KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (29)
Door genadeverbond en doop tot zekerheid van persoonlijke verkiezing.
Hierover spreekt Wormser dan nog verder in het 15de hoofdstuk.
„Wij danken en loven U", zegt de gemeente in de dankzegging (en zij mag tot God niet naderen met zinsbehoudingen) „dat Gij ons en onzen kinderen door het bloed van Uw lieven Zoon Jezus Christus al onze zonden vergeven, en ons door Uwen Heiligen Geest tot lidmaten van Uw eeniggeboren Zoon, en alzoo tot Uw kinderen aangenomen hebt, en ons dat met den Heiligen Doop bezegelt en bekrachtigt".
Men kan dus waarlijk niet zeggen - aldus Wormser — dat de Gereformeerde Kerk enghartig of bekrompen is, of dat zij den toegang tot God verspert ; vooral niet, wanneer men hier in het oog houdt, dat zij aan den doop der Roomschen, der Remonstranten en van alle andere Christelijke gezindheden, dezelfde waarde hecht als aan haar eigen doop.
En nochtans was het in de dagen der Vaderen, evenzeer als thans, openbaar, dat geheele scharen van alzoo gedoopten niet den weg ten leven, maar dien des verderfs bewandelen ; — en nochtans is de leer der praedestinatie, der wedergeboorte en der volharding der heiligen, nooit zorgvuldiger gehandhaafd dan juist door deze zoo ruim sprekende Vaderen.
Wormser wil in dit verband dan nog even praten over de z.g.n. „bekrompen richting" in de Gereformeerde gezindheid in verband met de praedestinatie of uitverkiezing en het genadeverbond.
Wormser ziet hóóg op tegen die z.g.n. „bekrompen richting". Want hij zegt : Met al haar gebreken maakt zij van de Gereformeerde gezindheid en van de Christennatie een kostbare kern uit, die maar al te zeer miskend wordt. Zij bestaat voor verreweg het grootste gedeelte uit ware godvruchtige menschen, en was met anderen de getrouwe, standvastige en zichzelve opofferende bewaarster der goddelijke waarheid, gedurende de tijden Van diepe en algemeene afwijking, die over ons land zijn heengegaan.
Evenwel is ook bij haar, ofschoon op een andere wijze dan bij de vrijzinnigen, het geesteloos karakter dier tijden van invloed geweest. Terwijl de vrijzinnigen het bovennatuurlijke in den godsdienst op alle manieren bestreden, en zich vooral bij het menschelijke bepaalde, werd de Gereformeerde gezindheid door den aard van den strijd zelven tot een uitsluitende verdediging van dat bovennatuurlijke en goddelijke in de Openbaring gebracht, en geraakte zij meer en meer, met haar beschouwingen van de waarheid, buiten het bereik van den tijd en uitsluitend in de eeuwigheid liggend ; met andere woorden, zij dachten alleen aan de praedestinatie of verkiezing en spraken niet meer van het genadeverbond. En waarheden, die alleen in de eeuwigheid liggen en buiten aanraking met den tijd en met den mensch blijven, hebben voor ons geen nut. Alleen dan, wanneer Gods waarheden treden in den tijd en in ons menschelijk zijn op deze aarde, worden zij voor ons levend.
Dit is vooral omtrent de leer van de praedestinatie openbaar. De leer der praedestinatie is ons uitdrukkelijk in Gods Woord geopenbaard. Maar God plaatst ons niet tegenover een abstracte praedestinatieleer, om ons, kinderen des stofs en des tijds, nutteloos te vermoeien door pogingen om óp te klimmen in Gods eeuwigheid en daar curieuselijk, nieuwsgierig, te gaan onderzoeken of wij persoonlijk al dan niet ter zaligheid gepraedestineerd zijn.
Integendeel : God heeft Zijn eeuwige praedestinatie, die tot Zijn majesteitsrecht behoort, en een uitvloeisel is van Zijn eeuwige Souvereiniteit, opdat wij daaraan op een voor óns geschikte manier vat zouden hebben, doen intreden in den tijd en in Zijn huishouding op deze wereld, door ons Zijn genadeverbond te schenken, opdat wij ons daaraan zouden vasthouden.
Het genadeverbond is de eenige voor ons menschen geschikte vorm, in welken de praedestinatie-leer tot ons komt, en door welken wij van onze personeele verkiezing ter zaligheid kennis ontvangen.
En wat openbaart zich nu daarentegen bij de bekrompen richting? Een eenzijdige waardeering van de abstracte praedestinatie-leer en een bijna volkomen miskenning van het genadeverbond. Er is wel voortdurende bespiegeling omtrent Gods eeuwig raadsbesluit, en bijna algeheele onkunde omtrent het verbond der genade ; verplaatsing van zichzelven in de onbegonnen eeuwigheid, terwijl wij toch tot den tijd behooren en niet geroepen zijn ons curieuselijk bezig te houden met de verborgene dingen — die voor den Heere onzen God zijn — maar acht te geven op den goeden en geopenbaarden wil Gods in den weg van Zijn verbond.
Het gevolg van een en ander is, dat die „bekrompen richting" eigenlijk aan niet één waarheid behoorlijk recht laat wedervaren ; zelfs niet aan die, welke zij het meest op den voorgrond stelt. Noch haar opvattingen omtrent 's menschen verderf en onmacht, noch die omtrent de verlossende kracht van Christus' dood en opstanding, noch die omtrent de wederbarende genade des Heiligen Geestes, noch die omtrent de volharding der heiligen en de personeele verzekering omtrent den genadestaat, hebben genoegzame diepte.
Maar vooral wordt bij de „bekrompen richting" door haar verwaarloozen van het genadeverbond, de aard van het geloof, de leiding Gods met het menschdom, en de kracht en het karakter der genademiddelen onkenbaar.
(Wordt voortgezet.)
DE STRIJD OM DEN BIJBEL OP DE SCHOOL (7)
„Het geven van onderwijs is vrij". Dat was een bepaling van het Rapport-Thorbecke in 1848 aan den Koning.
Groen verheugde zich, dat thans wettelijk werd vastgesteld, wat men tevoren zoo hardnekkig ontkende. Wanneer de conservatief Graaf Schimmelpenninck als minister-president zijn ontslag neemt, wijl die vrijheid van onderwijs lijnrecht tegen zijn beginselen indruischt en in een Rapport aan den Koning het bestaande schoolwezen hoogelijk verheft als ,, een stelsel, dat sedert een reeks van jaren de beste vruchten heeft gedragen, dat de bewondering en navolging onzer naburen is waardig „gekeurd" — dan geeft Groen aan alle vrienden van het Christelijk Onderwijs een kostbaar kleinood in zijn Open brief aan Graaf Schimmelpenninck ('s Gravenhage, 1848). In vurige taal toont hij aan het verderfelijke der revolutionaire theorie, die aan den Staat het recht geeft geheel naar eigen goedvinden en inzicht de volksopvoeding Ie regelen.
Aan den eisch om vrijheid voor scholen, waar men met de kinderen den Naam van Jezus Christus kan aanroepen als Zaligmaker, zet hij kracht bij door die aandoenlijke bladzijden, waarin hij Graaf Schimmelpenninck vraagt : „is het U bekend, dat er eene landverhuizing is ontstaan, welke Nederland bij voortduring berooft van achtingswaardige ingezetenen ; mannen van wie men geene manifestatiën en démonstratiën zou te duchten gehad hebben ; die geen schrijvers noch lezers waren van oproerige geschriften ; waarmee men geene Grondwetsherziening en Staatsomkeering afdwong, die niet gewoon waren, ook niet in de binnenkamer, de Overheid te vloeken ; maar die gebeden voor haar opzonden, ook wanneer zij het slachtoffer waren van haar verongelijking ; die, nauwgezet in de plichtsbetrachting jegens den Staat, alleen datgene verlangden, met bescheidenheid en ernst, met eenvoudigheid en volharding, wat, ter nauwgezette plichtsbetrachting jegens den hoogsten Wetgever en Weldoener, niet kon worden ontbeerd, en die bij het gemis daarvan, ten laatste, sommigen althans met een brekend hart, verre gewesten zijn gaan opzoeken om te kunnen verrichten wat Christenen betaamt en om, door hunne tegenwoordigheid, ook zwijgend, te bewijzen, dat Schoolonderricht in de leering en vermaning des Heeren in Nederland onder de wanbedrijven geteld wordt".
Groen denkt hier natuurlijk aan die vele „stillen in den lande", die na 1834 uit Nederland naar Amerika zijn verhuisd, omdat zij hier de vrijheid misten om hun kinderen te doen opvoeden en onderwijzen op Scholen met den Bijbel, gelijk men ook op kerkelijk terrein tyranniseerde uit haat tegen „de fijnen". Alsof ze „valsche munsters", dieven en bandieten waren, moesten ze zich inschepen om de wijde Oceaan over te trekken, als vluchtende uit ons Vaderland, om naar Amerika te gaan, waar vrijheid was om God te dienen en voor Hem te leven, naar uitwijzen van Zijn Woord.
En dat waren veelszins de beste burgers, de stillen in den lande, die veelszins bidders waren voor Vorst en Vaderland, voor Kerk en Volk.
Maar we zagen het, nu stond althans in het Ontwerp der Staatscommissie : „Het geven van onderwijs is vrij". Grondwettelijk was dus nu de vrijheid van onderwijs geconstateerd ! Doch — de vreugde van Groen was van slechts korten duur. Want in en buiten de Kamer- stak tegen de vrijheid van onderwijs een heftige storm op. Men duchtte sterke concurrentie van het bijzonder onderwijs met het openbaar en men vreesde groote onheilen voor land en volk. Twee schoolopzieners van stand en naam, de professoren Hofstede de Groot en Van Swinderen, dienden een ernstig protest in. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen ageerde sterk. De Groot-Protestantsche partij roerde zich duchtig en vooral, met 't schrikbeeld van Rome werkte men. Tal van Protestantsche Christenen werden voor „paapsche stoutigheden" beducht. En zelfs de Synodale Commissie der Nederl. Hervormde Kerk betreurde het in een Adres aan den Koning, dat de vrijheid van onderwijs , de schoonste parel aan 's Konings kroon verbrijzelen en de roem en het sieraad van Nederland en de zedelijke kracht van het zelfstandig volksbestaan der Natie vernietigen". Enkel en alleen, omdat er voor Christenouders gelegenheid zou worden gegeven, naar den eisch van Gods Woord en naar den aard van de doopbelofte, hun kinderen te doen opvoeden en onderwijzen op een School met den Bijbel ; en zij niet langer gedwongen zouden worden hun kinderen te zenden naar de openbare „secteschool van 't modernisme".
Uit vrees voor Rome vielen velen, die Groen zeer na stonden, af. En door hun toedoen werd de bepaling omtrent de vrijheid van onderwijs weer voor een groot deel van kracht beroofd door toevoeging van de bekende clausule : dat de Overheid overal moest zorgen, dat er voldoende gelegenheid voor openbaar onderwijs zou zijn.
Zóó werd „de ellendige zinsnee" geschapen, waardoor alle doeftreffende actie voor Christelijk Onderwijs zou kunnen worden lam geslagen door het Staats-monopolie aan de neutrale Staatsschool te verschaffen. De vrijheid, die men met de eene hand openlijk gaf, werd — door het misbruik, dat het liberalisme maakte van Art. 194 der Grondwet — met de andere hand, dikwijls bedektelijk en bedriegelijk, teruggenomen.
Tientallen jaren, heel Groen's leven, is onder den schijn van vrijheid in ons land op schoolgebied ondragelijke tyrannic geoefend.
Zeker, daar stond 't nu, zwart op wit : „het geven van onderwijs is vrij". Maar wat voor eene vrijheid ? Men was zoo ongeveer vogelvrij. Want men dorst zoo ongeveer alles te doen, om de voorstanders van het bijzonder onderwijs in alles te bemoeilijken. En 't was het lot van de vrienden van het bijzonder onderwijs om niet alleen de kosten van hun eigen school te dragen, maar ze moesten óok in de kosten van het openbare onderwijs ten volle mee betalen, en waren dus dubbele belastingbetalers, omdat ze voorstanders waren van Christelijk Onderwijs. Dat was hun ,, straf", die van Staatswege op deze vreedzame burgers werd toegepast.
Groen vergeleek die z.g.n. vrijheid met de vrijheid van een, op wiens nek de onderdrukker den voet gezet heeft en die dan nog gedwongen wordt met zijn tyran mee te roepen : Leve de vrijheid !
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's