UIT DE HISTORIE
Paulus' zending erkend door de apostelen te Jeruzalem, vers 1—10 ; (IV Vervolg vers 4 en 5.
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
Hoofdstuk II.
Door te spreken van „de waarheid des Evangelies" geeft Paulus te kennen, dat er een dubbel Evangelie is, namelijk een waar en een valsch. Het Evangelie op zichzelf is eenig, eenvoudig, waar en zuiver, doch door de boosheid van Satans dienaren wordt het vervalscht en in z'n tegendeel verkeerd.
Zoo stoffen heden ten dage ook de paus en allerlei dwaalgeesten, dat zij het Evangelie en het geloof in Christus leeren. Weliswaar doen zij dat, maar met hetzelfde resultaat als eertijds de valsche apostelen, over wie de apostel spreekt in hoofdstuk 1 vers 7, waar hij hen beroerders der gemeenten en verkeerders van het Evangelie van Christus noemt. Daarentegen zegt hij, dat hij het zuivere en ware Evangelie leert. Het is, als wil Paulus zeggen, dat hetgeen de valsche apostelen te berde brengen, geheel leugenachtig is, al geven zij nóg zoo voor, dat zij de zuivere waarheid verkondigen. Op dezelfde wijze als de valsche apostelen spreken alle ketters over den Naam Gods, over Christus en de kerk. Ook zij beweren geen leugens en dwalingen te verkondigen, maar de stellige waarheid en het zuivere Evangelie te leeren.
De waarheid van het Evangelie bestaat echter daarin, dat onze gerechtigheid alleen komt uit het geloof, zonder de werken der Wet.
De onwaarheid van het Evangelie en zijn misvorming komt tot uiting in de leer, dat wij weliswaar gerechtvaardigd worden door het geloof, maar niet zonder de werken der Wet.
En met deze laatste voorwaarde was de prediking van het Evangelie door de valsche apostelen verbonden. Het ware Evangelie is echter niet, dat de werken of de genegenheid het sieraad of de volmaaktheid des geloofs zijn ; doch het geloof op zichzelf is een gave Gods en een werk van Hem in ons hart, hetwelk daarom rechtvaardig maakt, omdat het Christus aangrijpt als den Verlosser.
De menschelijke rede heeft de Wet tot voorwerp en zegt : dit heb ik gedaan, en dat heb ik niet gedaan. Het geloof daarentegen heeft, als het goed is, alleen met Jezus Christus, den Zoon Gods, van doen, die overgegeven is voor de zonde der geheele wereld.
Het geloof ziet niet op de liefde, en vraagt niet : wat heb ik gedaan, en : wat heb ik voor zonde bedreven, of : wat heb ik verdiend ? Maar het geloof zegt : wat heeft Christus gedaan, en : wat heeft Hij verdiend ? En op deze vraag antwoordt de waarheid van het Evangelie : Hij heeft u verlost van de zonde, den duivel en den eeuwigen dood. Daarom erkent het geloof, dat er in den Persoon van Jezus Christus vergeving van zonden en eeuwig leven is. Wie dit uit het oog verliest, bezit geen waar geloof, maar verlaat zich op een blooten schijn, den blik afwendend van de belofte, en hem richtend op de Wet, die schrik aanjaagt en tot vertwijfeling brengt.
Het geloof, hetwelk Christus, den Zoon Gods aangrijpt, — dat geloof rechtvaardigt : niet een geloof, dat de liefde mede insluit. Want een stellig en onwankelbaar geloof mag niets anders aangrijpen, dan Christus alleen, en in worstelingen en benauwdheden van des menschen geweten kan het op niets anders steunen, dan op Hem. Derhalve kan iemand, die Christus aangrijpt, hoe hij ook door den last der zonde bezwaard en door de Wet verschrikt wordt, toch roemen, dat hij gerechtvaardigd is. Hoe of waardoor ? Alleen door den edelsteen Christus, welken hij alleen door het geloof bezit.
Deze dingen worden door onze tegenstanders niet begrepen; daarom verwerpen zij den edelsteen Christus, om voor Hem de liefde in de plaats te stellen, van welke zij zeggen, dat déze een edelsteen is. Wat zij echter hebben, is geen geloof, maar een droom, een waan en een bedeksel der rede.
De valsche apostelen, zoo zegt Paulus, wilden de vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, aan een onderzoek onderwerpen, met de bedoeling, ons tot dienstbaarheid te brengen. Daarom wapenden de valsche apostelen zich zoo goed mogelijk tegen Paulus, en stelden alles in het werk, om hem, op welke wijze ze maar konden, gehaat te maken en zijn invloed tegen te gaan.
Bovendien misbruikte men nog het gezag der apostelen, in wier tegenwoordigheid zij Paulus beschuldigden, zeggende : hij brengt Titus zoomaar onbesneden in de vergadering der gemeente, en loochent en veroordeelt in tegenwoordigheid der apostelen de Wet. Wanneer hij zulks hier durft te wagen, — wat zal hij dan wel niet durven onder de heidenen, als gij er niet bij zijt !
Toen nu Paulus zag, dat men hem lagen legde, wederstond hij de valsche apostelen op z'n hevigst, en zeide : de vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, laten wij niet op het spel zetten.
Zoo bieden wij den papisten aan, ons zooveel mogelijk in alles te schikken ; wij doen in dit opzicht zelfs méér, dan wij verplicht zijn ; doch alleen de vrijheid, welke wij in Christus Jezus hebben, zonderen we uil. Want wij willen niet gedwongen worden ; ook willen wij ons geweten niet aan eenigerlei werk binden, waardoor wij, iets doende, gerechtvaardigd, en iets nalatende, veroordeeld zouden zijn.
Gelijk onze tegenpartijen niet willen toegeven, dat alleen het geloof in Christus rechtvaardigt, zoo kunnen en willen wij niet wijken op het stuk, dat een geloof, gewerkt door de liefde, niet rechtvaardig kan maken. Te dezer zake willen en moeten wij hardnekkig en vasthoudend zijn ; anders zouden we de waarheid van het Evangelie verliezen, als ook onze vrijheid, welke niet haar fundament heeft .in den keizer, in koningen of prinsen ; ook niet in den paus, de wereld of ons vleesch, maar in Christus Jezus.
Wanneer onze tegenstanders dit geloof onaangetast laten, door hetwelk wij wedergeboren, gerechtvaardigd en Christus ingeplant zijn, dan bieden wij aan, alles te willen doen, mits dal maar niet strijdig is met dit geloof. Waar wij dit echter niet van hen verlangen kunnen, zullen ook wij op onze beurt geen haarbreed voor hen wijken, wijl het hier gaat om een ernstige en groote zaak, namelijk om den dood van den Zoon Gods, die overeenkomstig den wil en het bevel Zijns Vaders mensch geworden, gekruisigd en gestorven is voor de zonde der geheele wereld. Wanneer het geloof op deze punten wijkt, dan is de dood des Zoons van God, als ook Zijn opstanding, tevergeefs geweest ; het is dan een fabel, dat Christus de Heiland der wereld is, en God zelf wordt tot een leugenaar gemaakt, omdat Hij niet nakomt, wat Hij beloofd heeft. Onze hardnekkigheid in deze dingen is dus van godvruchtigen en heiligen aard. Want wij streven er slechts naar, de vrijheid, die wij in Christus hebben, te behouden ; ook willen wij de waarheid van het Evangelie niet loslaten ; doen wij dat echter, dan verliezen wij God, Christus, al Zijn beloften, het geloof, de rechtvaardigheid en het eeuwige leven.
Mocht evenwel iemand zeggen : „de Wet is toch goddelijk en heilig", dan antwoorden wij : laat zij gerust haar roem behouden, maar geen Wet, hoe heilig en goddelijk zij ook wezen mag, kan mij leeren, dat ik door haar gerechtvaardigd word en het eeuwige leven kan deelachtig worden. Ik geef toe, dat zij mij leert, God en mijn naaste lief te hebben, enz. maar zij kan mij niet toonen, hoe ik bevrijd word van zonde, duivel, dood en hel. Hier moet men alleen te rade gaan met het Evangelie, en daarnaar luisteren, dat niet leert, wat ik doen moet, maar wat Christus Jezus voor mij gedaan heeft. Dit is het voornaamste artikel van het christelijk geloof, en de kennis der godzaligheid is er in begrepen. Het leerstuk is zeer teer, en wordt licht gekwetst, hetgeen ook Paulus heeft ondervonden, en ook de ervaring is van alle vromen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 december 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's