STAAT EN MAATSCHAPPIJ
HET ONDERHOUDEN VAN DEN GOEDEN GEEST
Zooals wij de vorige week opmerkten, is het voor het onderhouden van den goeden geest in de weermacht noodzakelijk, dat aan de geestelijke verzorging der militairen alle aandacht geschonken wordt.
Tot die geestelijke verzorging behoort ook, al staat dit in een eenigszins verwijderd verband, de ontspanning, die den gemobiliseerden geboden wordt.
Echter wat dit punt betreft, zijn wij er nog bij lange na niet.
De Minister van Defensie blijft toch te sterk vasthouden aan de voor dat doel oorspronkelijk getroffen opzet, dat de ontspanning van land- en zeemacht een militaire aangelegenheid is, die onder de leiding van den Opperbevelhebber moet staan en die bedoelt, een regeling te zijn, die voor alle militairen zonder onderscheid van politieke richting of geloofsovertuiging aanvaardbaar is.
Dat zulk een regeling op een fiasco (mislukking) moet uitloopen, ziet men nog niet in.
Er is bij het defensie-debat in de Tweede Kamer over dit onderwerp heel wat te doen geweest. Verschillende feiten werden genoemd waaruit valt te constateeren, dat de ontspanning, welke het regeeringsinstituut „Ontwikkeling en Ontspanning" (O. en O.) in zijn tooneel- en cabaretvertooningen, benevens in zijn z.g.n. bonte avonden geeft, meer verwijdering onder de militairen brengt, dan dat deze ontspanning de saamhoorigheid onder, de gemobiliseerden bevordert.
De militairen van Christelijke levensovertuiging zijn nu eenmaal van genoemde ontspanningen niet gediend.
Voor den goeden geest in de weermacht is deze gang van zaken dan ook niet bevorderlijk.
Maar behalve voor de geestelijke verzorging dient ten behoeve van het onderhouden van den goeden geest bij de weermacht, ook gezorgd te worden voor de materieele behoeften van de gemobiliseerden.
Tot die materieele behoeften rekenen wij, behalve wat betreft de legering, de voeding en de uitrusting der troepen, de zorg voor de gezinnen der dienstplichtigen : de kostwinnersvergoeding en de verloven, die gegeven worden, om de band tusschen hen, die huis en hof verlieten, met hun gezinnen te onderhouden.
Wat nu de regeling der kostwinnersvergoeding betreft, mag deze, na de herziening welke zij bij beschikking van den Minister van Defensie van 2 Nov. 1939 onderging, als alleszins voldoende beschouwd worden. De maximum vergoeding werd van ƒ .2.50 tot ƒ 3.— per dag verhoogd. In bijzondere gevallen kan zelfs tot ƒ 4.— a ƒ 5.— worden gegaan. Aan de nieuwe regeling werd zelfs terugwerkende kracht verleend. De verhooging der vergoeding geschiedde met ingang van 1 September, zoodat menige gemobiliseerde nog een aardig duitje ineens in handen kreeg.
Met de verloven staat het iets anders.
Het regelen van verloven in een gemobiliseerd leger is verre van een gemakkelijke zaak. Het blijkt bij zulk een regeling toch telkens, dat de belangen van de gemobiliseerden en die van de weermacht niet parallel loopen. Dit is niet zoo bij de periodieke verloven, die tot 7 procent der sterkte van de onderdeden der weermacht mogen verleend worden, d.w.z. dat elke gemobiliseerde iedere 14 dagen 2 dagen verlof ontvangt. Tegen deze regeling bestaan geen bezwaren, vooral thans niet meer, nu de militairen, die tegen het reizen op Zondag bedenking hebben, dien dag zich niet meer behoeven te verplaatsen.
Wel rijzen er moeilijkheden met de zakenverloven, ten aanzien waarvan bepaald is, dat niet meer dan ten hoogste 5 procent der presente sterkte van een onderdeel tegelijk met dit verlof mag afwezig zijn. Nu betreffen de moeilijkheden niet in de eerste plaats deze bepaling, al is het percentage wel wat aan den lagen kant. De moeilijkheden liggen elders. Zij doen zich voor in de gevallen, en die zijn veelvuldig, dat bij het eene onderdeel meer militairen aanwezig zijn, die zakenverlof behoeven, dan bij het andere onderdeel, waarvan het gevolg is, dat in het eerste geval, omdat bij dat onderdeel een groot aantal zakenmenschen tegenwoordig zijn, noodzakelijke verloven niet altijd op tijd kunnen verleend worden, terwijl in het laatste geval reeds verloven, die niet dringend, maar wel noodig zijn, worden toegestaan.
Dit geeft een ongelijke verdeeling der verloven, waaraan de Regeering wel haar aandacht mag wijden.
Een derde soort van verloven zijn de studieverloven. Voor deze verloven is wel een regeling getroffen ten behoeve van die jongelieden, die in 1940 het eindexamen van een Gymnasium, Hoogere Burgerschool of een universitair examen hebben af te leggen, doch niet voor hen, die deze examens na het genoemde jaar hebben te ondergaan. Ook aan dit belang zal de Regeering hebben te denken. Dat over de verloven nog wel niet het laatste woord is gesproken, zal een ieder duidelijk zijn.
Met de kostwinnersvergoeding maken de verloven een integreerend (wezenlijk) deel uit van de materieele verzorging der gemobiliseerden.
De Regeering zal, om den goeden geest bij de gemobiliseerden te onderhouden, haar voortdurende belangstelling zoowel aan dé geestelijke verzorging als aan de voorziening in de materieele behoeften der gemobiliseerden moeten geven.
EERT DE OVERHEID
Ieder mensch moet zich onderwerpen aan de hooge overheden, die boven hem staan. Want er is geene overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld. Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods, en wie dat doen, zullen een oordeel over zich brengen. Want als iemand goed handelt, behoeft hij de overheidspersonen niet te vreezen, maar wel, als hij verkeerd handelt. Wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn ? Doe het goede, en gij zult lof van haar ontvangen. Zij staat immers in den dienst van God, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, vrees dan ; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs ; zij staat immers in den dienst van God, als wreekster om hem, die kwaad bedrijft, te straffen. Daarom is het noodig zich te onderwerpen, niet slechts om den toorn, doch ook om des gewetens wil. Daarom brengt gij toch ook belastingen op ; want zij zijn dienaren Gods, die juist op dit punt voortdurend letten. Betaalt aan allen het verschuldigde, belasting aan wien belasting, tol aan wien tol, ontzag aan wien ontzag, eerbetoon aan wien eer toekomt.
Rom. 13 vers 1—7.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's