DE SCHOOLSTRIJD UIT?
Telkens wil men van de linkerzijde het voorstellen, alsof de schoolstrijd nu uit is, en dat de beslissing ten gunste van „de christelijken" gevallen is. Er is nu vrijheid van onderwijs en gelijkstelling in rechten en in financiën van het bijzonder — met het openbaar onderwijs. En daarom — dat is de toepassing gewoonlijk — kan de coalitie tusschen Roomschen en geloovige Protestanten in den politieken strijd nu ook vervallen. „Nu de schoolstrijd gestreden is, kan de coalitie opgeruimd worden".
De Roomschen zijn intusschen ingepalmd door anderen, vanwege hun wonderlijke sociaal-economische en financieele beginselen en practijken.
Maar — de palstaanders en frontmakers voor de Openbare School, die de gezonde doorwerking der pacificatie niet kunnen verkroppen, groeien dagelijks in aantal. Politieke partijen en moderne vakvereenigingen verklaren zich niet voor een vrije school, maar proclameeren de openbare school, koud-neutraal of humanistisch met een christelijk tintje, opnieuw als geschikt en gewenscht voor alle volksgroepen.
„De Rotterdammer" herinnerde onlangs nog weer eens aan 't geen in „Het liberale Weekblad" te lezen stond. Het luidde aldus : „Ook is er een belangrijke tegenstelling tusschen de christelijken en de liberalen wat de openbare school betreft, en de strijd voor de openbare school zullen wij nimmer opgeven. Zij behoort tot de zaken, waarvoor wij vechten tot het uiterste".
En „Het Schoolblad", ééns geestes zijnde, reageert daar aanstonds op en schrijft : „Een blij geluid, dat ons ook van andere zijde tegenklinkt ! Meer en meer blijkt men weer behoefte te gevoelen aan het bewust beleven van de waarheden, die het fundament vormen, waarop de openbare school gebouwd is. Deze tijd roept om éénheid en saamhoorigheid boven alle verschillen. Hij is vol van het verlangen, elkander te vinden en te begrijpen, te zoeken naar hetgeen vereenigt en samenbindt".
Dus — de éénheidsschool, met een beginsel, dat boven alle geloofsverschil uitgaat, door Groen genoemd „de afgod van het menschelijk verstand, die tegelijk den éénen waren God van Zijn troon stoot en Gods Woord ontheiligt".
Nog altijd, dus dat hunkeren naar wat geweest is en — niet weer terugkeeren zal — de secteschool van het modernisme voor héél de natie ; de vrijzinnige volksschool voor alle gezindheid !
Met misbruikmaking van de bekende radiorede van H, M. de Koningin bazelt het orgaan van „Volksonderwijs" een en ander over dat hechte fundament van de openbare school als volksschool.
Van dat hechte fundament wordt dan gezegd :
„Dit is de verdraagzaamheid der openbare school : hier wordt beleefd, dat de waarde van een mensch voor de gemeenschap niet afhankelijk is van het geloof, dat hij belijdt, noch ook van het ras waartoe hij behoort, noch ook van de stand waartoe hij zich zelf rekent, maar alleen van de kracht van zijn naastenliefde, van zijn oprechtheid, van zijn trouw, zijn rechtvaardigheid, — van zijn deugd.
Dat de enkeling zich in zijn handel en wandel laat leiden door een sterke zedelijke overtuiging, is voor de gemeenschap van hooger waarde, dan de wijze waarop die enkeling zijn godsdienstige gevoelens in stellige en scherpomlijnende woorden uitdrukt."
Welk een armzalig figuur — zoo schrijft , , De Rotterdammer" maakt de bijzondere school der bekrompenheid tegenover dit onderwijs van breede allure ! Het genoemde orgaan weet dat in een paar regels te teekenen, en schrijft : ,, op 'n jubileum-vergadering van het Protestantsch-Christelijk onderwijs onderstreept de voorzitter nog eens : „dat het hoofddoel van het Christelijk onderwijs is : de kinderen reeds op de school de wil Gods voor het geheele levensterrein te leeren kennen." En voegt er dan — verdraagzaam ? — bij : „dit is m.a.w. opkweeken van antirevolutionaire kiezers."
Het laatste is natuurlijk een zeer vrijmoedige en zeer vrije exegese van het eerste. In één zinnetje wordt ons hier echter geteekend de groote antithese, de scherpe scheidslijn tusschen al wat vrijzinnig en al wat orthodox is in de ware beteekenis des woords : Gods Woord slechts ornament voor onze levensbeschouwing, dan wel grondslag en richtingwijzer voor onze overtuiging.
„Het Schoolblad" wil van de autoriteit van Gods Woord en Wet voor leer en leven niet weten en zegt : dat ieders eerlijke overtuiging even goed is.
En dat kan een christen nooit aanvaarden.
Die ouders dan ook, die hun kinderen uit overtuiging hebben laten doopen, willen geen onverschillig-neutraal beginsel bij opvoeding en onderwijs, maar zij kiezen voor een School met den Bijbel, zooals de opvoeding in het gezin moet zijn, met gebed en lezen van Gods Woord, zóó moet ook de opvoeding en het onderwijs in de School zijn.
En daarvoor willen we blijven strijden, zoolang men het beginsel van vrijheid van onderwijs bestrijdt.
STAAT EN KERK BIJ LUTHER
Bij den hervormer Luther heeft de practijk van het kerkelijk leven grooten invloed gehad op zijn ideeën inzake de roeping der Kerk en de taak van de Overheid. Hij was van oordeel, dat voor een Evangelische Kerk in de eerste plaats noodig was de verkondiging van Gods Woord en de bediening der Sacramenten. Maar — daarnaast zijn er uitwendige ordeningen, die voor het bestaan der gemeente onontbeerlijk zijn. Immers heeft God bevolen, dat zij, die het Evangelie verkondigen, óók van het Evangelie zullen leven (1 Cor. 9 : 14). En daarom moet b.v. al dadelijk de vraag gesteld worden : hoe moet men de middelen vinden, om den prediker te onderhouden en wie moeten daarvoor zorg dragen ? Gelijk er nog zoovele uitgaven méér noodig zijn, tot onderhoud der gebouwen, het onderwijs , der jeugd, de armverzorging, enz.
Luther heeft aan deze dingen z'n volle aandacht geschonken, wat we b.v. weten uit een voorrede, die de hervormer schreef voor de „regeling van een algemeene kas" voor de gemeente Leisnig.
In die gemeente had men voor de verschillende kerkelijke doeleinden een centrale kas gesticht. In die kas moest al het geld vloeien, dat tot hiertoe den kerken, stichtingen, kloosters en broederschappen toebehoord had of ten goede was gekomen. Deze centrale kas werd beheerd door een commissie van tien personen, die aan de gemeente rekenplichtig was. Driemaal 's jaars vergaderde de gemeente om over de belangen der gemeente te beraadslagen en te besluiten.
Deze regeling beval Luther aan. Zij kwam overeen met zijn gevoelen omtrent het algemeen priesterschap der geloovigen ; en de regeling, die te Leisnig gold, hoopte Luther, zou ook in andere gemeenten nagevolgd worden.
Maar het kwam anders uit. Niet alleen dat de regeling te Leisnig wegviel, maar kort daarna brak de „boerenoorlog" uit en Luther gaf het ideaal, dat hij zich van de christelijke gemeenten gevormd had, prijs, om zich inzake Kerkleiding en Kerkordening terug te trekken op „de plompe wijsheid van den politieknuppel". Luther zei : ,, de ezel wil slaag hebben, en het gepeupel wil met dwang geregeerd worden".
Uit den toon, waarmede Luther daarna het ideaal eener christelijke gemeente schetst, bemerkt men, hoezeer het den reformator aan het hart gaat, dat hij het prijs moet geven. Tot de Kerk rekent hij niet de groote massa, die in het geheel niet weet, al is zij gedoopt, waarom het in de christenheid gaat, maar zij, die met ernst christenen zijn en dat met hart en mond belijden. Dezen moeten, gelijk het in de Handelingen der Apostelen van de eerste Christenen beschreven staat, in een huis vergaderen om te bidden, te lezen, te doopen, het Avondmaal te vieren en christelijke werken te doen. Hierbij was het volstrekt niet de bedoeling van Luther, dat er een Kerk zou zijn, die in een hoek wegschooL; want dit zou een bron van „sectarisme" zijn, met de neiging, zich van de Kerk af te scheiden. Wat Luther bedoelde was veel meer dit : zij, die met ernst christenen wilden zijn, moesten veel meer de kern van de geheele gemeente worden, en op hare vorming werken als een zuurdeeg, dat het geheele deeg doortrekt.
In een geschrift uit het jaar 1526, „Deutsche Messe", spreekt Luther van de kenmerken, die de ware Kerk hebben moet en noemt, daarbij in de eerste plaats : de kerkelijke tucht, die volgens Matth. 18 moet geoefend worden, om daarna te handelen over den christelijken arbeid der liefde, de godsdienstoefeningen en het godsdienstonderwijs.
Als hij zoo het ideaal van de christelijke gemeente voor oogen gesteld heeft, zegt Luther : „Wanneer men de menschen nu maar had, die met ernst begeerden christen te zijn". „Maar" — zoo vervolgt hij — „ik heb er geen personen en menschen voor, en ik zie er ook niet veel, die daarnaar streven".
Dan ziet Luther zich genoodzaakt zijn Keurvorst uit te noodigen, om in te grijpen. De boeren wilden geen tienden meer aan de Overheid betalen, zij eischten dat geld op, om het voor de predikanten en de Kerk en de armen te besteden en de rest zelf te houden — maar zij hielden spoedig alles voor zichzelven. Als de Keurvorst zich niet liet gelden, zouden er — zoo zegt Luther — binnenkort geen pastorieën, geen scholen, geen leerlingen meer zijn en aldus Gods Woord en Zijn dienst te gronde gericht wezen.
Luther vond het niet meer raadzaam, aan de gemeenten de beslissing te geven onder welke Kerkorde zij wilden leven. En zoo kwam het, dat in Duitschland de vorsten van het land — die gerekend werden de voornaamste lidmaten der Kerk te zijn — de macht over de Evangelische landskerken kregen. Dit heeft vier eeuwen geduurd, en het werkt nóg na in Duitschland, ook al zijn er geen „regeerende vorsten" meer. De macht van den Staat over de Kerk in Duitschland is grooter dan b.v. bij ons ; en de Kerkstrijd van heden bij onze Oostelijke naburen is voor een groot deel vruchtgevolg van de verkeerde verhouding van de Overheid tot de Kerk. Er is in Duitschland een Staatsmacht in de Kerk, en het Kerkbestuur wordt geschraagd door de politie („de politie-knuppel").
Bij velen ontwaakt gelukkig het besef : in de Kerk geen andere heerschappij, dan die van haar verheerlijkt hoofd, Christus.
RESERVE-VELDPREDIKERS
Wij geven gaarne het volgende bericht door
Vele predikanten hebben zich aangemeld voor een benoeming tot reserve-veldprediker. De Algemeene Synod. Commissie heeft een voordracht bij den minister van defensie ingediend. De aanmelding van predikanten staat bij den Secretaris van de Algemeene Synode alsnog open.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's