UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
Paulus' zending erkend door de apostelen te Jeruzalem, vers 1—10. (VI).
HOOFDSTUK II.
Paulus' zending erkend door de apostelen te Jeruzalem, vers 1—10. (VI).
Vervolg vers 6.
God neemt den persoon des menschen niet aan. De natuurlijke mensch kan dit niet begrijpen ; alleen de geestelijke mensch onderscheidt den persoon van het Woord, en het goddelijk schepsel van God zelf. Alle creatuur is echter schepsel Gods. En in dit leven handelt God niet met ons van aangezicht tot aangezicht, maar omhuld en schepselmatig, gelijk Paulus zegt in 1 Korinthe 13 vers 12 : „Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdaar zullen wij zien aangezicht tot aangezicht". Wij kunnen dus het schepselmatige niet missen, maar er is inzicht vereischt, om God van het schepsel te kunnen onderscheiden, hetgeen de wereld niet vermag.
Wanneer een gierigaard hoort, dat de mensch niet aheen bij brood leven zal, maar bij alle woord, dat uit den mond Gods uitgaat, dan eet hij niettemin gulzig zijn brood op, maar hij ontdekt er God niet in, omdat hij alleen maar let op het uitwendige. Evenzoo handelt hij met goud en andere dingen ; zoolang hij een en ander heeft, stelt hij er zijn vertrouwen in, doch krijgt hij gebrek, dan komt hij lot wanhoop. Zoo iemand eert en aanbidt niet den Schepper, maar het schepsel : niet God, maar zijn buik.
Ik zeg deze dingen, opdat gij niet meenen zoudt, dat Paulus den persoon en het schepselmalige absoluut verwerpt en veracht. Hij zegt namelijk niet, dat de persoon als zoodanig niet mag bestaan, maar dat God den persoon niet aanneemt. Personen en schepselen moeten er zijn ; God heeft ze trouwens zelf gemaakt als goede schepselen, maar we mogen ze niet vereeren en aanbidden. Gelijk ik al gezegd heb, ligt de bettekenis der dingen niet in de dingen zelf, maar in het gebruik, dat men er van maakt. Zoo ligt ook de fout niet in de besnijdenis of in de voorhuid, maar in de waardeering daarvan, want de besnijdenis en de voorhuid hebben op zichzelf geen beteekenis.
Op deze wijze zijn de overheidspersonen, de keizer, de koning, de vorst, de burgemeester, de doctor, de predikant, de leeraar, de leerling, de vader, de moeder, de kinderen, de heer en de knecht schepselen Gods oftewel personen, die door God als zoodanig erkend worden, en van wie Hij wil, dat ze in eere gehouden worden, aangezien ze tot dit leven behooren. Hij wil echter niet, dat we er eenige goddelijkheid aan toeschrijven, dat wil zeggen : ze vereeren en vreezen, en er zóó ons vertrouwen op zetten, dat wij Hem vergeten. Ten einde nu ons de? te gemakkelijker af te trekken van de bewondering van personen, laat God in hen zonden en struikelingen over, en wel zóó groote en schandelijke, dat deze ons aanmanen, wel onderscheid te maken tusschen 's menschen persoon en God zelf. Opdat David, de beste koning, niet voor iemand gehouden zou worden, waarop men z'n vertrouwen zou kunnen stellen, liet God hem in gruwelijke zonden vallen, zooals echtbreuk, doodslag enz.
De apostel Petrus verloochende den Christus. Dergelijke voorbeelden, waarvan de Schrift vol is, willen ons waarschuwen, om niet te hangen aan een persoon, en niet te meenen, dat we alles gewonnen hebben, wanneer we iemand op onze hand hebben.
Alle schepsel is door God gegeven tot nut en gebruik, niet tot vereering en afgoderij. Gebruik dus gerust brood, wijn, kleeding, bezittingen en goud ; maar vertrouw en beroem u er niet op. Want alleen in God zal men roemen, en op Hem alleen mag men z'n vertrouwen stellen. Hem alleen mag men beminnen, vreezen en eeren.
Met „aanzien des persoons" doelt Paulus hier op het apostolaat of op het ambt der apostelen, die ongetwijfeld vele wonderen gedaan, en menschen onderricht en tot bekeering gebracht hadden ; en met Christus hadden zij vertrouwelijk omgegaan. Het woord „persoon" omvat derhalve heel den uitwendigen wandel der apostelen, welke heilig was, als ook hun gezag, hetwelk algemeen erkend werd. Daaraan echter, zoo zegt de apostel, is God niets gelegen ; niet, dat God er in 't geheel geen acht op zou slaan, maar er is Hem niets aan gelegen, wanneer het gaat over de gerechtigheid, hoe groot en heerlijk genoemde zaken op zichzelf ook mogen zijn.
Laten wij er wel nauwlettend acht op geven, dat wij over de dingen theologisch heel anders spreken, dan politiek. Op staatkundig gebied wil God, gelijk ik gezegd heb, dat aan de personen, die daar de heerschappij hebben, als aan Zijn schepselen en instrumenten eer bewezen wordt, want door hen wordt de wereld geregeerd en in stand gehouden. Komt men echter op godsdienstig gebied, dan behoeft men niemand te vreezen, op niemand zijn vertrouwen te stellen, en van niemand troost te verwachten ; want men mag niet hopen, door een dergelijk vertrouwen lichamelijk of geestelijk vrij te kunnen worden.
Op grond van deze overwegingen wil God niet, dat in het gericht 's menschen persoon aangezien wordt ; want het gericht is Zijn zaak. Derhalve behoef ik den wereldlijken rechter niet te vreezen, noch lief te hebben ; doch mijn vreeze en toevoorzicht behoort gericht te zijn op God, die de ware rechter is. Weliswaar zal ik den wereldlijken rechter eeren, wijl deze schepsel Gods is ; doch ik mag niet op zijn gerechtigheid en rechtschapenheid mijn vertrouwen stellen en bouwen.
Insgelijks zou ik den paus kunnen eeren en zijn persoon hoogachten, wanneer hij mij in mijn geweten vrij liet, en mij niet dwong, tegen God te zondigen. Doch hij wil zóó gevreesd en geëerd worden, dat men de goddelijke majesteit beleedigt. Daarom worden wij op goddelijk bevel gedwongen, den paus te wederstaan, want er staat geschreven : „Men zal Gode meer gehoorzamen, dan de menschen" (Handelingen 5 vers 29).
De nadruk ligt dus op het woord „God". Want in het stuk der religie en wanneer het aankomt op Gods Woord, mag de persoon des menschen op geenerlei wijze in aanmerking genomen worden. Doch wanneer het niet over de religie en niet over God gaat, dan is er wel degelijk van aanzien des persoons sprake, en mag men den persoon ook wel aanzien, opdat er geen wanorde ontsta, en niet alle eerbied en orde worde weggenomen. Op bedoelde terreinen wil God namelijk orde, eeibied en onderscheid in personen. Voor Hem houdt echter alle onderscheid des persoons op, „want daar is noch Jood, noch Griek, doch allen zijn één in Christus" (Galaten 3 vers 28). Op wereldlijk gebied is dit echter anders.
Zoo weerlegt Paulus de argumenten der valsche apostelen over het gezag der apostelen, zeggende, dat zij ontijdig uitgesproken zijn, hier ook niets bewijzen, en derhalve niet ter zake dienen, aangezien het over heel wat belangrijker kwesties gaat dan het aanzien des persoons, namelijk over een goddelijke zaak, over God zelf, over Zijn Woord, als ook over de vraag, of dat Woord boven het apostelambt moet worden gesteld, of omgekeerd.
En hierop antwoordt de apostel : opdat de waarheid van het Evangelie blijve bestaan ; en opdat het Woord Gods en de rechtvaardigheid des geloofs onaangetast en rein bewaard blijve, — weg met het apostelschap ! weg met een engel uit den hemel ! en weg met Paulus en Petrus !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's