NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN DOOR IDSARDL
(Met toesteraming Uitgever J. H. Kok te Kampen)
32) En ook was het wel bekend, dat Gabe dronk. Meermalen liep hij 's avonds laat, wanneer hij van een veemarkt kwam, met slingergang door Zevenhuizen, en als de oude diender niet dikwijls een oogje toe deed of juist den anderen kant uit keek, had de toekomstige beheerder van Donia-State nog vrij wat vaker met de rechtbank kennis gemaakt en kwam hij er zeker niet meer met een boete af. En wat Maaike betrof — maar deze had immers voor zoo iemand als Nienke geen oog ! Maaike was een trotsche boerendochter. Te dom, om over degelijke onderwerpen te kunnen meepraten — alleen als het ging over het geld en de mode, dan was zij klaar. Vandaar, dat zij in het dorp bijna met niemand geregelden omgang had. Haars gelijken mochten haar niet, vanwege haar gezwets ; voor degenen, die zij hare minderen noemde, was zij niet te spreken, en de enkele voorname burgerdochters, die hier waren, moesten niets van haar hebben vanwege de lichtzinnigheid, die haar altijd op pad bracht. De algemeene opinie van de dorpelingen was dat het vroeg of laat nog wel eens slecht met Maaike Santema zou uitloopen ; en als Gabe, de oudste stamhouder, zich niet veranderde, kwam dat ook verkeerd. „Gods macht is groot en Hij kan de hardste harten wel verbrijzelen", sprak Nienke. „Maar waarom zou de Heere dat dan toch niet doen ? Moeder heeft, dat weet ik zeker, al spreekt zij daar nooit over, zoo'n last van dat ongeregelde leven, en vader zou ook wel graag hebben, dat het anders was, en de menschen zullen daar natuurlijk genoeg over praten, 't Ergste van alles is evenwel, dat zij zoo hun jonge leven wegwerpen, inplaats van den Heer te dienen, zooals Hij dat eischt". Met verwondering keek Nienke naar de kranke. Welk een openbaring kreeg zij hier ! Wie zou ooit gedacht hebben, dat de rijke boerendochter van Donia-state zóó haar hart voor haar zou uitstorten, en dat onder dit dak de vreeze Gods woonde. Daar stond de familie nu heelemaal niet voor bekend en ook was in het dorp daar nooit een woord over gerept. „Dat weet ik ook niet", was daarop haar antwoord. „Daar zijn vele dingen, die wij niet begrijpen kunnen en alles, wat in strijd is met Gods wil, is ons een raadsel ; maar de Bijbel leert ons, dat God geen lust heeft in den dood van den goddelooze, maar daarin, dat hij zich bekeere en leve. Daarom mogen wij ook altijd bidden voor de bekeering van anderen. Mini, en kan ook hier nog wel iets anders gebeuren". „'k Weet niet ; dan moet er haast een wonder plaats hebben, dunkt mij". „De bekeering van een zondaar tot God is altijd een wonder". Weer een zwijgen. Alleen een zachte glimlach over het gelaat van de kranke. Wat zei Nienke dat eenvoudig, maar juist. Ja, zoó was het. De bekeering altijd een wonder en daarom ook een wonder, dat zij. Mini Santema, door het lijden geheiligd, een oog gekregen had voor die dingen van het Koninkrijk Gods, welke tot hiertoe altijd voor haar verborgen waren. „'k Zou wel willen, dat je eens wat vaker mij kwaamt bezoeken, Nienke", — vervolgde Mini. „Meestal lig ik alleen, en hoewel ik mij gelukkig nooit verveel, doet het toch wel goed, eens met iemand te kunnen spreken, die mij verstaat en ook den Heer zoekt te dienen". „Zal je 't doen ? " — vroeg zij nog eens, toen geen antwoord volgde. „Als het kan en hier goed gevonden wordt" — klonk het daarop veelbeteekenend. Hé, wat was Nienke toch geheel anders dan andere meisjes van haar leeftijd. Wat sprak zij kalm en verstandig en voorzichtig. Anderen in hare plaats zouden maar spoedig iets beloven en het een eere achten, dat de dochter van boer Santema hun vroeg om een bezoek. Even kwam bij Mini iets boven van den ouden trots, 't Moest geen gunst wezen, dat de pleegdochter van den schoenmaker haar voet ging zetten op Donia-state. Dan waren er nog wel, die zich dit tot een eere zouden rekenen. Of zou Nienke zoo afwezig zijn, omdat zij bang was voor besmetting ? Mini was immers patiënte, nu al drie jaar lang, en volgens velen opgeschreven ten doode. D'r waren genoeg menschen, die bang waren voor t.b.c-lijders en volgens de wetenschap was deze vreeselijke krankheid werkelijk besmettelijk. Wel niet in die erge mate als de melaatschheid, waarvan zij in haar bijbeltje zoo dikwijls las, maar dan toch min of meer gevaarlijk voor anderen. Was Nienke wellicht bang voor haar ? „'t Moet je geen opoffering kosten", kwam zij geraakt, terwijl 'n koude trek op haar gelaat, welke zoo de Santema's verried, voldoende te kennen gaf, hoe zij uit haar humeur was. „O, zoó bedoel ik het niet, Mini ; geloof me, ik wil alles wel voor je doen, wat ik kan en een opoffering is het heelemaal niet voor mij, als hier voor ons beiden of voor anderen maar geen moeilijkheden uit voortkomen". Thans was het de beurt aan Mini, om zich te verwonderen. Wat bedoelde Nienke daarmee ? „Moeilijkheden ? Wat voor moeilijkheden zouden daaruit kunnen voortkomen ? " vroeg zij nieuwsgierig. „Ik ben toch vrij om hier te vragen, wien ik wil en niemand, die over een Santema van Doniastate het recht en de macht heeft, om dezen in zijn vrijheid te belemmeren !" Kijk, dat was één van de bezwaren, die het verweesde dorpsmeisje, 't welk zich in geen enkel opzicht op hare afkomst beroemen kon, had, om hier dikwijls te komen. En dan ook nog iets anders, maar daar kon zij zelfs met Mini niet over spreken, omdat deze blijkbaar hier in 't geheel geen gedachte op had. „Laten we dan afspreken : zoo de Heer het wil, en in elk geval ben ik je er dankbaar voor. Mini, dat je mij dit vraagt ; en beloof, als altijd, je te zullen blijven gedenken", was het antwoord.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's