De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (31)

17 minuten leestijd

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (31)

„Ik weet" zoo hoorden we Wormser zeggen  „dat ik door het aantasten van dit stelsel van onmiddellijke en buitengewone verzekering, in de oogen van sommigen een soort van heiligschennis bega". Maar ik weet óók, dat dit stelsel bij de Wederdoopers, en niet bij de Gereformeerde Kerk thuis behoort, en dal de Vaderen het uitdrukkelijk als een schadelijke dwaling hebben veroordeeld. Ik weet, dat met dit stelsel niet alleen de Kinderdoop, maar ook de Bejaardendoop onmogelijk, het genadeverbond onnut, het bestaan eener heilige algemeene Christelijke Kerk een ongerijmdheid, en de waarachtige evangelische verzekering, in verband met onze voorverordineering, onbereikbaar wordt.

„Ik beroep mij, behalve op vele plaatsen uit onze belijdenis- en liturgische Schriften, vooral op de Dordtsche Vaderen, die de richting, om door onmiddellijke aanspraken en openbaringen van zijn praedestinatie en genadestaat verzekerd te worden, uitdrukkelijk veroordeelen als een schadelijke dwaling, die juist "de verzekering der geloovigen omtrent hun genadestaat verhindert, en aanleiding geeft tot onophoudelijke twijfelingen".

„Terecht" - zoo gaat Wormser verder - verklaren onze Dordtsche Vaderen, dat de uitverkorenen van hun verkiezing de verzekering erlangen kunnen ; maar hoe ? „Van deze hunne eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid, worden" — zoo zeggen de Dordtsche Leerregels - „de uitverkorenen te zijner, tijd, hoewel bij onderscheidene trappen en met ongelijke mate, verzekerd. Niet als zij de verborgenheden en diepten Gods curieuselijk doorzoeken ; maar als zij de onfeilbare vruchten der verkiezing, in 't Woord aangewezen, (als daar zijn, het ware geloof in Christus, kinderlijke vreeze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.) in zich zelven met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen". (Hoofdstuk I, Art. 12).

,, De leiding, die tegenwoordig bij vele godvruchtigen plaats heeft, is daarvan wel sterk verschillend"  aldus Wormser. „Altoos is het, ook zelfs wanneer het geweten nauwelijks ontwaakt is, een hunkeren naar een subiete, schokkende, van buiten aankomende verzekering, door een bijzondere openbaring. Maar de zekerheid, dat wij geestelijk leven bezitten, en mitsdien uitverkoren zijn, moet uit den aard van dat leven zelf, in gemeenschap met de vertroostende werking van den Heiligen Geest, openbaar worden en ontstaan".

De Dordtsche Vaderen zeggen hiervan : „En diensvolgens spruit deze verzekerdheid niet uit eenige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord Gods geschied, maar uit het geloof der beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onzen troost geopenbaard heeft ; uit het getuigenis des Heiligen Geestes, die mede met onzen geest getuigt, dat wij kinderen en erfgenamen Gods zijn ; eindelijk uit de ernstige en heilige betrachting van een goede consciëntie en van goede werken". (Hoofdst. V, Art. 10).

Terwijl zij in hetzelfde Hoofdst., Art. 5, verwerpen de dwalingen dergenen : „die leeren, dat men geen zekerheid van de toekomende volharding in dit leven kan hebben zonder bijzondere openbaring. Want door deze leer wordt de vaste troost der ware geloovigen in dit leven weggenomen en de twijfelingen der Pausgezinden in de Kerk weder ingevoerd ; daar de Heilige Schriftuur deze verzekerdheid doorgaans trekt, niet uit een bijzondere of extra ordinaire openbaring, maar uit de eigen merkteekenen der kinderen Gods, en uit de zeer standvastige beloften Gods". Rom. 8 vs. 39 ; 1 Joh. 3 vs. 24.

Zoo zien we dus, dat onze Gereformeerde Vaderen, in een levendig en krachtig tijdperk van de Kerk, de waarheid van het geestelijk leven der geloovigen stelden in het aanwezig zijn van de eigen merkteekenen der kinderen Gods. En zij vonden de zekerheid van hun volharding : in het geloof in de zeer standvastige beloften Gods, en niet in een bijzondere en buitengewone openbaring. En 't blijkt telkens weer en meer, dat men, naarmate men van buitengewone verzekeringen werk maakt, men aan de eigenlijke leer des geloofs en der personeele wedergeboorte ontvalt en deze minder recht doet wedervaren !

Van het vaste fundament, dat naar de Schriften is, glijdt men af, om weg te zinken in het drijfzand der eigen overleggingen en gevoelens. (wordt voortgezet)

De Nieuwe Minister van Onderwijs en de Openbare School.

De nieuwe Minister van Onderwijs, Z.Exc. Bolkestein, is, politiek genomen, van Vrijz. Democratische beginselen. Op een vergadering van den Vrijz. Democratischen Bond te Utrecht heeft hij een rede gehouden ; en toen heeft hij — niet in kwaliteit van Minister, maar particulier — zijn meening gezegd over de Openbare- of Overheidsschool. Zóó veel waarde is aan dat woord gehecht, dat men : in onderwijskringen de laatste weken spreekt van „de Utrechtsche rede". En bij de laatste begrootingsdebatten in de Tweede Kamer is die „Utrechtsche rede" nogal eens op 't tapijt geweest. De echte palstaanders voor de Openbare School, als neutrale volksschool, konden er niet over zwijgen en hebben niet onduidelijk hun misnoegen en hun afkeuring daarover te kennen gegeven. „Met zoo'n Minister is niet samen te werken !" is uitgeroepen. En toen heeft — naar ons oordeel — de Minister z'n Utrechtsche rede maar weer ingeslikt ; althans zich als Minister daarvan geheel los gemaakt. De heer Bolkestein van Utrecht was een ander persoon blijkbaar dan Minister Bolkestein in Den Haag. Intusschen is de rust nog niet teruggekeerd en op de groote vergadering van den Bond van Nederlandsche Onderwijzers, in de Kerstweek gehouden, is op scherpe wijze veroordeeld, wat de heer Bolkestein op de vergadering van den Vrijz. Democratischen Bond gezegd heeft. Men neemt er geen genoegen mee ! Want daar in Utrecht heeft de heer Bolkestein geprobeerd „de Openbare School de das om te doen".

Wat er dan gebeurd is ?

De Minister heeft geraakt aan het „heilig huisje" van de Openbare School, het troetelkind met name van den Bond van Nederlandsche Onderwijzers (nauw verwant met het Algemeen Vakverbond en de S.D.A.P.). Er zijn woorden gesproken over de Openbare School, waarvan velen zeggen en blijven zeggen : „één volk — één school — en dat is de Openbare School, de neutrale Overheidsschool" — die kennelijk een andere richting uitwijzen. En dat wil men tot geen prijs. Waarbij men diep teleurgesteld is, dat nu juist de nieuwe Minister de man is, die het durft bestaan, om van de gangbare meening af te wijken ; en dan nog wel op zulk een wijze.

Hij heeft toch niet meer of minder gezegd dan het volgende : „Voor de onderwijsvernieuwing is het noodig, dat men het Openbaar Onderwijs niet langer ziet als een „overkoepeling" van de verschillende richtingen, maar als een eigen richting naast de Protestantsch-Christelijke en de Roomsch-Katholieke, met wie een leven als gelijkberechtigden en gelijkbegunsligden noodig en mogelijk is. Die richting zie ik als een Christelijkhumanistische ; dat zij Overheidsschool is, is daarbij iets secundairs".

Wil men dus tot betere verhoudingen komen op onderwijsgebied, dan moet men — aldus de heer Bolkestein te Utrecht — het onderwijs van de Openbare School vernieuwen. En wel zóó veranderen, dat de Openbare School óók een eigen richting, een eigen geestesrichting krijgt voor opvoeding en onderwijs ; en dat men niet langer spreekt van een kleurlooze school als overkoepeling van allen (een school met een geloof boven geloofsverdeeldheid — en dus practisch zonder geloof —), maar dat men gaat spreken van „eigen richting" naast de andere richtingen ; en wel van 'n Christelijk-humanistische richting. Dat de Openbare School dan Overheidsschool is, is bijzaak. Tot zoover de heer Bolkestein.

En over deze dingen nu maakt men zich in de kringen van het Openbaar Onderwijs ongerust. Er is „rumor in casa", er is onrust in het kippenhok, omdat men er — op het onverwachtst en op een allerongelukkigst oogenblik — een knuppel in geworpen heeft.Uit „de Verklaring" (een protest) van het Landelijk Comité voor de Openbare School nemen we een en ander over. Er wordt verklaard, dat de heer Bolkestein :

1. De Openbare School niet langer in de eerste plaats wil zien als de school voor geheel de natie, als de school van de Overheid, zooals uitdrukkelijk nog is vast gesteld in de jaren van de Pacificatie ;

2. De Openbare School wenscht te maken tot een school van een bepaalde richting, die niet langer kan zijn de school van Art. 19 der L.O.-wet, welke voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid toegankelijk is, doch slechts voor een deel der kinderen (christelijk-humanistisch), evenals elke bijzondere school;

3. De aanhoudende zorg voor het onderwijs, speciaal wat betreft het financieele deel, niet langer geheel en al wil toevertrouwd zien aan de Overheid, doch voor een deel wil afwentelen op de schouders van de belangstellenden, dat zijn in de eerste plaats de ouders der schoolgaande kinderen".

Tegen deze opvattingen van den heer Bolkestein wenscht men vierkant stelling in te nemen, en wel op deze gronden :

„De Openbare School houdt op Overheidsschool te zijn, zoodra zij een richtingsschool (Christelijk-humanistisch) is geworden. De wettelijke positie van de Openbare School, zooals die historisch is gegroeid en bij de grondwetsherziening van 1917 nadrukkelijk is vastgelegd — hetwelk voorwaarde was van de pacificatie — zou worden losgelaten ; en de financieele gelijkstelling tusschen Openbaar en Bijzonder Onderwijs omgezet in een absolute gelijkstelling (richtings-school naast richtingsschool), die feitelijk zou inhouden een opheffing van het Openbaar Onderwijs, terwijl daarenboven het afwentelen van een deel der lasten, die onderwijs en opvoeding met zich mee brengen, van de Overheid op de schouders der ouders van de schoolgaande kinderen, tengevolge moet hebben een achteruitgang van het onderwijs in zijn geheel en in zeer sterke mate voor dat deel van de bevolking, dat de minste financieele draagkracht heeft, een verarming van het onderwijs juist voor de meest behoeftigen".

Wat na deze Verklaring en na het begrootingsdebat van dit soort onderwijsvernieuwing te wachten is, valt natuurlijk niet voor zeker te zeggen. De geesten zijn nog niet overal openbaar geworden. Maar als men zou willen ijveren voor de Openbare School, om het kind voortdan bij z' n naam te noemen en zich niet in allerlei algemeenheden te verliezen, icu ons dat aangenaam zijn. Kleur bekennen kan ook in onze dagen geen kwaad. En dat er dan zijn, die in de richting van het  „Christelijk-humanisme" willen gaan, verwondert ons niet, want de religieuse gedachte leeft bij velen en het religieus gevoel ontwaakt. Zonder religieuse en zonder moreele grondslagen kunnen we niet bij de opvoeding en het onderwijs van onze kinderen. Alleen vragen we ons af, wat men dan wel bedoelt — of niet bedoelt — met „Christelijkhumanisme".

Na de rede van dr. H. Vos, onlangs als bijzonder hoogleeraar in de theologie opgetreden vanwege de Vrijzinnigen aan de Universiteit te Groningen, die óók over „Christelijk-humanisme" gesproken heeft, lazen we in een recensie : „Wij vinden dat er te veel Christelijk en te weinig humanisme in zat". Daar zal 't dus om gaan : wil men „Christelijk" — dan hebben we onze Bijzondere Scholen met den Bijbel ; wil men „humanistisch" — dan hebben we de bijzondere scholen op humanistischen grondslag. Wil men echter „Christelijk-humanistisch", dan bedenke men, dat melk door water er niet beter op wordt, en dat water door melk nog geen melk wordt.

Ook hier zal men moeten kiezen of deelen !

Dat het de richting uitgaat van : de Bijzondere School regel en de Openbare School aanvulling, kan ons overigens niet anders dan aangenaam zijn. En voor het onderwijs is dat de weg.

DE PLUIRIFORMITEIT DER KERK

Daarover is weer zware discussie in de Gereformeerde Kerken, met name tusschen prof. Hepp en ds. Feenstra. De laatste wil van de pluriformiteit der Kerk niet weten, en prof. Hepp zegt nu : deze man leert dingen, die in strijd zijn met de leer van Kuyper en Bavinck en dus is ds. Feenstra een ongereformeerde dwaalleeraar.

In 't kort gaf ds. Feenstra deze schets :

A. Wij missen de zichtbare éénheid van de Kerk ; zien vele kerken ; en om nu uit de moeilijkheid te geraken hebben sommigen de toevlucht genomen tot de pluriformiteit, de meervormigheid, alsof de ééne Kerk van Christus zich in veel vormen moet openbaren. De schoone naam pluriformiteit moet dan een zondige toestand goedpraten !

B. Feitelijk is deze „zoogenaamde" pluriformiteit of meervormigheid niet anders dan pluraliteit of : meervoud van Kerken. Sommigen verblijden zich er over en zien daarin een rijke verscheidenheid. Anderen treuren er over en zien hier de gevolgen van de zonde, de verdeeldheid.

C. De pluriformiteit mag niet worden aanvaard. Het lichaam van Christus openbaart zich niet in verschillende instituten. De gescheurdheid en verdeeldheid is zonde, en mag nooit goedgekeurd worden. Christus wil de éénheid van Zijn Kerk.

D. De pluriformiteit wordt in de belijdenis niet geleerd. Elke geloovige heeft de plicht de éénigheid der Kerk te onderhouden, en zich te voegen bij de ware Kerk.

E. De pluriformiteit wordt in Gods Woord niet geleerd. Zie Joh. 17 vs. 21.

F. Wij hebben niet te vragen, naar de kenmerken van den waren dominé, maar naar de kenmerken van de ware Kerk.

Deze Schets stond in „Bouwen en Bewaren", het Orgaan van den Geref. Meisjesbond (Gereform. Kerken), hoofdredactrice mej. H. Kuyper, dochter van dr. A. Kuyper.

En wat doet prof. Hepp nu in zijn blad „Credo" ? Daar schrijft hij dit publiek protest :

„In deze voorlichting wordt de band aan het voorheen doorgesneden. Wat ds. Feenstra hier bestrijdt, was wel geen specialite van dr. Kuyper, maar werd door hem toch met deugdelijke argumenten warm verdedigd. En dat wordt nu weggevaagd in een blad wier hoofdredactrice zijn naam draagt en tegenover wie men verplicht is, dat het vaderlijk erfgoed zal worden bewaard. Onze meisjes mogen zóó niet worden voorgelicht ! Meisjes, leest zulke stukken critisch ! Spreekt er uw Bondsbestuur over !"

Een publiek protest dus. Zooiets van een „ophitsen" van de meisjes (er zijn er zoo ongeveer 25.500 bij den Bond aangesloten !) tegen ds. Feenstra, hun leiddraad-schrijver. Waarbij prof. Hepp geen enkel stukje materiaal aandraagt, om als bewijs te dienen voor z'n protest en wat aan de meisjes als leiddraad of gids kan zijn, om nu de waarheid te vinden tegenover de leugen van ds. Feenstra.

Prof. Schilder — geen wonder ! — laat dit er maar niet zóó bij zitten. En schrijft in „De Reformatie" o.a. dit :

„Het mag niet, zegt prof. Hepp. Maar wij zeggen aan zijn adres : het mag niet. En wij wekken de meisjes nu ook in het openbaar op, zich niet te storen aan het adres van een professor, die hier beweert, maar niet bewijst. Die bij herhaling aanvalt, en geen reactie geeft op de weerlegging. Het spijt ons dit te moeten zeggen, want 't wordt een beetje raar onder ons. Maar na de offers, die meer dan één bracht voor den vrede, is dit geschrijf van „Credo" weer een koud waterbad. Als er geen andere geest in dit blad vaart ........

Ds. Rietberg, de redacteur van „De Wachter" (het aantal kerkelijke bladen in 't midden van de Gereformeerde Kerken is legio !) komt óók met z'n protest aan 't adres van prof. Hepp :

„Het eenige wat prof. Hepp doen kan is: ds. Feenstra verdacht maken. Iets anders is dit niet. 't Is weer dezelfde methode van verdachtmaking. die prof. Hepp ook heeft toegepast in zijn bekende brochures.

En zooiets gebeurt dan nog na hetgeen onze Synode over de perspolemiek heeft gezegd !

Bij de bespreking van de perspolemiekconclusies heeft prof. Waterink op de Synode gezegd : „Als deze conclusies zonaer discussies worden aangenomen, zal dit een wonder van God zijn óf een oogenblik van groote tragiek". Als ik nu wéér zie — aldus ds. Rietberg — „hoe prof. Hepp schrijft, vrees ik, dat het op de Synode „een oogenblik van groote tragiek" geweest is.

'k Heb er reeds voor gevreesd, toen ik enkele weken geleden moest signaleeren, wat prof. Hepp schreef. Mijn vrees is nu toegenomen. Als het zóó moet doorgaan, zou 't beter geweest zijn, dat onze Synode de perspolemiek maar had laten rusten. Op deze wijze worden haar conclusies een bespotting.

Gelukkig zal — aldus ds. Rietberg — het optreden van prof. Hepp het vertrouwen in ds. Feenstra niet schokken. Bij onze lezers niet. En evenmin bij onze meisjes. Daarvoor kennen wij ds. Feenstra te goed".

EEN RECHT CHRISTELIJKE WANDEL (1)

Als Calvijn in het „Gulden Boekske over het Christelijk leven" schrijft over „de noodzakelijkheid van een recht christelijken wandel", dan zegt hij dat hij gaarne iets wil zeggen over het pad, waarlangs een Godvreezend mensch recht christelijk kan leven ; en hij wil aangeven een regel, waarnaar hij zijn doen en laten moet inrichten.

Het doel der wedergeboorte is : dat in het - leven der geloovigen een gehoorzaamheid gezien wordt, die de goddelijke gerechtigheid eischt, om daardoor te bevestigen dat wij tot  kinderen Gods zijn aangenomen. Dit nieuwe leven, deze herstelling van Gods beeld in ons, ligt wel in de onderwijzing Gods besloten,  maar onze natuurlijke traagheid betracht het zoo weinig en heeft daarom telkens aansporing en terechtwijzing noodig.

Daarom ook wil Calvijn voor hen, wien 't recht ernst is met hun bekeering, gaarne de voornaamste punten aangeven, waarnaar wij ons nieuw leven moeten inrichten en wij niet op een dwaalspoor geraken en te vergeefs arbeiden.

In onderscheiding van de wijsgeeren, die ; door eerzucht bezield, van de eene formuleering in de andere vallen, om het toch vooral maar mooi en duidelijk te zeggen, behandelt de Geest Gods de dingen niet zoo streng methodisch en zonder eenige gekunsteldheid.

De onderwijzing der Heilige Schrift, die we  hier bedoelen, berust voornamelijk op de volgende twee stellingen : 1. dat de lust tot gerechtigheid, waarvan wij van nature een afkeer hebben, in ons gemoed gewerkt wordt ; 2. dat zij ons een regel voorschrijft, die ons in het trachten naar gerechtigheid voor dwalen behoedt.

Het eerste wat ons op het hart gebonden  moet worden is, dat wij moeten geheiligd al worden, omdat onze God een heilig God is. Toen wij als verdoolde schapen door den n doolhof dezer wereld verspreid waren, heeft 't Hij Zelf ons weder rondom Zich verzameld en telkens als wij nu van de gemeenschap met God hooren spreken, moet de gedachte levendig bij ons zijn, dat heiligheid van hart de band dier Godsgemeenschap is. Niet, alsof die gemeenschap door onze heiligheid verdiend kan worden, maar omdat het strekt tot Zijne verheerlijking en Hij geen gemeenschap  kan hebben met onreinheid en ongerechtigheid. Daarom wijst de Schrift ons ook altijd op onze roeping in deze (Jac. 1 vers 21 ; 1 Petrus 2 vers 1—5). Want wat zou het voor zin hebben, dat Hij ons uit de onreinheid en  de besmetting der zonde, waarin wij verzonken waren, uittrok en ophief, als wij ons is mochten veroorloven telkens daarin weer terug te keeren en te leven ? Het zou immers doelloos zijn en wij zouden kunnen zeggen : laat ons maar in de zonde blijven !

Willen wij dus tot het volk van God gerekend worden, dan leert ons de Schrift, dat er een heilig, Hem gewijd volk moet wonen te Jeruzalem, dat door onreinheid zijner bewoners niet mag ontheiligd worden. Daarom heet het in Ps. 24 vers 3 v.v., dat zij zullen wonen in het huis Gods, die onbestraffelijk van wandel zijn en naar de gerechtigheid trachten. Want het is allerminst betamelijk, dat het heiligdom, waar Woord en Sacramenl gevonden wordt en waarin de Heere Zelf wonen wil in 't midden Zijns volks, als een stal met vuil gevuld is.

En om ons des te ernstiger aan te sporen, leert de Schrift, dat God de Vader in Zijn Gezalfde ons met Zich verzoend heeft en in Hem ons een beeld geteekend heeft, naar 't welk Hij wil, dat wij gevormd zullen worden. Rom. 6 vers 4 : „Wij zijn dan met Hem begraven door den doop in den dood, opdat, gelijk Christus uit'de dooden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zoo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen". 1 Petrus 2 vers 1—3 : „Zoo legt dan af alle kwaadwilligheid en alle bedrog en geveinsdheid en nijdigheid en alle kwaadsprekerij en wees als nieuwgeboren kinderkens zeer begeerig naar de onvervalschte melk des Woords, opdat gij daardoor moogt opwassen tot zaligheid, indien gij geproefd hebt, dat de Heere goedertieren is".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's