De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

7 minuten leestijd

DE GEESTELIJKE VERZORGING VAN DE GEMOBILISEERDEN
Bij het dezer dagen in de Tweede Kamer gehouden debat over de defensie-begrooting, werd door verschillende partijen en ook door de Regeering groote waardeering uitgesproken ten opzichte van de persoonlijke offers, die nu reeds langer dan drie maanden gebracht worden door de gemobiliseerden, die voor de handhaving van onze zelfstandigheid uit arbeid en gezin zijn weggeroepen.
Dat inderdaad die offers groot zijn, daarover kunnen in het bijzonder zij oordeelen, die geroepen zijn, zich dagelijks bezig te houden met den nood, waarin vooral de kleine zelfstandigen in het gemobiliseerde leger ten opzichte van bedrijf en gezin verkeeren.
Wat van dien nood vernomen wordt, is vaak van dien aard, dat de toekomst voor velen donker is.
En toch, niettegenstaande de vele zorgen, waaronder tengevolge van 't gedwongen verblijf onder de wapenen tienduizenden van ons volk gebukt gaan, mag met veel voldoening geconstateerd worden, dat, wat voor een parate weermacht zoo noodig is, de goede geest onder de gemobiliseerden niet ontbreekt.
Dat wijst op de innerlijke kracht, welke door Gods genade nog in ons volk schuilt.
Is die goede geest alzoo bij leger en viool aanwezig, het is zaak, dat het legerbestuur zich beijvert om door zijn maatregelen den geest bij de weermacht goed te doen blijven.
Daarvoor zijn twee dingen noodig.
In de eerste plaats een behoorlijke geestelijke verzorging en in de tweede plaats een alleszins voldoende voorziening in de materieele behoeften van de gemobiliseerden.
Over beide onderwerpen willen wij enkele opmerkingen maken.
Eerst de geestelijke verzorging der gemobiliseerden.
Zooals wij reeds bij vorige gelegenheden breedvoerig uiteengezet hebben, behoort de geestelijke verzorging der militairen tot het terrein van de Kerk. Op dat terrein kan en mag de Overheid zich niet bewegen. Zij heeft daar geen roeping te vervullen. Steeds dient scherp onderscheiden te worden tusschen wat der Kerk en wat der Overheid is.
Het instituut der legerpredikanten, die rijksambtenaren zijn, is dan ook niet veel meer dan de trait d'union (verbinding), de instelling, die het contact tusschen Kerk en weermacht tot stand brengt ; of met andere woorden : het instituut, dat de Kerk in het leger en op de vloot den weg baant om haar arbeid onder de militairen ongestoord te verrichten.
Dit alles neemt intusschen niet weg, dat de Overheid zich niet geheel afzijdig van het vraagstuk der geestelijke verzorging van landen zeemacht kan houden. Zij heeft behalve de negatieve taak om zich niet op het terrein der Kerk te begeven, ook de positieve taak om de Kerk de helpende hand te bieden.
Deze laatste taak vloeit voort uit het feit, dat de Overheid de zonen des volks in het leger roept. Dientengevolge heeft zij te letten op de godsdienstige en zedelijke levenscondities der gemobiliseerden. De Overheid heeft met de Kerk overleg te plegen. Dat zij dit doet, blijkt uit de benoeming van de 120 reserve-veldpredikers.
Voorts heeft de Overheid de plicht, zoo noodig en desgewenscht, de geestelijke verzorging financieel te steunen.
Voor dezen financieelen steun komen in de eerste plaats in aanmerking de tijdelijke militaire tehuizen, die de gemobiliseerden in hun vrijen tijd het gemis van de ouderlijke woning of van het gezin, dat verlaten werd, moeten vergoeden. Deze tehuizen zijn voor het geestelijk welzijn der militairen van groote beteekenis. De Regeering gaf reeds blijk van haar belangstelling in den arbeid van particulieren ten bate der tijdelijke militaire tehuizen, door een subsidie van ƒ 5000.—• beschikbaar te stellen.
Daarnaast zijn er in de garnizoenen 160 predilcanten ten behoeve van de geestelijIce verzorging der gemobiliseerden werkzaam, die voor deze verzorging in meerdere of mindere mate financieelen steun van het Rijk genieten.
Tot de geestelijke verzorging van de militairen behoort ongetwijfeld ook de zorg van de Overheid, dat de Zondagsrust in legerplaats en kantonnement niet wordt verstoord. Zij heeft die zorg, omdat de Overheid de dienaresse Gods is en God in Zijn gebod eischt, dat de Zondag worde geheiligd.
En eindelijk is onder de geestelijke verzorging eveneens te begrijpen een zoodanige regeling der verloven, dat de gemobiliseerde, die bezwaar heeft tegen het reizen op Zondag, daartoe niet verplicht is. Op dit punt toonde de Minister van Defensie bij de openbare behandeling van de Defensiebegrooting van goeden wille te zijn, door een aanwijzing te geven, dat zij die tegen het Zondags reizen bezwaar hebben, Zaterdagsavonds met verlof moeten gaan, om dan op Maandag terug te komen.
Een behoorlijke geestelijke verzorging der gemobiliseerden kan niet anders dan voor den goeden geest bij de weermacht bevorderlijk zijn.

REIZEN DOOR MILITAIREN OP ZONDAG.
In De Saambinder, het correspondentieblad der Gereformeerde Gemeenten, schrijft ds. Kersten in het nummer van Donderdag 14 December over het onderwerp, hierboven genoemd, o.m. het volgende :
„Wat nu onze militairen betreft, dezen komen dikwijls in het gedrang. Velen toch wordt verlof gegeven zoo, dat zij des Zondags moeten terugkeeren tot hun regimenten. Ik herhaal wat ik reeds meermalen heb gezegd, dat zij dit verlof moeten weigeren, als alle pogingen hebben gefaald om het te verzetten. Daartoe zou ik den raad willen gewen, om steun voor hun vriendelijk verzoek te vragen bij den veldprediker. Hij kan als hij wil, zeer veel doen, en hoewel helaas ! niet alle veldpredikers van de noodzakelijkheid eener nauwgezette Zondagsheiliging overtuigd zijn, zullen zij toch in vele gevallen de manschappen van dienst willen zijn, bij wien het ernst is. De veldpredikers hebben immers bij herhaling sterk naar voren gebracht, dat zij alle Protestantsche jongens, zonder onderscheid, te dienen hebben ? Welnu, dan is ook hier een taak voor hen. Maar mocht trots dit alles het verzoek worden afgewezen, dan hebben onze militairen, hoe hard het ook vallen moge, mede te deelen, dat zij des Zondags niet reizen en Zaterdagavond dus terug zullen komen in plaats van Zondag. Ik weet, hoe hard dit valt, vooral als er op de plaats waar zij zijn gelegerd, geen kerk voor hen is, ja, alles Roomsch is. Maar Gods gebod gaat boven alles. Onzerzijds willen wij gaarne doen, wat in ons vermogen is om verbetering in den toestand te brengen".
In hoeverre ds. Kersten, hetzij als Kamerlid of als reserve-veldprediker, hier kans zou maken om te slagen, kunnen wij in het midden laten, omdat de verbetering in den toestand er reeds is.
Na een uitvoerige bespreking der zaak bij het Defensiedebat, waarbij de Minister van Defensie en ook de Kamer groote moeilijkheden zagen in het tot stand brengen van een bevredigende regeling, zeide het Kamerlid, de heer Duymaer van Twist, ten slotte nog :
„De Minister heeft daareven de toezegging gedaan, dat hij bereid is om den gemobiliseerden, die bezwaar maken op Zondag te reizen, toe te staan om hun periodiek verlof te nemen in de week. Er is echter nog een andere uitweg. Aangezien de gemobiliseerden twee dagen in de twee weken verlof hebben, kan men die gemobiliseerden ook zoo af en toe van Zaterdag tot Maandag met verlof laten gaan".
Daarop antwoordde de Minister :
„Wat het verlof op Zondag, waartegen bezwaar was gemaakt, betreft, de heer Duymaer van Twist heeft bereids al een oplossing aan de hand gedaan : als men n.l. de bezwaren, welke bestaan tegen het op Zondagavond terugkeeren, wil coupeeren, moet men Zaterdagavond met verlof gaan en kan men Maandag terug komen. Ik dank den geachten afgevaardigde zeer, dat hij mij deze oplossing aan de hand heeft gedaan".
Men ziet, dat de Minister nog verder gaat, dan het Kamerlid, wat nog eens duidelijk werd uitgesproken, toen de Minister iets verder in zijn rede zeide :
„Over het terugkomen van verlof op Zondagavond heb ik reeds gesproken, ik heb toegezegd, laat de manschappen, die bezwaar hebben tegen het reizen op Zondag, een dusdanige indeeling van het verlof kunnen krijgen, dat de Zondag als reisdag daar niet in valt. Zooais de geachte afgevaardigde de heer Duymaer van Twist heeft opgemerkt, zouden zij Zaterdagavond met verlof kunnen gaan en Maandagavond terugkeeren".
Ds. Kersten en met hem de militairen, die bezwaren maken om op Zondag te reizen, kunnen over de toezegging van den Minister en de regering, die getroffen zal worden, tevreden zijn. Wij zijn het althans in ruime mate.
Ten einde zich zoo noodig op de toezegging van den Minister te kunnen beroepen, deelen wij ten overvloede nog mede, dat hel antwoord van den Minister te vinden is in de Handelingen van de Tweede Kamer, zitting 1939—1940, bladz. 793.
Ds. Kersten, die zijn alleszins gerechtvaardigde klacht op 12 December deed hooren, kreeg reeds op 14 December het antwoord. Alzoo een prompte bediening.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's