De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

ARM - NOCHTHANS RIJK

10 minuten leestijd

Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven aan ellendig en arm volk: die zullen op den Naam des Heer en betrouwen. Zefanja 3 vers 12.

ARM - NOCHTANS RIJK

De profeet Zefanja leeft, naar wij in het begin van zijn profetie lezen, in de daaen van koning Josia. 't Is nog in den tijd vóórdat Josia de hervorming van den dienst des Heeren met kracht had aangevat. Daar was weinig meer te bespeuren van den waarachtigen dienst van Hem, die Israël altijd omringd had met Zijn groote liefde en trouw. Lees slechts het eerste hoofdstuk van Zefanja en ge weet genoeg.

Baäldienst, aanbidding van zon, maan en sterren — die vieren hoogtij, 't Is ook niet verwonderlijk. Josia was de kleinzoon van Manasse, de goddelooze koning, die zijn volk voorging in allerlei gruwelen. Zeker, Manasse was wel tot inkeer gekomen in den kerker te Babel, maar het volk liet de eenmaal geleerde practijken niet zoo gemakkelijk meer los. De zoon van Manasse, Amon, de vader van Josia, ging weer door met de afgoderij, gelijk Manasse eerst, en zoo kan het gebeuren dat Josia koning wordt over een volk, vervreemd van God.

En nu komt daar in die tijd een gezant van God, Zefanja. Een vlijmscherpe oordeelsprediking over het afgodische Juda is zijn boodschap. God zal, zoo zegt hij, een groote maaltijd aanrichten. De vijanden van Juda zijn de genoodigden en Juda zelf is het slachtoffer. Juda zal door des Heeren toedoen ! door de vijanden verslonden worden. Niemand verbeelde zich, dat hij wel ontkomen zal, want: „Ik zal Jeruzalem met lantaarnen doorzoeken. Ook zal dat tijdstip niet lang meer op zich laten wachten, want: „De groote dag des Heeren is nabij, hij is nabij en zeer haastende". Zullen dan allen omkomen ? Zal Juda geheel vernietigd worden ? Neen : „Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk : die zullen op den Naam des Heeren betrouwen". Het oordeel Gods is niet vernietiging, zonder meer, het is loutering. Bij het proces der loutering komt er veel aan den dag, dat zonder waarde is en weggeworpen wordt, maar er blijft tenslotte edel metaal over. Daarom komt de vraag naar voren : wie zal er nu weggeworpen worden, en wie zal overblijven ? En daarom maant Zefanja met groote klem tot zelfonderzoek: „Doorzoekt uzelven nauw, ja, doorzoekt nauw !" Het is, als hooren wij in de prediking van Zefanja reeds de stem van Johannes den Dooper: „Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorschvloer doorzuiveren en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusschelijk vuur verbranden".

Nu had dit woord, lezers, niet slechts beteekenis voor de tijdgenooten van Zefanja — neen, het heeft óók ons vandaag iets te zeggen, omdat het een eeuwigheidswoord is. „Ik zal in het midden van u doen overblijven'' — dat geldt ook de wereld, de gemeente van vandaag. Ja zeker, óók de gemeente." Wij plegen dikwijls te spreken over Gods oordeelen, die over de wereld gaan, maar ze gaan ook over ons, de gemeente van de nieuwe Bedeehng. Misschien moet ik wel zeggen: in de eerste plaats over ons, want lezen wij niet in den Bijbel, dat het oordeel zal beginnen van het huis Gods ! Laten. we daarom, lezers, maar niet te veel spreken over de wereld, die in het booze ligt, laten we er liever om denken, dat ook wijzelf in het booze liggen en dat de wan van den hemelschen Landman ook óns zal schudden. En laten wij dan, om ons levenswil, onszelf afvragen : zal ik overblijven, als de zeef geschud wordt óf — zal ik wegstuiven als kaf voor de wind ? Al te vaak houden wij ons met anderen bezig, oordeelen wij of zij „overgebleven" zijn — maar hoe staat het met onszelf ? Zijn we zelf wel „overgebleven", d.w.z. leerden we het zelf reeds om te vertrouwen op den Naam des Heeren alleen ? Dat kunt gij weten! Immers : hoedanig is dat overblijfsel, dat God door de loutering heen, doet overblijven ? Onze tekst zegt: het is een ellendig en arm volk. Voor „ellendig" staat in de grondtekst een woord, dat beteekent: wie geen eigen grondbezit heeft, wie niets heeft, wie nergens aanspraak op kan doen gelden. Voor „arm" staat in de grondtekst een woord, dat zeggen wil: iemand, die onderworpen is, een 'onderhoorige, een lijfeigene. Dat is het volk, hetwelk de Heere doet overblijven. Een volk, dat niets bezit en totaal onderworpen en afhankelijk is. Juda moest 't leeren, dat alles afgebroken moest worden, wat zij zich tot leunsels en steunsels hadden opgebouwd. Juda moest leeren, dat het tevergeefs was om te hopen op de bergen en heuvelen. Niet alleen Juda, ook wij moeten het leeren met ledige handen, niets meer van onszelf verwachtende, dat is de gestalte, waarin wij tot God moeten naderen. Wij kunnen alleen rijk worden in God, als wij arm worden in onszelven. En wie rijk is in zichzelven, is in wezen een doodarm schepsel, een verloren mensch. Gij ziet deze beide : die arm is in zichzelf en die rijk is in zichzelf zoo duidelijk geteekend in de gelijkenis van den Farizeër en den Tollenaar. De Farizeër schijnt rijk te zijn; nietwaar, hij kan God precies voorrekenen, wat hij allemaal voor goeds gedaan heeft : gevast, aalmoezen en tienden gegeven. Hij maakt zeker aanspraak op een góéde plaats in den hemel. Maar: deze rijke Farizeër is de armste der menschen, omdat hij Christus niet noodig heeft en Zijn gerechtigheid. De tollenaar daarentegen schijnt arm, want van alles, wat de Farizeër heeft opgesomd, bezit hij niets. Hij weet zich diep schuldig voor God, hij heeft niet, waar hij zich op beroemen kan, hij weet alleen, dat hij een arm zondaar is, een mensch, die zijn doel gemist heeft. Daarom staat hij van verre en durft zijn oogen niet tot God opheffen, hij kan alleen stamelen, met gebogen hoofd: „O God, wees mij zondaar genadig. Maar : deze arme tollenaar is toch schatrijk, want: deze ging af, gerechtvaardigd naar zijn huis.

Aan de vraag, of wij zijn „overgebleven" gaat derhalve eerst een andere vraag vooraf : of wij arm willen zijn in onszelven. Of wij voor den Heere willen komen met ledige handen. Zong Maria niet: Rijken heeft Hij ledig heengezonden, maar armen met goederen vervuld ? Wat zijn we dikwerf rijk in onszelven. Rijk in onze vroomheid vooral, zooals de Farizeër — terwijl het in den grond der zaak slechts lippentaal is. En alles wat wij bezitten, ook onze vroomheid, moet er af. Voor den Heere is alléén aangenaam de offerande van een verbroken hart en een verslagen geest. Die zal Hij niet verachten. Laten we vooral ook dit bedenken: die offerande van een verbroken hart en een verslagen geest moet telkens weer opnieuw gebracht worden, het heele leven door. Daar zijn altijd weer menschen, die zeggen en denken, dat het stuk der ellende maar één keer voorkomt, als een soort voorbereiding tot de bekeer ing. Als men dat achter den rug heeft, dan is men er voorgoed af. Niets is minder waar dan dat. Juist de mensch, die in Christus zijn gerechtigheid leerde zoeken, staat altijd weer als een ellendige voor zijn Heiland, als een, die zelf niets heeft. De geloovige is iemand, die niet slechts één keer, maar altijd weer opnieuw zijn zaligheid buiten zichzelf moet zoeken. Een ellendig en arm volk doet God overblijven.

En toch is het een rijk volk, dat zoo arm is in zichzelven. Onze tekst zegt van hen: „Zij zullen op den naam des Heeren vertrouwen". Daar staat in den grondtekst letterlijk : „zij zullen schuilen in den Naam des Heeren''. Ge zegt misschien : „wat is dat wonderlijk, men kan toch niet in een naam schuilen". Toch wel. Immers: de Naam des Heeren, dat is de openbaring, waarmee God Zich aan Zijn volk bekend heeft gemaakt. De Naam des Heeren, dat is : de-God-met-ons. Nog maar even geleden, op het Kerstfeest, hebben we dat wonder overdacht, dat God met ons was en is. In de stal van Bethlehem, daar maakt God Zich bekend, daar openbaart Hij Zich met den naam „Jezus" : Zaligmaker, Heilbrenger, Redder. Daar zien wij het in heerlijke klaarheid dat de Heere Immanuël is, God met ons. In den Naam des Heeren schuilen, op den Naam des Heeren betrouwen, dat wil in de taal van het Nieuwe Testament zeggen: „In Jezus Christus schuilen". Daarom zegt Hij ook: komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.

Een arm volk en toch rijk. Arm in zichzelf. Rijk in Christus. Lezer : zoekt gij met uw armoede uw rijkdom in Christus alleen ? Evenals in de dagen van Zefanja doet God bezoeking, ook over ons. En nauwkeurig : met lantaarnen. Ook u zal Hij vinden en hoe ? Nog rijk en verrijkt in uzelf ? Dan zijt ge verloren. Of — zal de Heere u vinden in de gestalte van den tollenaar, als een mensch met ledige handen? Hoor het: die zullen betrouwen op den Naam des Heeren, die zijn veilig in Christus.

Nu zegt ge misschien : „kon ik dat nu eens gelooven, dat ik veilig ben in Christus. Maar dat durf ik niet".

Zoudt ge, lezer, het werkelijk zoo graag gelooven ? Zijt ge daar werkelijk bezorgd over. Want — er is zooveel lippenvroomheid en lippen-bekommering — wat dus in den grond der zaak heelemaal geen vroomheid en bekommering is. De practijk van het leven wijst uit, dat juist degenen die het hardst en het meest spreken over hun ellende er het minst van voelen en met het hart verre van den Heere zijn. Maar wanneer gij daar werkelijk van verre staat, wetende, dat gij in uzelf niets bezit, met de begeerte in uw ziel, dat gij overkleed mocht worden met het kleed van Christus' gerechtigheid, dan komt de Heere nu tot u met de aanbieding Zijner genade. Hij noodigt u, juist u, uit, om weg te schuilen bij Christus. Ja maar, zegt ge, dat moet de Heilige Geest toch in mijn hart werken ? Zeker, maar ge vergeet, dat de Heilige Geest reeds bezig is in u te werken. Dat gij daar staat, van verre, als een hulpeloos mensch — is dat uw eigen werk ? Neen, het is het werk des Geestes. Maar het geloof in Christus moet ook door den Geest worden gewerkt ? zegt ge. Ongetwijfeld — maar : Geest en Woord gaan altijd samen. „Het geloof is uit het gehoor". Als daarom het Woord tot u komt, bij het lezen thuis, in Gods huis, of ook, zooals nu, in een meditatie — dan is dat een woord voor u, persoonlijk. Gelooft dan het Woord, dat door den Heiligen Geest tot u gebracht wordt, op welke wijze dan ook. De Catechismus zegt immers ook: Wij kunnen de gerechtigheid van Christus niet anders dan door het geloof aannemen. Dan zijt gij een kind van God. Niét door uw gelóóf, dat is slechts een middel. Maar door Hem, op Wien gij uw zaligheid in het geloof bouwt. Neem dan als een ellendige en arme de toevlucht tot Immanuël: Hij heeft immers gezegd : die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's