr. Van Nes en anderen zullen moeten loslaten. Ieder, die het Schriftgedeelte leest, zal onmiddellijk moeten toestemmen dat Christus hier niet als Middelaar met den Middelaar van het Oude Verbond vergeleken wordt, maar als Hoogepriester met den Hoogepriester van het Oude Verbond. Aan het einde van het 7de hoofdstuk staat immers geschreven een aanhaling uit Psalm 110 : Gij zijt priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek. Het gaat dus immers om het priesterschap. In het geheele hoofdstuk gaat het verder over de vergelijking van Melchizedek met den priester Aaron. En vlak aan onzen tekst gaan vooraf deze woorden: Want genen zijn wel zonder eedzwering priester geworden, maar deze met eedzwering door Dien, die tol hem gezegd had : „Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek". En in vers 24, hetwelk op den betreffenden tekst volgt, lezen we : En genen zijn wel priester geworden, omdat ze door den dood verhinderd werden altijd priester te blijven, maar deze, omdat hij in eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk priesterschap. Dus overal is sprake van het priesterschap. En als dan in vers 26 de conclusie wordt getrokken, dan luidt het niet, dat een zoodanig middelaar, maar dat een zoodanig hoogepriester ons betaamde.
We meenen, dat het hierdoor vaststaat, dat het in dit hoofdstuk niet gaat om een vergelijking tusschen Christus en Mozes, maar tusschen Christus en Aaron. Als dit onomstootelijk vaststaat, dan komen we vervolgens tot de vraag of onder het Oude Verbond de priester een borg was voor Israël bij God, óf wel een borg voor God bij Israël.
Het is waar, dat een priester ook een getuige des Heeren is bij het volk. Van een priester zou de wet uitgaan. Maar het verband laat hier duidelijk zien, dat er hier sprake is niet van een priester als getuige, maar als offeraar en voorbidder.
Lees slechts in vers 25 : „dat deze volkomenlijk kan zalig maken degenen, die door hem tot God gaan, alzoo hij altijd leeft om voor hien te bidden", en in vers 27 : „de hoogepriesters moeten allen dag eerst offeren voor hunne eigene zonden en dan voor de zonden des volks, maar dat hij dit eenmaal gedaan heeft, als hij zichzelf heeft geofferd". En voorts lezen we : „dat een iegelijk priester gesteld wordt om gave en slachtoffers te offeren en dat het daarom noodzakelijk was, dat hij iets had om te offeren".
Christus wordt dus in Hebr. 6 en 7 met de priesters van Aaron vergeleken inzake offerande en voorbiddingen.
Er is dus geen sprake van een borg, die iets voor God bij ons doet, maar van een Borg, die in onze plaats treedt bij God. Van harte stemmen we in met het oordeel van dr. Kuyper : „Er blijkt alzoo uit den tekst, dat onze Gereformeerde theologen, en met name Owen, den zin dezer woorden wel terdege juist en goed voor de Kerk Gods vertolkt hadden en dat niet de kweekelingen van de Rijks-hoogescholen, die deze uitlegging bestreden, maar wèl het eenvoudige volk, dat er aan vast hield, van wezenlijk wijzen zin blijk gaf".
Trouwens, tot welk een onmogelijke gedachtengang moet men wel komen op het standpunt der ethischen !
God schenkt genade en bezweert het met een eed. Zou dat nog niet genoeg zijn ? Zou er nu nog een borg bij moeten komen ? Een borg wordt er gevraagd, alleen als iemand aan zijn eventueele verplichtingen niet zal kunnen voldoen. Een schuldèischer heeft geen borg noodig. God de Heere heeft ook geen borg noodig. Alleen arme zondaren hebben een borg noodig, die hunne schuld zal verzoenen en voor hunne ongerechtigheid betalen zal.
Neen, neen, het zal nooit gelukken om de borgtochtelijke gerechtigheid weg te redeneeren.
Ermelo.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's