KERKELIJKE RONDSCHOUW
Kinderdoop verbond doop
ONZE VACATURES
Van de 1652 predikantsplaatsen in de Hervormde Kerk zijn er per 1 Jan. 1940 nog 234 vacant.
Hiervan kunnen als „onze" vacatures gerekend worden de volgende 37 : Otterloo, Lienden, Opheusden, Aalst, Nederhemert, Poederoijen, Zuilichem, Elburg en Hellouw in Gelderland.
's-Gravenhage (vac. ds. S. van Dorp), Ter Aar, Noorden, Bleskensgraaf, Papendrecht, Giessen-Nieuwkerk, Spijk, Gouderak, Schoonhoven, Noordeloos, Leerdam, Nieuwland, Schoonrewoerd, Zijderveld, Goedereede, Herkingen, Stellendam in Zuid-Holland.
Alkmaar (vac. ds. C. van Dop) in Noord- Holland.
Arnemuiden en Tholen in Zeeland.
Linschoten, Bunschoten, Eemnes-Binnen, Schalkwijk, Est (bij Geldermalsen) in Gelderland.
Daarle en Kampereiland in Dussen in Noord-Brabant. Overijssel.
Van deze 37 vacatures (op 1 Jan.) is intusschen Arnemuiden vervuld door de overkomst van ds. H. K. van Wingerden, van Melissant, welke laatste gemeente (bij Middelharnis) dus nu vacant is.
Noordeloos krijgt spoedig een eigen dominee door de overkomst van Cand. Harkema, en Goedereede door de komst van Candidaat Haring.
37 wordt dus 35, waarbij dan 1 Mei de vacature ds. Heijer van Vlaardingen komt, zoodat dan 35 weer 36 wordt.
Men ziet, dat er dus nog dominé's-gebrek is.
DE STRIJD OM DEN BIJBEL OP DE SCHOOL (9)
Mr. van der Brugghen handelde geenszins naar de beginselen van Groen, die eertijds ook door hem zelf beleden waren. Groen rook al lont, toen in de sluitingsrede door Van der Brugghen werd toegezegd eene regeling, waarbij niet zou worden afgeweken van het beginsel der gemengde school, waaraan, sedert 1806, de natie gehecht was. Maar, smart en verontwaardiging kenden geen grenzen, als door den vromen mr. Van der Brugghen, den vriend van Groen, die het zich een eer gerekend had deel te mogen hebben in den smaad der Anti-revolutionairen, den vriend van het Christelijk Onderwijs (Nijmegen), die Groen in zijn strijd tegen de verontchristelijking van 't onderwijs, krachtig had gesteund, een Ontwerp van Wet werd ingediend, dat in hoofdstrekking geheel overeenkwam met de Wet van Van Reenen, waartegen hij zelf zijn stem had verheven ! Het Ministerie, dat zijn ontstaan dankte aan de krachtige actie tegen de gemengde Staatsschool met haar valsch Christendom boven geloofsverdeeldheid, diende thans een zelfde Wet in, „waarin de natie werd vastgeklonken aan een school, waaruit alles, waarin de voorliefde van den Nederlander of Christen zou worden bespeurd, als verboden waar moest worden geweerd". (Groen).
Het was dezelfde Wet, in hoofdgedachte gelijk — eer nog scherper dan de vorige — tegen welke Groen en de zijnen zich hadden gericht. (Zie : Over het Ontwerp van Wet op het L.O., 's-Gravenhage 1857).
Geen schaduw of schijn van mogelijke splitsing der Openbare School naar gezindheden. 't Moest en het zou zijn en blijven : de gemengde school voor alle gezindheden.
Nu ook niet, als in de vorige Wet, „een eerbiediging van de godsdienstige begrippen der gezindheden, waartoe de schoolgaande kinderen behooren", maar : algeheele, absolute neutraliteit ! Al telt de school niets dan Israëiietische of Roomsche of Gereformeerde kinderen, toch is algeheele, absolute onzijdigheid geboden. Art. 23 zegt het onverbiddelijk ; „De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen of toe te laten, wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden".
Groen merkt hierbij op, dat de Wet enkel voor de leus, verder versierd was met het woord „Christelijk", als ze in hetzelfde artikel, waarin de volstrekte neutraliteit vastgelegd is, het onderwijs wil dienstbaar maken aan de opleiding der kinderen tot alle christelijke en maatschappelijke deugden".
Groen streed als een gewonde leeuw, om ons land voor een zoo heillooze regeling te bewaren ; en het is pijnlijk te lezen, hoe hij tegen zijn vriend Van der Brugghen moest strijden. In de brochure : „Over het Ontwerp" spreekt Groen over Van der Brugghen als den „impressionabelen man" en zegt o.a. : „De gestadigheid zijner ongestadigheid geeft te meer bewijs voor wat ik in de Tweede Kamer zeide : hij is een exceptioneel mensch en kan doen, wat in een ander onoprecht zou zijn, zonder onoprechtheid". Hij, de man, die zoo gemakkelijk van meening kon veranderen, „verloochende niet zekere luchthartigheid vroegere antecedenten" en als „renegaat der Christelijke partij en bondgenoot van Thorbecke" hielp hij een wet doorvoeren, waaronder ons volk tientallen jaren heeft gezucht en die een zee van rampen over ons land heeft uitgestort.
Pijnlijk conflict is het geweest. En mr. W. J. van Weideren baron Rengcrs zegt er dan ook in zijn Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland van 1849 tot 1891, 2de druk, 1907, deel I, blz. 159, dit van : „dat deze verklaring van Groen aangaande een Staatsman, die drie jaren terug als vertegenwoordiger van de Anti-revolutionaire richting, naast hem in het Parlement zitting had genomen, groote verbazing teweeg bracht".
De kennisneming van de Correspondentie in Groen's boek : Hoe de Onderwijswet van 1857 tot stand kwam, doet zien wat hitrer zielelijden hem door dezen loop der dingen werd berokkend. Nooit zijn wellicht in ons Parlement droever, bitterder, meewariger woorden gesproken dan die, welke Groen tot schreiens toe bewogen, met bloedend hart zijn vroegeren medestander toevoegde : „Uw organisatie van het openbaar schoolwezen is met de behoefte en het recht van alle gezindten, met het geloof der natie, met het volksgeweten, in strijd. Uwe volksschool neemt met het Kruis het Christendom weg. Vereenigt Jood en Christen in céne volksschool, zoodat gij ter wegneming van het kenmerkend-Christelijke verplicht zijt, en geeft dan die onchristelijke schoolgemeenschap den Christelijken titel — dit noem ik heiligschennis. Uwe Christelijke leus is een onzedelijk woordenspel, dat ontheiliging door heiligschennis verbloemt".
Over de verhouding van Groen tot Van der Brugghen handelen o. a. Nederlandsche Gedachten, deel I, 18 Aug. 1869—1 Nov. 1870. Ook zijn Studiën en Schetsen van Schoolwetherziening. Een apart stuk vinden we in Groen's „Antwoord aan Jhr. Mr. J. de Bosch Kemper", Den Haag 1857 ; en in zijn „Dupliek aan Jhr. de Bosch Kemper".
Groen tracht in deze geschriften te weerleggen de bewering van de Bosch Kernper. dat door hem ten onrechte eene Schoolwet in Christelijken zin van Van der Brugghen gewacht werd. Op grond van allerlei had men wel recht om die verwachting te koesteren, waarom de houding van Van der Brunghen juist zoo pijnlijk was voor Groen. Ook in de Correspondentie, die bijeengebracht is in : Hoe de Onderwijswet van 1857 tot stand kwam. blz. 204 e.a., komt dit punt telkens ter sprake.
(Wordt voortgezet.)
DE KINDERDOOP VERBOND DOOP (32)
Wormser waarschuwt telkens zoo ernstig, om toch niet af te glijden voor ons Christelijk geloof van de beloften Gods en dan sterkte en steun te zoeken in allerlei eigen ervaringen en gevoelens. „Er is in deze groot verschil" — zegt hij — „tusschen vele geloovigen van onze dagen en de Vaderen, die tijdens en kort na de reformatie hebben geleefd".
„Dat verschil heeft z'n oorsprong" — zegt hij — „in de tegenwoordige verwaarloozing van het genadeverbond, waardoor men zich thans bijna buiten staat gesteld heeft de Vaderen in de Belijdenis- en Liturgische Schriften te verstaan. En vele godvruchtigen zouden, indien ze zich vrij uitspraken, meer Baptistisch (en dus tegen den Kinderdoop) zijn, dan Gereformeerd".
In het 16de hoofdstuk handelt Wormser daarover nader. Hij zet boven dat hoofdstuk: „Baptistische opvattingen over Kerk en Doop".
We lezen daar : „Door langdurig gebrek aan onderwijs in de Kerk is de onkunde zeer groot. Tengevolge van grenzelooze onverschilligheid is grenzelooze verwarring ontstaan. Door de apostelen van het ongeloof is de Hervormde of Gereformeerde Kerk tot in haar fundamenten geschokt.
Maar van wie nu anders, dan van de geloovigen in haar midden, zal reformatie en herstel kunnen worden verwacht en behooren uit te gaan ? En zullen reformatie en herstel niet onmogelijk zijn, indien een groot gedeelte der geloovigen, zoowel van aanzienlijken als van geringen stand, eigenlijk in een Baptistische richting verkeert ?
„De Baptistische richting toch is uit haar aard anti-kerkelijk. Het wezenlijk begrip van Kerk is haar geheel onbekend ; zij kent slechts geloovige individuen, die elkander ontmoeten, en van welke zij zich een soort Kerk denkt ; zij spreekt van geloofsgemeenschap, maar niet van Kerk en staat als een secte tegenover de geheele Christenheid, tegenover de Kerk van alle plaatsen en van alle eeuwen."
Wormser, die deze strooming als heel gevaarlijk ziet en zuiver individualistisch noemt, voelde zoo goed dat dit de dood zou zijn voor den Kinderdoop, dewijl Gods genadeverbond totaal werd verwaarloosd en genegeerd en de aandacht alleen getrokken werd door het persoonlijk kiezen en beslissen in geloofszaken der volwassenen. De kinderen behooren dan niet tot de gemeente, en moeten als ze tot de jaren des onderscheids gekomen zijn, zelf beslissen of ze willen „toetreden en „aangenomen" willen worden, ja of neen.
Hij zegt dan ook: „Indien deze Baptistische redeneering waarheid bevat, dat de Kinderdoop onwettig en alleen de volwassen-doop, toegediend aan waarlijk wedergeborenen, geoorloofd is, dan is met uitzondering van eenige Baptisten, bijna de gansche Kerk van alle eeuwen en van alle plaatsen, ongedoopt gebleven ; dan moeten wij aannemen, dat de Heilige Geest, die haar tot onderwijzer en leidsman gegeven is, heeft toegelaten, dat zij bijna in haar geheel en voortdurend, omtrent zulk een belangrijke instelling heeft gedwaald. Alsdan behooren ook de thans bestaande Christelijke Kerkgenootschappen, en bepaaldelijk de Gereformeerde Kerk, hoe spoediger hoe beter te worden ontbonden en opgeheven en, te beginnen van de zuigelingen af, de nietwedergeborenen te worden terug geworpen in het heidendom."
„De Baptistische richting" (in de dagen van Calvijn was dat reeds de beweging, die zich tegenover de Reformatie stelde en meende dat men veel „geestelijker" was dan de hervormers en daarom ook „spiritualisten" werden genoemd, waarbij veelszins de genademiddelen werden geminacht), grondt zich, wat haar overtuigingen omtrent de Kerk betreft, niet op de voorwerpelijk geopenbaarde genade van God in Christus, maar op de in den mensch onderwerpelijk ontvangefie genade. Zoo stelt men dan in het midden der gemeente niet de bron, maar de daaruit afvloeiende beekjes tot hoofdzaak.
En in de plaats van het geloof van den mensch te doen steunen op Gods zegel, laat men integendeel Gods zegel steunen op hel geloof van den mensch ; en dat is een richting, die het kerkelijk leven ontbindt en de Kerk doet oplossen in eenheden van geloovigen".
Wormser wil hier niet gerekend worden tot de vijanden van een „bevindelijke" of „onderwerpelijke" waarheid, of iets dergelijks. Voor die beschuldigingen gaat hij, die mocht zeggen : „het leven is mij Christus" niet op zij. En daarom zegt hij dan ook :
„Daarom, en niet uit liefdeloosheid omtrent de bekrompen richting in de Geref. Kerk, heb ik deze bij de leer der vaderen met ernst bepaald, ten einde haar te doen gevoelen, dat zij.zich eigenlijk reeds op Baptistisch terrein bevindt ; dat zij de spraak der vaderen bijna niet meer verstaat ; en dat zij, indien zij oprecht zal zijn, zal moeten erkennen, dat zij zich met den Kinderdoop, vooral zooals de vaderen daarvan spreken, zeer verlegen gevoelt."
„En ik heb dit te meer gedaan, om te doen beseffen, dat, zoolang men in deze richting volhardt, de reiformatie onmogelijk zal zijn van een Kerk, voor welke men — ook-al zou zij niet door zoovele dwalingen en ongerechtigheden overstroomd zijn — toch geen hart zou hebben, omdat zij gegrond is op de geloovige erkenning door haar leden van het genadeverbond".
Dit zijn zulke beteekenisvolle, diepernstige woorden, ook voor onze dagen, waarin een gansch verkeerde Kerkbeschouwing gevonden wordt, dat we goed zullen doen acht te geven op 't geen hier door Wormser gezegd wordt.
(Wordt voortgezet).
DE NOODZAKELIJKHE1D VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (2)
Calvijn kan het niet goed vinden met de filosofen of wijsgeeren, die telkens over hun eigen formuleeringen struikelen en het dikwijls duisterder en moeilijker maken, dan dat zij licht ontsteken en helderheid van denken bevorderen. En — de ware rust en den vrede kunnen zij de wereld niet geven.
Zoo sporen zij wel aan tot deugd, maar zij hebben het altijd over de natuur zelve van den mensch, niet beseffende de diepte van ellende en de grootheid van de zware schuld ; niet wetende van de verlossing in en door Christus en de vernieuwing in en door de wedergeboorte.
„Als zij recht ernstig tot de deugd willen aansporen", aldus Calvijn, „voeren zij niets anders aan, dan dat men overeenkomstig de natuur moet leven. Maar de Schrift wijst met hare vermaningen ons de rechte bron, waar zij ons leert, welbehagelijk te wandelen voor Hem, die de Schepper en Heere van ons leven is. En als zij dan zegt, dat wij van den waren oorsprong en wet onzer schepping zijn afgeweken, gaat zij aldus voort : „Christus, door Wien wij met God verzoend zijn, is ons tot een voorbeeld gesteld, opdat wij in ons leven Zijn gestalte zouden uitdrukken".
Ja, zóó staat het voor den christ-geloovige ! Wanneer wij immers worden aangenomen tot kinderen Gods, onder beding, dat wij de gestalte van Christus moeten dragen, die de band uitmaakt van onze gemeenschap met den Vader, plegen wij dan niet ontrouw jegens onzen Schepper, ja, zweren wij niet onzen Heiland af, wanneer wij niet van ganscher harte de zonde verzaken, tegen den duivel en ons eigen vleesch vromelijk strijden en met lust en liefde ons toeleggen op de gerechtigheid, najagende de heiligmaking in Christus Jezus, onzen Heere ?
De Heilige Schrift vindt in al de weldaden Gods — en dus niet in al de deugden van onze menschelijke natuur, zooals de filosofen doen — en in alle leerstukken onzer zaligheid, die zij ons overal en altijd ordelijk voorlegt, redenen tot heilig en ernstig vermaan. Daar God zich, in Christus, een Vader aan ons betoond heeft, maken wij ons als Zijne kinderen, aan de grootste ondankbaarheid schuldig, als wij niet wederkeerig toonen Zijne kinderen te zijn in liefde en gehoorzaamheid.
En — zoo zegt Calvijn — „daar Christus ons gereinigd heeft in Zijn bloed, en ons die reiniging deelachtig maakt door den doop" (zoo zegt Calvijn) „mogen wij ons niet opnieuw met smetten bevlekken. Daar Hij ons in Zijn lichaam heeft ingelijfd moeten wij er ons zorgvuldig voor wachten .aan ons. Zijne medeleden, de minste smet of vlek te dulden. Daar Hij, die ons Hoofd is, ten hemel is gevaren, is het onze roeping al het aardsche te verzaken en alleen naar het hemelsche te trachten. Daar de Heilige Geest ons tot Zijn tempel heeft gewijd, moeten wij ons beijveren, dat Godes eer door ons worde groot gemaakt, en niet dulden, dat de zonde ons met hare smet bezoedele. Daar wij naar lichaam en ziel bestemd zijn voor de hemelsche onverderfelijkheid, voor de onverwelkbare kroon, moeten wij ijverig onze beste krachten aanwenden lichaam en ziel onbesmet te bewaren tot de toekomst des Heeren".
„Dit zijn", zoo betoogt Calvijn, „de belangrijkste redenen, die de Heilige Schrift aanvoert, voor een recht christelijken wandel, die men tevergeefs zoekt in de wijze léssen der filosofen dezer wereld. En dat komt, omdat die wijsgeeren bij het aansporen tot de deugd geen hooger standpunt kunnen bereiken, dan de natuurlijke waardigheid van den mensch".
En hoe zal nu een onvruchtbare en kwade boom goede vruchten voortbrengen ? Maar de goede boom is door God geplant, opdat hij goede vruchten voortbrenge. „Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uwe zielen kan zalig maken". Jac. 1 : 21.
PLAGERIJEN
Liberalen en Vrijzinnige-Hervormden zijn, in strijd met hun naam en hun leuzen, die van „verdraagzaamheid" en „ruimhartigheid" druipen, dikwijls kieinzielig en onmenschelijk onverdraagzaam en enghartig, plagerig en vervelend.
Onlangs hebben we dat berichtje uit de gemeente Oude en Nijehorne (Fr.) overgenomen, waarin stond, dat de vrijzinnige kerkvoogden den organist bevel of vrijheid gegeven hebben, om niet te spelen a's in de godsdienstoefening de orthodoxe dominé H. J. Pijnacker Hordijk voorgaat. Bij een vrijzinnig predikant hoort men het orgel wèl, maar bij een rechtzinnige prediking staakt de organist z'n werk en vertikt het te spelen !
Dat is diezelfde gemeente, waar de vrijzinnige kerkvoogden den ingang van de pastorie van ds. Pijnacker Hordijk met prikkeldraad lieten afzetten ! Het is daar „in staat van oorlog" !
Dat is diezelfde gemeente, waar de vrijzinnige kerkeraadsleden eenvoudig niet in de kerk komen als er dienst is en het werk saboteeren.
Daarnaast staat nu het geval Wommels (Ring Bolsward, Classis Franeker). Wij herinneren ons, dat daar onze vriend Jan Ankerman stond als rechtzinnig predikant, later mr. Ankerman en lid van de Tweede Kamer (C. H.). Daarna is Wommels vrijzinnig geworden en nu is Wommels weer rechtzinnig. Alles is in orde om een dominé te beroepen. Maar de vrijzinnige kerkvoogden weigeren de goedgekeurde ligger te teekenen en maken daardoor (zoo lang als het duurt) het beroepingswerk onmogelijk.
Nu voelt ieder, die der zake kundig is, dadelijk „waar de schoen wringt" bij de kwestie Wommels. „Links verdubbelt haar aanvallen op de Classis Franeker", omdat zij wel weten, dat hier een en ander op het spel staat — ook in verband met de afvaardiging naar de Synode — en „nu schijnen alle middelen geoorloofd". Wommels is hiervan nu de dupe.
Wij hopen, dat die plagerij van de vrijzinnige kerkvoogden spoedig 'n einde zal nemen. Een en ander kan intusschen medewerken, dat de band tusschen Bestuur en Beheer op het onverwachts wordt doorgesneden en dat het Bestuur (Synode, Provinc. Kerkbestuur, Class. Bestuur en Kerkeraad) het Beheer (nu in handen van kerkvoogden en notabelen) in „eigen beheer" neemt.
De eerste stappen heeft de Synode van 1939 reeds gedaan en het kon wel eens ongedacht vlug tot een beslissing komen. Dat hebben de kerkvoogden dan aan hun plagerijen te danken !
NIEUWE GEMEENTEN
Zoo nu en dan lezen we van een nieuwe Hervormde Gemeente, die gesticht is. Enkele jaren terug is Emmer-Compascuum, in Drenthe (Ring Emmen) een zelfstandige gemeente geworden, mee door het uitnemende werk van den kleinen, dapperen evangelist Braak Hekke. Nu is Emmer-Erfscheiderveen ook vlak bij Emmen, in Drenthe, aan de beurt. Gelijk onlangs Elim., bij Hollandscheveld, in Drenthe, een eigen predikant kreeg (waarbij de naam van wijlen ds. J. Kooiman niet mag worden verzwegen). En nu is Twijzelerheide op Nieuwjaarsdag, als een zelfstandige gemeente tot openbaring gekomen. De ouderlingen en diakenen zijn toen in hun ambt bevestigd door den consulent ds. D. Hokwerda van Kollumerzwaag (Classis Dokkum, Fr.).
Het bericht daaromtrent meldt, dat de heer Koelstra Oudejaarsavond afscheid genomen heeft als evangelist, sprekend over Ezra 6 : 2. Hij gaf een overzicht van zijn arbeid en den groei der gemeente sedert hij er vóór 17 1/2 jaar zijn intrede gedaan had en hij kon met vreugde getuigen, dat nu deze evangelisatiepost uitgegroeid was tot een zelfstandige gemeente. De heer Koelstra is nu (automatisch) hulpprediker geworden ; zooals dat vroeger ook, volgens bepalingen van het Reglement, te Emmer-Compascuum is geschied.
Dat er nog vele „Evangelisatieposten" den zelfden weg mogen gaan! We moeten naar de Kerk toe werken !!
CHRISTELIJK-HUMANISME
Deze woorden worden nog al eens gebruikt in onze dagen. Vooral in verband met de Openbare Scnool.
Er ligt een tijd achter ons van rationalisme, van rationalistisch-humanisme. De Openbare School zou en moest neutraal zijn. Het verstand moest op den troon. Nog herinnert de schrijver van dit artikeltje zich, dat hij, opgleid voor onderwijzer aan een Openbare Normaalschool, een opstel moest maken over Opzoomer's leus : „Goed onderwijs sluit de gevangenis".
Goed onderwijs — dat was dan onderwijs, dat zich uitsluitend richtte op de verstandelijke ontwikkeling. Deze leus heeft afgedaan. Er is schier niemand meer, die haar wenscht te gebruiken, omdat de practijk bewezen heeft dat ze faalde. De gevangenissen werden al voller en voller. De kennis, de intellectueele kennis nam toe, maar ze ging óm buiten het hart van den mensch, die — een zondaar is.
Toen kregen we als leus : humanisme. Dat zou de ware redding brengen. Het Openbaar Onderwijs kwam te staan in dit teeken. Vooral na den wereldoorlog van 25 jaar terug, deed deze leus opgang. Maar ze faalde. Ondanks de roep naar humanistisch onderwijs, gaat de wereld, indien God het niet verhoedt, ónder.
Thans zijn we een nieuwe periode begonnen. Overal spreekt men van Christelijk-humanisme. Men wenscht blijkbaar het humanisme een grondslag te geven, door de bijvoeging „Christelijk".
We voorspellen, dat ook deze grondslag, deze leus, voor het onderwijs op een fiasco zal uitloopen. Ook hier staat de mensch en zijn zedelijke ontwikkeling in het middelpunt. En nu verheugen we er ons over, dat men tracht op hooger plan te komen, maar nóg eens : dit kan niet gelukken, tenzij men komt tot de erkenning van Jezus Christus, den Zaligmaker der wereld. Hij alleen kan redding geven, ook in onze benarde tijden.
Indien men dit wenscht, welnu, dan richte men vrije scholen op, die het Christelijkhumanisme als opvoedings-ideaal stellen, maar men gebruike daar niet voor de Openbare School.
Voorheen sprak men wel eens over de Openbare School als secte-school der modernen. Het werd kwalijk genomen. Immers deze school was en moest zijn neutraal, zelfs niet alleen godsdienstig-neutraal, maar ook politiek-neutraal ; in alles neutraal, heelemaal neutraal.
Thans lijkt het inderdaad, alsof met de nieuwe beweging voor het Christelijk-humanisme de tijd aanbreekt, dat inderdaad de Openbare School een moderne secte-school zal worden.
Tegenover deze leus blijven we als voorstanders van het Christelijk-Nationaal Onderwijs handhaven de oude beproefde grondslag: „Jezus Christus, de Zaligmaker der wereld". Gods Woord wijst de eenige weg. We hebben, wandelende in die paden, het woord humanisme niet noodig ! Voldoende is waarlijk Christelijk Onderwijs op Scholen met den Bijbel. Daar willen wij, met Gods hulp, onze gedoopte kinderen opvoeden in Christelijken geest, en dan wel naar den eisch van den Christus der Schriften, Die ook nu nog altijd zegt : „Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk der hemelen".
Voor onze kinderen is noodig — en voor de kinderen niet alléén — dat ze kennen Jezus Christus, die kwam om door Zijn lijden en sterven de verzoening tot stand te brengen, den vrede te geven aan verloren zondaren. „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt". Daarom blijven we strijden voor de vrije. Christelijke School, de School met den Bijbel.
[De Unie : twee-maandelijksch blad ter bevordering van den bloei van de School met den Bijbel. Deo. '39. Sweelinckstraal 39, Den Haag.]
ACTÜEEL PREEKEN
Voor de dominees komt bij 't begin van het jaar weer de vraag op van de prediking — en natuurlijk niet minder voor de gemeente. Maar de dominees moeten hier leiding geven, de beslissing nemen : wat ze zullen preeken. Als de groote, lange lijst op tafel gelegd wordt en de 52 Zondagen, met de feestdagen ; de morgen- en de avondbeurten, met vrije stof en Catechismusprediking, als 't ware voor ons liggen uitgespreid, dan komt onwillekeurig de vraag op : Wat zal ik preeken ? De Catechismusprediking volgt „van zelf" ; dat wil zeggen, de lijst geeft aan wanneer de 1ste en wanneer de 2de Zondagsafd. moet worden „behandeld", enz.; maar geeft de lijst de volgorde aan, daarmee is de preek nog niet klaar. Ja, er liggen wel preeken, een heel stapeltje Catechismuspreeken ligt er, maar 't gebruiken van een oude preek valt niet mee, noch voor den prediker, noch voor de hoorders. Voor veel dominees zal de practijk wel zijn, dat oude preeken nooit weer gebruikt worden. Het is veel „fijner", de stof heelemaal „nieuw" te behandelen. Een oude preek is niet veel meer waard. Maar dan komt de vraag : hoe behandel ik den Catechismus voor de 20ste maal ?
't Is al weer lang geleden, dat we een eenvoudige enquête instelden bij onze prediking naar de bronnen, die men voor de Catechismusprediking zooal gebruikt. Oudere predikanten hebben toen niet geantwoord ; hebben die geen bronnen ? In elk geval hebben ze niet geantwoord. Jongere predikanten — ook wel die dichter bij de ouderen, dan bij de jongeren staan — hebben wèl geantwoord ; en we vonden het fijn, als men berichtte : de eerste keer heb ik dit boek als hoofdbron, de volgende keer dat boek als hoofdcommentaar gebruikt en daarna dit en toen dat, enz. Gelukkig, dat voor de Catechismusprediking „oude en niéuwe schatkamers" niet ontbreken. De Catechismusprediking kan zoo mooi , actueel" zijn, in den zin van : meeleven met den tijd, met het wereldgebeuren, met wat ons allen 't meest bezig houdt, met vragen en moeilijkheden, die jongeren en ouderen vasthouden. En dat is van de grootste beteekenis. Daarom actueel preeken, in den zin van „passend bij en bedoeld voor en geschikt voor den tegenwoordigen tijd". Zóó, dat onze preeken „levende beteekenis hebben voor onzen tijd, waarin wij leven". (Dr. C. Bouma : Calv. Weekblad). Dat is niet allerlei nieuwtjes op den preekstoel brengen. Dan wordt de kansel verlaagd en de bediening des Woords ontadeld. Daarom hebben wij er ook zoo'n schrikkelijke afkeer van, als er dominees zijn, die hun preeken aankondigen te voren met de zotste en de bespottelijkste, met de vreemdste en de meest idiote opschriften en titels. Dat zijn succes-jagers die op den preekstoel niet thuis hooren.
Ook bedoelen we niet z.g.n. „tijd-reden" te houden. Zijn onze „gewone" preeken niet voor dezen tijd geschikt en bestemd ? En moeten we onze kracht zoeken in allerlei buitenissigheden, waarbij de menschen zitten te sidderen en te beven, of — te lachen ? Dien weg moet het niet op.
De preek, die voor dezen tijd bedoeld is, zal dan ook de taal van dezen tijd moeten hebben. En de prediker zal de menschen van zijn tijd moeten kennen in hun moeiten en strijdvragen. De preek moet midden in het leven staan, waarom de prediker aan het leven, met al de werkelijkheden, geestelijk, religieus, kerkelijk, huiselijk, maatschappelijk, enz. enz. niet vreemd mag zijn. Dan zal hel Woord bediend worden, want het Woord is voor het leven, zoo echt voor het leven ; zóó echt voor dezen tijd, alsof het in dezen tijd geschreven is. En dan zal Jezus Christus midden in de prediking staan, waarbij 't leven alleen maar kan wèl varen. De bediening des Woords midden in het leven. Jezus Christus midden in het leven.
En daar roept het kerkelijk jaar ons toe. Met Kerstfeest begint dat. Dat is de opening, het begin van het kerkelijk jaar. Met Kerstfeest gaan we naar Oudejaarsavond. Het nieuwe jaar met Jezus Christus in Zijn jeugd. Zijn tempelgang. Zijn doop. Zijn verzoeking, Zijn spreken en leeren. Zijn wonderen en teekenen doen ; Zijn lijden en sterven ; Zijn opstanding en hemelvaart ; Zijn zitten ter rechterhand Gods en Zijn komst ten oordeel. Zijn Kerk, in strekking en groei, in liefde en twist, in voor- en tegenspoed, in vervolging en angst, en alles overschaduwd met de droeve woorden : „in de wereld zult gij verdrukking hebben", „de dienstknecht is niet meer dan zijn Meester". Maar óók verlicht met : „Ik ben met ulieden tot aan de voleinding der wereld" ; „de poorten der hel zullen Mijn gemeente niet overweldigen".
Dan gaat het er om, om te komen tot het geloof in Christus, want die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is, op die blijft de toorn Gods". Dan bedoelt de prediking te sterken in het geloof, met gebed en dankzegging levend voor Gods aangezicht. Dan gaat het om te strijden den goeden strijd des geloofs en te volharden ten einde toe. Dan gaat het in de prediking, om Zijn Naam te belijden op alle terrein des levens en Zijn eer te mogen bedoelen overal. Dan zien we de Kerk op den rotssteen, die nooit bezwijkt. Dan zien we uit naar den Rechter, die staat te komen op de wolken. Dan wordt er gehoord, als naklank op de prediking : „Kom, Heere Jezus, ja, kom haastiglijk".
En zoo wandelt de prediker het kerkelijk jaar door met de behandeling èn van de vrije stoffen èn van den Catechismus.
Waarbij gebed en studie de voorwaarden zijn, om als een goed dienstknecht des Heeren oude en nieuwe schatten te mogen voortbrengen uit dat Boek der boeken, uit den Bijbel, uit Gods Woord, dat blijft tot in eeuwigheid en nooit een duimbreed wijken zal Ie midden van al het wereldgebeuren, waar wij en onze kinderen, waar wij van geslacht op geslacht, midden in staan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's