De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

23 minuten leestijd

KERSTFEESTVIERING IN HET PALEIS.
Wij hebben natuurlijk allen den Isten Kerstdag 's middags om 4 uur aan de radio zitten luisteren naar de uitzending uit het Koninklijk Paleis in den Haag, waar de Vorstelijke familie het Kerstfeest vierde, bij den Kerstboom.
Hoe we dat laatste weten ? Omdat we duidelijk hoorden dat het kleine kwieke Prinsesje Beatrix, bewegelijk als zij is, meer dan eens enthousiast en heel duidelijk dat woord: „Kerstboom" uitsprak.
Deze Kerstuitzending was in de eerste plaats bedoeld voor de gemobiliseerden. En dat is door heel Nederland op hooge prijs gesteld !
De Kerstfeestviering was treffend in haar eenvoudigheid en hartelijkheid en zij zal de tallooze luisteraars in den lande hebben ontroerd.
Prins Bernard zelf las uit de Heilige Schrift de Kerstgeschiedenis voor uit het Evangelie van Lucas (2 vers 1—20). In uitstekend Nederlandsch en met voortreffelijke voordracht heeft de Prins dit bekende gedeelte van Gods Woord ten aanhoore van heel Nederland voorgelezen. Daarna heeft ('t stemmetje van het Prinsesje was telkens te hooren, ook het kleine wiegekindje Irene liet zich niet onbetuigd, wat volstrekt niet hinderde, integendeel, het verhoogde de aandacht van allen en vond blijde weerklank bij jong en oud !) Prinses Juliana met haar klankrijke stem, klaar en duidelijk, een korte, eenvoudige Kersttoespraak gehouden, waarbij zij allereerst en allermeest dacht aan allen, die in deze moeilijke dagen zoo vol zorgen kunnen zitten. Het Licht van Bethlehem kan de duisternis opklaren en kracht en vrede brengen in huis en hart !
Met het zingen van twee verzen van het Kerstlied : „Stille nacht, Heilige nacht", werd deze indrukwekkende Kerstviering in het Paleis besloten.
Wij denken, dat velen 's avonds nóg wel een keer geluisterd hebben, toen herhaling van de uitzending plaats vond. Ook om het stemmetje van het kleine prinsesje nog even te hooren.
We mogen den Heere wel danken, dat we ons Koningshuis nog hebben, en dat in het Koninklijk Paleis dit heeft plaats gehad, in deze dagen zoo vol ellende en verschrikking.
Onverdiende voorrechten !
Het drievoudig snoer : God, Nederland en Oranje, worde bevestigd en bewaard tot in lengte van jaren !

ZINGT ZING EEN NIEUW GEZANG DEN HEERE.
Het Kerstevangelie maakt „blijde zangers". Neen, niet elk lied, ook niet elk Kerstlied is ons welkom. Er zijn zangers, die we niet kunnen uitstaan ; als de radio de stem doet hooren, draaien wij kort en goed het knopje om. Maar dat neemt niet weg, dat het Kerstevangelie „blijde zangers" maakt, en „een nieuw gezang" doet zingen, den Heere.
Dat is geheel overeenkomstig de Schrift. De dichter van Psalm 87 heeft het reeds geprofeteerd : „Dan wordt Mijn naam met lofgejuich geprezen ; dan zullen daar de blijde zangers staan, de speelliên op de harp en cimbel slaan". (Psalm 87 vers 5).
Lucas 1 en 2 staat dan ook vol nieuwe, vroolijke gezangen. Zóó was het te voren nog niet gehoord. Maar nu komt het. Nu moet het komen. Omdat het Nieuwe Verbond zooveel heerlijker, voller, zaliger is dan het eerste. De Engelen zingen. Dat was nog nooit te voren gehoord. Ja, bij den aanvang van de ongerepte schepping. Maar daarna niet meer. Doch nu zingen ze, ook juichen ze. Ze zingen een nieuw lied.
Maar Maria en Zacharias, van God geleerd en verblijd, zijn de troongeesten al voor geweest. Zoodra de tijding van de geboorte van den Zaligmaker in hun ziele weerklinkt, stemt hun mond en hart tot een nieuw lied. Want „blijde zangers" moeten nu den Heere prijzen met lofgejuich. En straks volgen de grijze Simeon en de profetes Anna stemt mee in. Allen zingen. „Zingt, zingt een nieuw gezang den HEERE ; Zing, aarde, zing dien God ter eere ; looft 's HEEREN Naam met hart en mond" (Ps. 96). Of zooals Ps. 98 herhaalt (want 't is een herhaling waard !): „Zingt, zingt een nieuw gezang den HEERE, dien grooten God, die wond'ren deed" ; „Doe bij uw harp de psalmen hooren ; uw juichstem geev' den HEERE dank ; laat klinken door uw tempelkoren, trompetten en bazuingeklank : dat 's HEEREN huis van vreugde druische, voor Isrels grooten Opperheer". (Ps. 98 vers 1, 3).
Lucas 1 en 2 staan vol nieuwe gezangen. Het is één groot boek vol liederen des heils, waarvan Jezus Christus het middelpunt is.
Wij weten, dat de Ouden „de offerdieren bonden met touwen". Dat doen wij niet meer. De Engelen hebben ons vóór gezongen : „Heden is u geboren de Zaligmaker", en zij hebben gezegd : „dit is u groote blijdschap" ; ze hebben gejubeld : „Eere zij God in de hoogste hemelen". En de aarde heeft dat lied, dat nieuwe lied opgevangen, de herders hebben er naar geluisterd en ze hebben het geloofd. Maria heeft het uitgejubeld, en Zacharias en Simeon. Wat door der profeten wijzen mond aan de vaderen was beloofd, dat heeft de Heere ons nu willen schenken. „Een licht, zóó groot, zóó schoon, gedaald van 's hemels troon, straalt volk bij volk in d' oogen ; terwijl 't het blind gezicht van 't heidendom verlicht, en Isrel zal verhoogen".
Het nieuwe, het volle, het heerlijke, het zalige, in Christus geopenbaard, vraagt om een nieuw lied en blijde zangers. En ze zijn door God geroepen, door God geleerd, door God geleid en bekwaamd en ze hebben gezongen : Maria, Zacharias, Simeon — een heel gezangenboek vinden we in Lucas 1 en 1 — en de geloovigen door alle eeuwen heen hebben nagezongen en meegezongen, op het Kerstfeest van de geboorte van den Heiland, op het Paaschfeest van Zijn opstanding, op den Hemelvaartsdag van Zijn verhoogd worden aan des Vaders rechterhand, op 't Pinksterfeest van de uitstorting van den Heiligen Geest — gelijk men gezongen heeft van Zijn wederkomst straks als Koning der Koningen, als Rechter op de wolken, om te oordeelen de levenden en de dooden.
Dan zullen daar „de blijde zangers" staan. Zooals ze staan in den hemel om te zingen, al de gezaligden : „het gezang van Mozes, den dienstknecht Gods en het gezang des Lams" (Openb. 15 vers 3a). De „blijde zangers". Zoo staan ze ook op aarde, de geloovigen, om te zingen een nieuw lied : „Lof zij den God van Israël, den Heer, die aan Zijn erf volk dacht, en, door Zijn liefderijk bestel, verlossing heeft te weeg gebracht".
Ja — wij hebben toch méér dan de Vaderen.
Zij hadden vervulling.  — wij hebben de de belofte
Eere zij God in de hoogste hemelen !

DE THEOLOGIE VAN KARL BARTH
De 12de of laatste aflevering van het Geref. Theol. tijdschrift (uitgave : De Graafschap, Aalten) wordt zoo goed als heelemaal in beslag genomen met een allermerkwaardigst studie-artikel over „De Theologie van Karl Barth" door prof. D. H. Kromminga uit Amerika (Grand Rapids), overgenomen uit The Calvin Forum (in door den auteur zelf gegeven vertaling). Wij kunnen er niet aan denken om hier een kort overzicht te geven van dit oriënteerend stuk, dat de hand van een bekwaam theoloog verraadt. We willen er alleen op wijzen, opdat men het zelf leze.
Laten we er iets van afschrijven, van het slot, in verkorten vorm.
Het behoeft niet gezegd te worden, dat de leer van de souvereiniteit Gods niet het één en het al is van het Calvinisme". Deze leer vindt haar volste en meest ondubbelzinnige erkenning in de Gereformeerde leer der uitverkiezing én der verwerping. Waar ook Barth de souvereiniteit Gods op den voorgrond stelt (maar anders dan het Calvinisme) daar is het geen verrassing, dat hij ook een leer der verkiezing en der verwerping heeft. Maar ze is op verre na niet de leer, die Calvijn voorstond. Barth heeft ze geformuleerd in zijn Römerbrief. (Uitgaaf 1926, blz. 332 enz.) Wie nu de Barthsche leer van het Woord Gods tegen den achtergrond van de Barthsche leer der praedestinatie beziet, voor dien opent zich een hoogst vreemd perspectief. Wel is zijn leer van het Woord Gods op het nauwst versmolten met de een of andere, opvatting van de uitverkiezing, maar de vraag is, of hij dan nog dezelfde opvatting van haar huldigt, die hij in den Römerbrief (1926) heeft ontwikkeld. Barth is van zienswijze veranderd en past nu de onderscheiding tusschen schapen en bokken, tusschen eeuwige zaligheid en eeuwige verdoemenis toe op verschillende individuen.
Het is dus alleen met zekere reserves, dat we Barth's Lehre vom Wort Gottes mogen plaatsen in het licht van de opvatting der voorverordineering, die hij indertijd in zijn Römerbrief heeft voorgestaan. Desniettegenstaande is het de moeite waard, te trachten een voorstelling te krijgen van de dwaling, waaraan Barth misschien is ontkomen door zijn revisie van zijn verklaring van de Paulinische leer der dubbele praedestinatie. Tot onze verbazing is Paulus' leer der uitverkiezing in Barth's interpretatie veranderd in een leer van universeele verlossing ! De distinctie tusschen Ezau en Jacob is geen distinctie tusschen verschillende personen, maar past op één en den zelfden persoon. („Het scheidt niet tusschen dezen en dien mensch, maar is hun diepste gemeenschap. Tegenover dit mysterie staan zij allen op één lijn. Tegenover dit mysterie is Jacob in elk oogenblik des tijds ook Ezau, en Ezau is in het eeuwig moment der revelatie Jacob", Römerbrief blz. 332). Zoodanige tweeheid beteekent in God eeuwige overwinning van het oordeel door de genade. En dan beteekent het niets anders, dan juist dit, dat ten slotte alle menschen zalig worden.
„Het is ontegenzeggelijk een buitengewoon kunststuk van exegetische alchemie, uit Paulus' leer der verkiezing en verwerping, een leer van algemeene verlossing te maken". Alles komt te staan in het licht van het universalisme. En zijn leer past daarin uitnemend. Alles vloeit op de schoonste wijze in zijn Lehre vom Wort Gottes met dat universalisme samen tot één geheel. Er bestaat eigenlijk geen behoefte aan specifiek christelijke actie. En van het doen van het individueele kind van God valt hetzelfde te zeggen. Het geldt ook van de visie, die de geloovige behoort te hebben op zijn medemensch. En zoo staat het zelfs met de activiteit van den onwedergeborene : zijn religie is de culminatie van zijn zonde en zijn tegenspraak tegen God, maar opgenomen in de openbaring wordt ze ineens de waarachtige dienst van God.
Zóó staat het óok met de algemeene openbaring en de natuurlijke theologie. We moeten niets van deze hebben, tenzij ze opgenomen zijn in de bijzondere openbaring in Jezus Christus. De Bijbel is inderdaad het onfeilbaar Woord van God, indien hij dienst doet in het proces waardoor de openbaring ons bereikt, maar buiten dat proces is de Bijbel feilbaar en foutief.
„Inderdaad, al deze trekken van Barth's leer van het Woord van God, passen uitnemend bij de praedestinatieleer, die hij in zijn Römerbrief heeft ontwikkeld; volgens die leer is ieder mensch in elk tijdsmoment Ezau, maar ook in het eeuwig moment der openbaring Jacob !
Nergens wordt ons een helder uitzicht geboden op eene eeuwige electie van individueele menschen in onderscheiding van anderen. En ze blijven overgoten met eschatologisch licht, dat toch niet geconcentreerd is in en uitstroomt van een grooten toekomstigen dag des oordeels.
„De uitverkiezingsleer beteekent bij Barth het preciese tegendeel van uitverkiezing, n.l. klinkklaar universalisme ! En in 't licht van de universeele redding en eeuwige behoudenis van geheel het menschdom en elk individu, verliest al het gepraat van Gods persoonlijkheid in Zijn openbaring. Zijn welbehagen. Zijn Heere-zijn, Zijn subjectiviteit, elk greintje van dat serieuse beslissingskarakter, waar Barth zoo ontzaglijk veel van houdt. Hoe pakkend hij ook over de „Entscheidung" moge schrijven, het redt de openbaring niet van degradatie tot het lage vlak van eene bloote opvoeding van het menschelijk geslacht. Onder den overweldigenden indruk misschien van den wereldoorlog, geeft Barth voorzeker een veel dieper gaande en veel tragischer opvoeding van ons geslacht dan Lessing (Erziehung des Menschen geslechts) en Herder en de Groningers ooit hebben gedroomd, want Barth spreekt van een opvoeding, die den zoendood van Christus insluit, maar het is en blijft toch een opvoeding van geheel het menschdom, in plaats van eene verplettering van de natuurlijke eenheid van ons geslacht op de rots van den gekruisigden Christus, die immers gezet is tot een val èn tot een opstanding. Het is het teniet doen van Gods souverein welbehagen, waarbij sommigen behouden en anderen eeuwiglijk geoordeeld worden".
We konden en wilden slechts iets aanstippen uit het uitvoerige stuk over „De Theologie van Karl Barth" door prof. D. H. Kromminga, van Grand Rapids.
Men leze 't stuk zelf ; vooral wanneer het, zooals we verwachten, afzonderlijk in brochure-vorm verschijnt.

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (30)
Door de verwaarloozing van de geopenbaarde dingen en het zich geheel verliezen in de verborgene dingen der verkiezing — waartegen het Woord ons waarschuwt, Deut. 29 vers 29 — kon men weinig of niets meer toonen aan de wereld, en wat zou men aan de wereld en zelfs aan de Kerk, gelijk zij bestaat, voorstellen om te gelooven ? 't Kwam tenslotte hierop neer : dat de menschen behouden zullen worden, indien zij uitverkoren zijn.
Maar de vraag volgt dan : hoe zal ik weten of ik uitverkoren ben ?
Niet meer werd gelet op 't genadeverbond, op de roeping, op de genademiddelen, op den eisch van bekeering — maar alleen werd gesproken over de verborgene dingen aangaande de verkiezing.
„Waartoe diende alles, als men toch niet uitverkoren was ? " hoorde men keer op keer zeggen. Alsof de straffen en de oordeelen Gods op aarde zijn, om niét bij onze zonden, maar wèl bij onze verkiezing bepaald te worden. Alsof de stem Gods niét was : bekeert u, maar wèl : tobt u af om het verborgene eerst te weten te komen !
Het was alsof er een „onvermiddelde praedestinatie" is, waarbij van geen prediking, geen roeping, geen genademiddelen en genadewerking des Geestes sprake is, maar waarbij het alles zoo maar „onmiddellijk" moet komen en gebeuren !
„De middelen der genade" — zegt Wormser — „wat zijn zij in betrekking tot een onvermiddelde praedestinatie ? Een misschien ? Een loterijbriefje in een loterij, waardoor sommige deelnemers als bij loting gelukkig worden, maar de meesten blijven wat zij waren ? Een loterijbriefje in een loterij, waarbij het mogelijk, maar niet zéker is, dat ook mij de prijs, dien ik zoo gaarne had, te beurt valt ? "
Tot dergelijke uitkomsten moet men geraken, wanneer men uit het oog verliest, dat de eeuwige praedestinatie door God bij wijze van genadeverbond in de wereld wordt ingeleid, opdat we daar zouden worden voorgesteld aan Gods werken, zoo vol genade en liefde. Maar de „bekrompen richting" verwaarloosde dat gegevene van Gods genadeverbond, en letterlijk stond er in een boekje : „De wereldling ontdekt en tot een juichend christen opgeleid" (door J. Ziegemeyer), dat men de genademiddelen moest gebruiken bij wijze van het nemen van een lot in de loterij. Men kon nooit weten, welke verrassing er volgde, alsof de dingen „luk raak" gaan.. Op die manier worden immers het genadeverbond, de aard van het geloof en de geloofsweg onkenbaar gemaakt !
Deze miskenning van het genadeverbond (zooals er ook in het Dankgebed na de bediening van. het Sacrament van den Heiligen Doop over gesproken wordt) heeft nog andere bedroevende gevolgen.
De Heere heeft ons in Zijn genadeverbond opgenomen, opdat wij door Zijne genade en in Zijn gemeenschap getroost, in het vooruitzicht der eeuwige heerlijkheid, zouden wandelen, en bij toeneming zouden leeren verstaan, dat zoowel de middelen als de uitkomst vruchten zijn van Zijn eeuwige vrije verkiezing, en alzoo zouden geraken tot volle verzekerdheid des geloofs, door het leven des geloofs zelf.
Maar de „bekrompen richting" — zegt Wormser — „neemt de onfeilbare en onwankelbare zekerheid, die God ter onzer tegemoetkoming in het genadeverbond heeft neergelegd, weg, en plaatst den ontwaakten en verontrusten zondaar vlak tegenover de abstracte praedestinatie. Dan is goede raad duur ! En aan de twijfelingen omtrent een personeel aandeel in Gods genade is geen einde. De zekerheid, die God op aarde gegeven heeft en geeft, wordt, door de eigenzinnigheid der menschen als niets geacht ; men telt het niet, men rekent er zelfs niet mee. En dan blijft er niets anders over dan ten hemel op te klimmen en onmiddellijke en buitengewone verzekeringen van boven te verlangen. Het teeken dat God geeft, telt men niet, en men vraagt om wonderbaarlijke, extra-ordinaire teekenen, om zich zelf te verzekeren, dat men genade gevonden heeft in de oogen des Heeren. Het uitvinden van een geheel stelsel van bijzondere verzekeringen, verzegelingen, openbaringen en voorkomingen, waarvan er niet één steek houdt, is daarvan het gevolg geworden ; zoodat eenvoudige zielen door moeilijke vertroosters, die om hetgeen God in den weg van Zijn verbond zegt, doet en belooft, niets geven, op een ongehoorde, ongezonde, onschriftuurlijke, eigendunkelijke wijze worden opgehouden of gemarteld. Dan gaat het om hetgeen de mènsch is en doet en heeft en ervaart, en niet om hetgeen de Heere uit louter genade "geven wil aan arme zondaren in het midden van Zijn gemeente, bij Woord en Sacrament.
Door het genadeverbond, dat God ons op aarde gegeven heeft, te mistrouwen en te verlaten, is men wel genoodzaakt te trachten ten hemel op te klimmen en in Gods verborgen raad in te dringen.
Wormser zegt : „ik weet, dat ik door het aantasten van dit stelsel van onmiddellijke en buitengewone verzekering, in de oogen van sommigen een soort van heiligschennis bega".
(Wordt voortgezet.)

DE STRIJD OM DEN BIJBEL OP DE SCHOOL (8)
De vrijheid van onderwijs was in de Grondwet opgenomen. De vrijheid van onderwijs was grondwettelijk vastgelegd. De revolutiestorm van 1848 heeft daartoe moeten medewerken. Maar de „ellendige zinsnee" van het Staatsmonopolie der Openbare School ontbrak niet. En de vrijheid van de voorstanders van het bijzonder onderwijs was niet zelden de vrijheid van een, die vogelvrij is, dat wil zeggen : alles was tegenover de vrienden van het Christelijk Onderwijs geoorloofd, óók dat men hen griefde en krenkte in hetgeen hun het dierbaarst was, om des geloofs wille.
Hoort slechts het droef, eentonig verhaal van wat na 1848 geschiedde ! Er moest na de Grondwetsherziening van 1848 natuurlijk een nieuwe Onderwijswet komen, die met het nieuw erkend beginsel van vrijheid van onderwijs rekening zou houden. Het Christelijk volksdeel van Nederland vooral wachtte met angstige spanning welke regeling de wet van 1806 zou vervangen. Het Ministerie Van Hall —Van Reenen, vrucht der Aprilbeweging, diende het eerste Ontwerp in. Gematigd als het was, stond het „facultatieve splitsing" als uitzondering toe. Want regel moest zijn : de gemengde school, voor alle gezindheden bruikbaar ! Alleen waar de plaatselijke omstandigheden het toe lieten, mochten afzonderlijke Openbare Scholen (dus van de Overheid uitgaande en door de Overheid verzorgd) voor kinderen van dezelfde gezindheid worden ingericht.
Maar, hoe gematigd ook, de groote meerderheid , der Kamer verzette zich tegen dit Ontwerp en dies werd het ingetrokken.
Dat was de eerste schipbreuk. En toen kwam 30 Dec. 1855 (men werkte langzaam) het tweede Ontwerp, dat de mogelijkheid van splitsing prijs gaf en slechts de één en onverdeelde gemengde Volksschool kende. Waarbij men deze omschrijving gaf : „het onderwijs moet dienstbaar worden gemaakt aan de bevordering van godsdienst en zedelijkheid en de onderwijzers moeten zich onthouden van iets te onderwijzen, te doen of toe te laten, kwetsend voor de godsdienstige begrippen der gezindheid of gezindheden, waartoe de schoolgaande kinderen behoorden".
Christelijk Nederland ontwaakte ! Vlugschrift op vlugschrift stelden het rampzalige dezer regeling in het licht. Predikanten en Kerkeraden zonden hun petities bij de Tweede Kamer. (Kostbaar materiaal hieromtrent biedt Groen's geschrift : „De Tweede Kamer en de verzoekschriften", Utrecht 1856).
De belijders van den Christus naar de Schriften verklaarden zich mobiel om te verhoeden, dat niet door de Openbare Volksschool Nederland zou worden geneutraliseerd en geliberaliseerd. Aan hun hoofd stond de stoere Christen-staatsman, de Evangelie-belijder in hart en nieren. Groen van Prinsterer ! Deze was het eens, met wat mevr. De Stael schreef : „Onder een vertoon van eerbied dat naar bespotting lijkt, wordt de Godsdienst uit al wat in het werkelijk leven belang heeft, geweerd. Men doet den Godsdienst, zij 't met een kniebuiging, uitgeleide !"
Hoe weinig men deze dingen overigens begreep, blijkt uit hetgeen door den heer Bosscha in de Tweede Kamer aan het adres van Groen antwoordde; hij zei: „Als ik hoor beweren, dat de Openbare Volksschool, toegankelijk voor al de kinderen van hetzelfde Vaderland, onhoudbaar is geworden, dan klinkt mij die bewering in de ooren, alsof men zegt, dat het bestaan van ons Vaderland onhoudbaar is !"
De actie is intusschen niet zonder beteekenis. Onder hoog en laag werd het gevoeld, dat het hier om een allerbelangrijkst volksbelang ging. En met vreugde werd door zeer velen vernomen, dat Koning Willem IH verklaarde, dat hij aan deze Wet nooit zijn Koninklijke sanctie zou geven. (Groen noemt dat „de schoonste bladzijde uit zijn levensboek").
Het Ministerie Van Hall-Van Reenen dient daarop zijn ontslag in. Wie zal nu Minister worden ? Zou de man, wiens bede in 1842 werd afgewezen, die in 1846 op zijn roepen om recht geen gehoor ontving, in 1848 zich door tal van medestrijders verlaten zag, nu reeds de vrucht van zijn onverdroten arbeid aanschouwen ?
Groen wachtte, toen 't Ministerie waartegen hij zijn aanval had gericht, moest aftreden, op een verzoek van den Koning om als Kabinetsformateur op te treden, en onder biddend opzien tot God zou hij die zware en moeilijke taak hebben aanvaard (zie : Mr. T. de Vries : Aanteekeningen uit Groen's Archief, blz. 116 enz.). Maar de zaken loopen anders. Groen krijgt van zijn vriend en medestander Mr. van der Brugghen een bericht, dat deze hem gaarne op Oud-Wassenaar een bezoek zou willen brengen. Toen deze Zondag 15 Juni kwam, deelde Mr. van der Brugghen mee, dat de Koning hem verzocht had een nieuw Ministerie te willen samenstellen ; en nu verzocht hij Groen's standpunt nader te vernemen, hem vragende om zijn hulp en medewerking straks in de Kamer !
Onder nevelachtige breedsprakigheid gelukte 't Groen, zelfs in anderhalf uur niet, omtrent het voornemen en de gedragslijn van Van der Brugghen iets positiefs te vernemen. En onveranderlijk weer klonk zijn bescheid : „Handelt ge overeenkomstig mijne u bekende beginselen, dan zijt Ge van mijn bereidvaardige medewerking zeker; doet Ge dit niet, dan kunt Ge geen lijdelijkheid verwachten." (Mr. Groen van Prinsterer : Hoe de Onderwijswet van 1857 tot stand kwam. Amsterdam 1876 ; blz. 35 V.V.). (Wordt voortgezet).

DE INDISCHE KERK
Mevr. Swaan—Koopman, de schrijfster van het mooie boek : „Vrouwen in Indië", schrijft in Algemeen Weekblad voor Kerk en Christendom over de Indische Kerk en over de laatst gehouden Synode. We nemen er hier voegd :
Er gebeuren belangrijke, groote, wondere dingen in Indië in betrekking tot de Kerk. De Indische Kerk verandert snel, zelfs ongelooflijk snel, in vergelijking met wat met de Hollandsche Kerken gebeurt.
„Zes jaar geleden had de Groote Vergadering van de Indische Kerk plaats, waar een reglement werd opgesteld, in het bijzijn van de vertegenwoordigers der Regeering : een reglement dat de scheiding van Kerk en Staal moest voorbereiden". Twee jaar later (1935) is de scheiding een feit geworden, en bleef alleen nog één financieele band, waarover nu en in de komende jaren nog verder geconfereerd zal worden.
Vier jaar geleden is de Indische Kerk pas Kerk geworden. En in 1936 is toen de eerste Synode bijeengekomen, uit alle deelen van de Archipel, verkozen uit verschillende Classicale Vergaderingen.
Toen is dadelijk gesproken over wat der Kerk is : haar belijdenis.
Eerst heeft men alleen gezegd : Haar fundament is Jezus Christus.
De Synode van 1936 heeft er de volgende richtlijnen inzake de belijdenis aan toegevoegd :
„De Synode begeert, dat de belijdenis van Jezus Christus in het midden der Kerk wordt ontvouwd voor de menschen van dezen tijd en in deze landen — maar dat kan niet geschieden zonder het levend verband met, en voortbouwende op de belijdenis der Christelijke Kerk van alle eeuwen, gelijk die in het Apostolicum (de Apostolische Geloofsbelijdenis) tot ons is gekomen. Zij acht zich geroepen deze belijdenis in den gemeenschappelijken arbeid en eeredienst een levende plaats te geven".
Op de laatst gehouden Synode (23—31 Oct. 1939) is dat aangevuld als volgt : „ dat de belijdenis van Jezus Christus, in gehoorzaamheid aan het getuigenis van de Heilige Schrift, in het midden dier Kerk wordt ontvouwd .
En verderop : „gelijk die in het Apostolicum tot ons is gekomen en door de hervorming nader is bepaald"
Mevr. Swaan—Koopman teekent hierbij aan : „Wie iets weet van Synodale Vergaderingen in Vaderlandsche Kerken, zal beseffen hoe ontzaglijk deze vordering is. Wie daarbij bedenkt, dat het hier niet gaat om één Kerk, zooals in Nederland, maar om een historische samenvoeging op Indischen bodem — men kan wel zeggen op Gouvernementsvoorschrift — van Hervormden, Doopsgezinden, Lutherschen, Remonstranten — van Hollanders, Amboneezen, Menadoneezen, Indo-Europeanen — van Confessioneelen, Ethischen en Vrijzinnigen — wie dat alles bedenkt en geen vreemdeling is in Jeruzalem, die zal beseffen wat het zeggen wil, dat deze uitwerking der belijdenis met nagenoeg algemeene stemmen is aanvaard".
„Is het te verwonderen" — aldus mevr. Swaan—Koopman — „dat wij, die dit alles mogen mee beleven en mee opbouwen, ons deze week rijk en gezegend hebben gevoeld !" Met één Hollandsche en één Maleische toespraak is de Synode begonnen. Dinsdagsmorgens was de officieele openingszitting. Voorgeschreven was verplicht zwarte kleeding of toga, uitsluitend toegankelijk voor genoodigden : vertegenwoordigers van alle andere Kerkgenootschappen. De gasten waren : de Soendaneesche Kerk, de Classis der Geref. Kerken, de Maleisch-Gereformeerde Kerk, de Deutsche Evangelische Kerk, de Methodistische Kerk, de Chineesche Kerken van Westen Oost-Java, de Javaansch Gereformeerde Kerk, de Kerk van Oost-Java.
Wie geen vreemdeling is in kerkelijke verhoudingen, zal bij deze opsomming genoeg redenen vinden om zich te verbazen en te verblijden.
„Ik heb mij" — aldus mevr. Swaan — „maar in stilte zitten verblijden, dat dit alles mogelijk was en dat wij 't mochten beleven"
Veel heeft men aan de „Staatskerk" in Indië te danken. Veel heeft zij bij elkaar gehouden, eeuwen lang, en over de Zendingsvelden is er veel zegen uitgedragen, waar nu de zelfstandige Kerken zijn. Maar er is reden tot dankbaarheid, dat zij nu bezig is uit te groeien tot een werkelijke Kerk.
Vóór zes jaar werden de regeeringsvertegenwoordigers in de vergadering begroet, nu de vertegenwoordigers van andere Kerken !
„Samenarbeid, gedragen door oecumenisch besef", constateerde de voorzitter van de Synode, ds. N. A. C. Slotemaker de Bruine. En als ideaal stelde hij : Organische vereeniging der Kerken, met eerbiediging van de verschillen, die er bij de onderscheiden Kerkgemeenschappen in Indië uit , den aard der zaak zijn, al zou 't alleen maar zijn door de zoo zeer verschillende volksaard. Maar het moet gaan om uit één Evangelie te leven, kennende den éénen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Hij gezonden heeft. De God der geschiedenis der volken is ook de God der Kerkgeschiedenis.
De Agenda was omvangrijk. Het zou gaan over : fundament en belijdenis der Kerk ; liturgie, formulieren voor doop, avondmaal en huwelijk ; Gezangboek ; organisatie ; financieele scheiding van Kerk en Staat; Kerkvisitatie ; Godsdienstonderwijs op de scholen; belijdenis-catechisatie en belijdenis-vragen ; Evangelisatie en Zending. Christelijk leven : inzegening van tweede huwelijk na echtscheiding.
Dit alles in één week tijds te behandelen. En dan dat alles te behandelen tusschen afgevaardigden van verschillende rassen en volken, voor een twee-talige Kerk (Nederlandsch en Maleisch), waarin alle schakeeringen van uiterst Vrijzinnig (vroeger was de Indische Kerk bijna geheel Vrijzinnig) tot uiterst Orthodox, door de historie, onder Gods voorzienig bestel, zijn samengebracht.
Waarlijk, deze Synode stond wel voor een zware taak.
Wij willen gaarne een volgend maal nog eens luisteren naar mevr. Swaan—Koopman, als zij ons nog iets meer wil vertellen van deze Synode ; wat zij in het Algem. Weekblad voor Kerk en Christendom doen wil.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's