NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen)
34)
Was het wonder, dat de plechtige stilte inwerkte op het gemoed dier twee jonge menschen, die elkander bij name heel goed kenden, die in de kinderjaren met elkaar school gingen, die sindsdien elkander dikwijls zagen, doch om voor de rest nergens aan te denken, omdat er immers zooveel onderscheid en zulk een afstand tusschen hen was ?
Toen was opeens het gesprek gestaakt, 't Scheen een oogenblik, dat beiden geen woorden konden vinden en toch de een voor den ander van geen heengaan wist. 't Was zoo'n wonderlijk, onverklaarbaar oogenblik geweest, gelijk die er soms meer in een menschenleven kunnen voorkomen, maar die van oneindige gevolgen kunnen zijn. Nienke was de eerste, die tot de werkelijkheid terugkeerde. Plotseling kreeg zij groote haast, „'k Moet naar huis, hoor, m'n naaiwerk roept. Ze zullen wel zeggen : Wat ben je weer lang bij Pier Boukes op den tekst gewsest, en de man is doodonschuldig aan mijn uitblijven", sprak zij luchtig.
„Dan zal ik je tot aan huis brengen", klonk zijn antwoord, en de daad bij het woord voegend, gingen zij samen het kerkpad af, de dorpsstraat in, tot waar de woning van Gurbe Huitema stond. Nog even een kort nieuwtje, toen een groet van weerszijden, ook aan Mini, en toen wipte Nienke vlug naar binnen, terwijl Tjerk op zijn schreden terug keerde om straks den weg naar „Donia-state" weer in te slaan. Doch dit alles had niet plaats, zonder dat Hedwig Krips het gezien had. Dat was iets nieuws. Hedwig was er beduusd van. Had zij goed gekeken ? Maar het kon niet missen. Nienke herkende zij aan haar mantel, die nu zeker al drie jaar lang gedragen was, en de grijze wollen sjaal met pauweveersteek gebreid, die zij 's avonds, wanneer zij zoo even uitliep, veel droeg en waar ze zoo wijs mee was. Bovendien had Hedwig haar duidelijk aan de stem herkend. „Daag !" hoorde zij haar nog roepen, op dien eigenaardigen toon, die meer bij de stedeling paste, maar waardoor Nienke altijd de menschen voor zich wist in te nemen, veel meer dan zij daar erg in had. Even had Hedwig stil moeten staan, om daarover na te denken. Doch ook maar heel even, want het volgend oogenblik was Tjerk haar genaderd, om echter met een heel gewoon „'n avond" haar te passeeren, zonder haar verder een woord te gunnen. En dat, terwijl haar vader toch ook met boer Santema kerkvoogd was, en zij vroeger met Mini op dansles had gegaan en zich een heel enkele maal met Gabe en Maaike in gezelschap bevond. Als in den winter de „Krite" een tooneelstuk speelde, of het „Nut" een interessanten avond gaf, of de een of andere spullebaas voor een paar dagen in Zevenhuizen zijn tent kwam opslaan voor de een of andere voorstelling, of het harmoniecorps „Concordia" in „de Zwaan" een uitvoering gaf met natuurlijk : , Na afloop bal". Maar Tjerk was altijd iets anders dan Gabe en Maai. Als hij al naar die feestjes ging, was het gewoonlijk om achteraf 'n plaatsje te nemen bij de ouderen, en als het aan de groote pret toekwam, stiekum te verdwijnen. Tjerk kon niet dansen en als de meisjes er bij hem op aandrongen, kreeg hij een kleur of maakte zich met een grapje er af. „Zoo'n droogstoppel", had Theo, haar broer, laatst nog gezegd, toen hij weigerde voor den komenden winter een zeer bescheiden rol in een Friesch tooneelstuk te spelen, en Harm van den timmerman, die vroeger met Mini liep, maar sinds hij studeerde, zelden of nooit meer op „Donia-state" kwam, en, naar men zei, in de stad verkeering had, noemde Tjerk een vervelende kniesoor, die nergens over spreken kon dan over koeien en varkens en over de boeken die hij las, maar van welke hij niets hebben moest, omdat zij allen godsdienstig waren. Want baas Visser hoorde ook tot de fijnen en meende het zelfs zeer goed te weten, hoe het was en hoe het moest, maar sinds Harm veel in de stad verkeerde, moest deze niets van den godsdienst hebben en ging hij alleen naar de kerk, omdat „z'n oude heer" dat wilde, zooals hij zei.
Enfin, dat was zijn zaak ; maar nu die Tjerk met Nienke van den schoenmaker in donker een avondpraatje ! Natuurlijk zat daar wat achter. Wat hoefde hij anders bij haar staan praten. En dat, terwijl hij Hedwig voorbijging, alsof zij een wildvreemde was. Anders in 't geheel geen partuur. Tjerk van boer Santema, die zich altijd zoo voelde als eigenaar van een der grootste hofsteden uit Zevenhuizen met zoo'n roemruchte geschiedenis en die eigenlijk steeds uit de hoogte neerzag op alles, wat geen boer was — en de dochter van den schoenmaker ! En was dat nog maar zoo. Neen maar, als er tusschen die beiden wat bestond, dat zou wat worden. Wacht, daar kwam Annie de Bruin uit den winkel. Hedwig had niet veel gemeenschap met haar, want zij had haar onderwijs genoten op de openbare school, en meester De Bruin stond aan het hoofd van de bijzondere, maar zoo'n enkele maal, als het bloempjesdag voor het „Groene Kruis" was, of in den tijd, toen er voor de Belgen een onderdak moest komen, en de Hongaarsche kinderen ook de gastvrijheid van Zevenhuizen vroegen, zat zij met Annie in eenzelfde comité. „Daag ! Ook nog even een boodschapje gedaan ? Lekker weer, hè ? Zeg, raad eens, wie ik zoo juist echt knus bij elkaar heb zien staan praten. Je raadt het in geen drieën ! Tjerk Santema en Nienke !" „Tjerk van Donia-state ? Misschien zoo getroffen of een boodschapje bij Huitema gehad". „Neen, neen ; ze kwamen kalmpjes aanwandelen vanaf het kerkpad. 'k Jïad er eerst geen erg in, niet eerder dan toen zij voor de schoenmakerij staan bleven en ik in het licht van de lantaarn beiden duidelijk kon zien. En druk of ze het hadden ! Toen ze mij hoorden komen, was het natuurlijk afgeloopen en draafde Nienke handig naar binnen".
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's