UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
Hoofdstuk II. Paulus' zending erkend door de apostelen te Jeruzalem, vers 1—10. (V).
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
Hoofdstuk II. Paulus' zending erkend door de apostelen te Jeruzalem, vers 1—10. (V).
Vervolg vers 4 en 5.
Paulus heeft Titus om geen andere reden niet laten besnijden, dan omdat er, gelijk hij zegt, eenige valsche broeders ingeslopen waren, die de vrijheid bespiedden, en hem wilden dwingen, Titus te laten besnijden. Toen de apostel deze dwang bemerkte, heeft hij geen uur willen wijken ; maar met alle macht heeft hij hen tegengestaan. Hadden zij een en ander hem als een liefde- of vriendschapsdienst verzocht, dan zou hij niet hebben geweigerd, maar aangezien men er op aandrong, dat zulks als een slecht voorbeeld zou geschieden, met de bedoeling de gewetens tot dienstbaarheid te brengen en het Evangelie geheel te vernietigen, daarom verzette Paulus zich tegen de valsche broeders op z'n heftigst ; hij zette door, en wist het gedaan te krijgen, dat Titus niet zou besneden worden. Het schijnt een zaak van heel weinig belang te zijn, of iemand zich al of niet laat besnijden ; maar wanneer er bijkomt, dat iemand zijn vertrouwen op de besnijdenis zet, of bevreesd is, als zij is nagelaten, dan wordt God verloochend, als ook Christus, Zijn genade en al de beloften Gods. Wordt de besnijdenis evenwel zonder eenige bijbedoeling onderhouden, dan schuilt er geen gevaar in. Zoo is het ook, wanneer de paus van ons alleen maar zou eischen, zijn instellingen te beschouwen als gewone ceremoniën. In een dergelijk geval zou nakoming daarvan op geen bezwaren stuiten. Want wat voor een bezwaar kan er liggen in het dragen van een kap ? Of in een geschoren kruin ? Wij nemen toch ook ceremoniën in acht ! Duivelsch en godslasterlijk is het evenwel, wanneer men de groote zonde begaat, te beweren, dat aan deze kleinigheden, d'e in den grond van de zaak niets te beteekenen hebben, het leven en de zaligheid of de dood en de eeuwige verdoemenis hangt. Het maken van een beeld uit hout of steen zou niet schaden, maar de godsdienstige vereering er van en het toeschrijven van iets goddelijks aan dat houten of steenen beeld, dat is het dienen van een afgod als God. Men moet voor zijn tegenstanders dan ook niet in het minst wijken, gelijk Paulus evenmin deed voor de valsche apostelen, aangezien noch de besnijdenis, noch de voorhuid, noch een geschoren kruin, noch een kap voor de zaligheid van eenige beteekenis is ; van beteekenis is alléén loutere genade. Dit is de waarheid van het Evangelie.
En van degenen, die'geacht waren wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet, vers 6.
In deze zin is iets uitgevallen. Achter „die geacht waren iets te zijn" ontbreekt „heb ik niets ontvangen".
Men moet het den Heiligen Geest, die door Paulus spreekt, ten goede houden, dat Hij ingaat tegen de grammaticale orde. Hij spreekt namelijk in vurigen ijver, en wie zulks doet, die kan bij het spreken de regelen der grammatica en de voorschriften der rhetorica niet zoo precies in acht nemen. De weerlegging, die hier gegeven wordt, is zeer heftig en verheven. Er wordt namelijk zelfs aan de ware apostelen geen hooge titel toegekend, maar op bijna kleineerende wijze zegt Paulus : „die geacht waren wat te zijn". Nu was het aanzien der apostelen in alle gemeenten inderdaad groot, en Paulus wil hun eer in geen enkel opzicht aantasten ; maar hij antwoordt de valsche apostelen zoo verachtelijk, omdat zij overal in de gemeenten tegenover Paulus het gezag en de grootte der apostelen en hun discipelen stelden, om daardoor diens aanzien te verminderen en zijn gansche bediening verdacht te maken, hetgeen Paulus op geenerlei wijze verdragen kon. Ten einde nu de waarheid van het Evangelie en de vrijheid van het geweten in Christus onder de Galaten en alle gemeenten uit de heidenen te doen voortbestaan, antwoordt Paulus de valsche apostelen heel trots, dat er hem niets aan gelegen is, hoe groot de apostelen wel zijn en wat zij vroeger waren ; ook deed het weinig ter zake, dat hem de naam van apostel betwist werd. Weliswaar hadden de apostelen beteekenis en moest hun aanzien geëerbiedigd worden ; maar daarom mocht nog niet worden toegegeven, dat wegens een of anderen klinkenden naam of titel, hetzij van een apostel, hetzij van een engel uit den hemel, zijn Evangelie of bediening gevaar zou loopen. De sterkste bewijsgrond, waarop de valsche apostelen zich ten stelligste beriepen, was deze : de apostelen hebben met Christus drie jaar lang vertrouwelijk omgegaan ; al Zijn predikingen en wonderen hebben zij gehoord en gezien ; en ook zelf hebben zij, terwijl Christus nog op aarde verkeerde, gepredikt en wonderen verricht. Paulus echter heeft Hem nooit in levenden lijve gezien, en eerst lang na Zijn verheerlijking is hij bekeerd geworden. Wien van beiden meende men nu te moeten gelooven : den enkeling Paulus, die maar een discipel is, en bovendien nog achteraan komt, of de voornaamste en grootste apostelen, die lang vóór Paulus door Christus zelf gezonden en in hun ambt bevestigd zijn ? Hierop antwoordt Paulus : wat zou dat ? Dit argument bewijst niets. Het doet er niets toe, al waren de apostelen nog zoo groot, en al waren zij engelen uit den hemel. Wij handelen namelijk niet over de grootte der apostelen, , maar over het Woord Gods, en over de waarheid van het Evangelie. Bij mij gaat boven alles, dat dit Woord onbesmet bewaard blijve. Derhalve behoeven wij ons geen zorg te maken omtrent de vraag, hoe groot Petrus wel geweest is en de andere apostelen, en hoevele wonderen zij gedaan hebben, en van welken omvang die waren. Het feit, dat de waarheid des Evangelies onder u moet blijven bestaan, — dat houdt ons bezig.
Aan de woorden verschilt mij niet", voegt Paulus echter de volgende rechtvaardiging toe : God neemt den persoon des menschen aan, vers 6 (vervolg). niet
Deze woorden haalt Paulus uit Mozes aan, die ze meer dan eens gebruikt, o.m. in Deuteronomium 1 vers 17 : „Gij zult het aangezicht in het gericht niet kennen ; gij zult den kleine, zoowel als den groote, hooren". En het is ook overigens een Bijbelsche uitspraak en een algemeen theologisch gevoelen, dat God geen aannemer des persoons is. Door deze dingen te zeggen stopt Paulus den mond der valsche leeraars. Het is, als wil hij zeggen : gij houdt mij mannen voor, die gezien zijn ; maar God bekommert zich daar niet om ; Hij ziet niet het ambt van apostel, noch dat van een bisschop of van een vorst aan ; ook let Hij niet op eer en waardigheid. Door de gansche Heilige Schrift heen zult gij vinden, dat God juist hen verworpen heeft, die, te oordeelen naar het aanzien, dat ze hadden, de besten en heiligsten waren. Uit deze voorbeelden zou men kunnen opmaken, dat God soms wreed geweest is. Het was en is echter ten zeerste noodig, dat deze afschrikwekkende voorbeelden plaats vinden en beschreven worden. Want van nature kleeft ons de fout aan, dat wij menschen bewonderen, en op hen méér zien, dan op het woord. En God wil juist, dat wij op Zijh Woord nauwlettend acht zullen geven, en daarop zullen betrouwen en steunen. Het is Zijn wil, dat wij de kern, en niet de uitwendige schors verkiezen, en dat wij meer op den huisvader dan op het huis zullen letten. Hij wil niet, dat wij in Petrus en Paulus het apostelschap zullen bewonderen en. aanbidden, maar Christus, die door hen spreekt, als ook het Woord Gods, dat zij ons brengen en verkondigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's