De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zoo weinig mogelijk troost

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zoo weinig mogelijk troost

10 minuten leestijd

„Er zijn ook zeer veel menschen, die Gods barmhartigheid zóó opvatten, dat ze daaruit zoo weinig mogelijk troost ontvangen". Calvijn.

In de profetieën van Ezechiël staat een eigenaardige vraag.

Deze : " Waar is de pleistering, waarmede gij gepleisterd hebt ? "

Deze vraag werd gericht tot de valsche profeten. De Heere vergelijkt hen met menschen die inplaats van een steenen wand tot beschutting te bouwen, meenen met een leemen wand te kunnen volstaan. En als de eene valsche profeet dien leemen wand gebouwd heeft, dan komt een andere valsche profeet en bepleistert dien met looze kalk. Oogenschijnlijk is deze wankele leemen wand dan gelijk aan een, die van stevige steenen is opgetrokken. Ezechiël krijgt echter deze opdracht : „Zeg tot degenen, die met looze kalk pleisteren, dat die wand omvallen zal ; er zat een overstelpende piasregen zijn ; en gij, o groote hagelsteenen ! zult vallen en een groote stormwind zal hem splijten. Ziet, als die wand zal gevallen zijn, zal dan niet tot u gezegd worden : Waar is de pleistering, waarmede gij gepleisterd hebt ? "

Pleisteren met looze kalk, daarmede hield Calvijn zich niet op. En b v. zijn institutie heeft niets, maar dan ook niets, wat aan loos pleisterwerk doet denken. Wat is het jammer, dat dit kostelijk vers van een grooten reformator nog veel te weinig bekend is. Meer geprezen dan gelezen. Hoe nuttig zou net zijn, wanneer aan dit boekwerk ook op onze Vereenigingen en Afdeelingen de aandacht werd geschonken, welke het verdiend. Zoo kan het regelmatig voorlezen van eenige bladzijden, gepaard gaande met een inleiding over het gelezene, een opbouwende, vruchtbare en vernederende bespreking tengevolge hebben. In deze machtige uiteenzetting der zuivere Waarheid zien wij Calvijn als het ware staan met in de eene hand de troffel en in de andere hand het zwaard. De troffel waarmede hij, onder Gods zegen, de gemeente des Heeren tracht op te bouwen, en het zwaard, waarmede hij pal staat voor de verdediging der Waarheid.

Daarom, wanneer men van tijd tot tijd, 't zij als Afdeeling, Vereeniging of persoonlijk zich nederzet aan de voeten van Calvijn, dan heeft men een betere plaats dan Saulus indertijd had aan de voeten van Gamaliël.

Alleen moeten wij er ons voor wachten, dat wij ons als leerlingen van Calvijn niet gaan beschouwen als degenen, die Gods Waarheid in pacht hebben, om dan met een houding als der farizeers te zeggen : „wij, Calvinisten dat wij door het onderwijs van Calvijn geleid mogen worden aan de voeten van Christus, den Leermeester bij uitnemendheid.

Een ander gevaar is dat wij, wat Calvijn ons leert, niet zouden toetsen aan de tegenwoordige Schriftverklaring en opvatting over de practijk van het geestelijk leven. Het gevaar is niet denkbeeldig dat  een bepaalde groep of een bepaalde ricnting zich op een voetstuk zou plaatsen en ten opzichte van anderen zou zeggen : „dat is de schare, die de zuivere Waarneid Gods niet kent, maar wij ....."

Laten wij daarom onze eigen gebreken en afwijkingen (want die zijn er ook) niet voorbijzien, doch trachten ook uit hetgeen Calvijn ons leert, de lessen te halen, waarmede wij ons voordeel kunnen doen. En dan niet elkander onderlinge verwijten doen, doch den ander uitnemender achtende dan zichzelven, gezamenlijk onderzoeken of er misschien ook bij ons een schadelijke weg is, die niet geheel overeenstemt met 't geen de reformatoren, in den bloeitijd der Christelijke Kerk, op grond van Gods Woord hebben geleerd.

Zoo is ook het gedeelte van Calvijn's Institutie, waarin bovenstaande zinsnede voorkomt, alleszins behartigenswaardig.

„Er zijn" - zoo zegt hij b.v, -  „ook zeer veel menschen die Gods barmliartigheid zoo opvatten, dat zij daardoor zoo weinig mogelijk troost ontvangen. Want zij worden tegelijkertijd door een ellendige angstigheid gekweld, doordat ze twijfelen of Hij hun barmhartig zal zijn ; want juist die goedertierenheid, waarvan zij meenen volkomen overtuigd te zijn, sluiten zij in binnen al te nauwe grenzen. Immers zij overleggen zoo bij zichzelf, dat die goedertierenheid wel groot is en overvloedig uitgestort is over velen en voor allen beschikbaar en bereid, maar dat het onzeker is of zij ook tot hen zal komen, of liever of zij tot haar zullen komen. De gedachte is, daar zij midden in haar loop blijft stilstaan, slechts half. Geheel anders is het besef van volledigheid, welke aan het geloof in de Schrift altijd wordt toegekend, n.l. het besef dat Gods goedheid, wanneer die ons duidelijk voor oogen gesteld wordt, buiten allen twijfel stelt".

„Nu komt men tot dit persoonlijk geloof in Gods beloften", zegt Calvijn, „niet zonder heftigen strijd. En vooral wanneer het er op aankomt, openbaart ieders wankeling de fout die verborgen was. Gods Geest wil echter deze ziekte genezen, opdat God in Zijn beloften het volle geloof bij ons krijge. God verwijt ons zijdelings in het aanprijzen van Zijn Woord, onze ongeloovigheid, want God wil de verkeerde twijfelingen uit onze harten uitroeien".

Calvijn bedoelt echter geen zekerheid, die door geen enkele twijfeling geraakt wordt en niet een gerustheid, die door geen enkele bekommerdheid wordt aangevallen. Veeleer, zegt hij, hebben de geloovigen een voortdurende strijd met hun eigen gebrek aan vertrouwen. Maar zij toornen op hun eigen ongeloovigheid. Als voorbeeld noemt hij David, die zijn ziel vermaant tot wederkeer tot hare rust, wanneer David zegt : „Wat buigt gij u neder, o mijn ziel en wat zijt ge onrustig in mij ; hoop op God". Daarom getuigt Calvijn:

„Wie met zijn eigen zwakheden strijdend, in zijn angsten zich richt tot het geloof, is reeds grootendeels overwinnaar. Daarom mishaagt een oprecht geloovige zichzelf in zijn gebreken en streeft met inspanning naar verbetering. Immers van dien strijd des geloofs is dit altijd het einde, dat het geloof zich aan die moeilijkheden, waardoor het omgeven wordt en zoo in gevaar schijnt te verkeeren, ten slotte ontworstelt."

Calvijn ontkent dus geenszins de twijfeling, bekommerdheid, het klein- en ongeloof, welke er bij de geloovigen kan zijn.

Maar .....   hij beschouwt dit als een ziekte en zegt ; „Gods Geest wil deze ziekte genezen, opdat God en Zijne beloften het volle geloof bij ons krijgen.

Dat telkens opwekken tot geloof, zonder daarbij met looze kalk te pleisteren, dat is net wat Calvijns prediking wel eens onderscheidt van de prediking welke hier en daar wel eens beluisterd wordt.

Een beeld moge de bedoeling verduidelijken

Laten wij daarom even het beeld van de ziekte vasthouden. En stellen wij Calvijn dan voor als geneesneer aan het bed van een zieke. Waarbij wij dan tegelijkertijd denken aan iemand, die door twijfeling, klein- en/of ongeloof, enz. bestreden wordt..

Voorts veronderstellen wij dat in diezelfde ziekenkamer nog een tweede geneesheer aanwezig is. Waarbij wij dan denken aan iemand die zegt het met Calvijn eens te zijn, maar die toch niet geheel in diens voetstappen loopt, doen afwijkt van de reformatoriscne, Schriftuurlijke gedachte.

Welnu, Calvijn zegt, nadat hij den zieke ondervraagd en onderzocht heeft : die twijfel, dat klein- en ongeloof, die bekommering, is een openbaring van ziekte. En wel van een ziekte waarvan uzelf alleen en geheel de oorzaak zijt. Ik noch iemand anders kan u genezen. Dat kan in den weg van schuldbelijdenis alleen door Gods Geest uit genade plaats vinden. Maar Gods Geest wil deze geestelijke ziekte genezen, opdat God en Zijn beloften het volle geloof bij u krijgen. Verwacht het daarom van niemand en niets, doch van de genadige werking van Gods Geest alleen.

Alvorens verder te spreken treedt Calvijn even terug om zijn mede-geneesheer gelegenlieid te geven ook een onderzoek in te stellen. Ook deze constateert de krankheid en hij komt tot precies dezelfde conclusie wat den aard der ziekte betreft. Ook hij zegt dat niemand anders hem kan genezen dan alleen Gods Geest en dat dit gepaard zal moeten gaan met schuldbelijdenis. Bid om genezing, zoo voegt hij den kranke tenslotte toe, en vergeet nooit dat u zichzelf niet kunt genezen, maar dat alleen Gods Geest dit kan.

Het valt op dat hij niet zegt, zooals Calvijn: God Geest wil deze geestelijke ziekte genezen, opdat God en Zijn beloften het volle geloof bij u krijgen. Om het zóó positief te zeggen, daar deinst Calvijn's mede-geneesheer in deze ziekenkamer toch voor terug.

Intusschen heeft hij Calvijn gegroet en heeft de deur reeds bereikt, doch daar schiet hem op het laatste oogenblik nog iets te binnen. Het is waar, hij heeft het bij kranken wel eens héélemaal vergeten, doch nu dacht hij er toch nog even aan, misschien doordat Calvijn ook aanwezig was. Vluchtig haalt hij uit zijn zak een geneesmiddel. Hij zet het bij den zieke neer, doch zegt er uitdrukkelijk bij, dat hij dit geneesmiddel hier nog even neerzet, omdat volgens de Hoogere School voor geneeskunde nu eenmaal een geneesmiddel moet worden voorgeschreven. Doch in vertrouwen gezegd, u moet als kranke daar maar niet te veel waarde aan hechten. Want als God u niet geneest, dan helpt dit middel toch niet en wanneer God u wil genezen, dan eerst kan dit middel misschien nog dienstig zijn. Ik kan u maar één raad geven : bid of God u wil genezen en wacht het verder af.

De geneesheer vertrekt.

De kranke beziet het doosje met geneesmiddelen („aanbieding des Evangelies" staat er op)), doch gedachtig aan de woorden van den geneesheer, stopt hij het zorgvuldig in een lade weg. Misschien komt het later nog eens van pas, maar voorloopig maakt hij er geen gebruik van. Immers op zichzelf werken ze toch niets uit. Hij bidt om genezing en in den grond van zijn hart leeft de gedachte : als God zoo gewillig was om mij te genezen als dat ik de begeerte heb om genezen te zijn, dan ......

En intusschen doet de doodelijke krankheid, die ongeloof heet, haar afbrekend werk en de geneesmiddelen blijven onaangetast. Na het vertrek van den geneesheer is Calvijn nader getreden. Verwonderd vraagt hij den zieke wat hij met het geneesmiddel gedaan heeft en haalt het weer uit de lade te voorschijn. Dit is juist het middel, zegt hij, dat voor uw genezing onmisbaar is. En terwijl Calvijn dit zegt, schrijft hij met groote letters op het etiket, waar reeds „Aanbieding des Evangelies" op stond : „Geloof in den Heere Jezus en gij zult gezond (zalig) worden. Maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal de gezondheid (het leven) niet zien, maar de krankheid (de toorn Gods) blijft op hem."

De reformator gaat over dit geneesmiddel met den kranke spreken. Hij wijst er op voor hoevelen het reeds onder Gods zegen een middel mocht zijn om van dezelfde ziekte als de kranke heeft, genezen te worden. En daarom, zoo luidt de dringende raad van Calvijn, gebruikt dit middel dagelijks en in het volste vertrouwen en oefen u (oefeningen des geloofs) regelmatig, om zoo langzamerhand weer op de been te komen en vruchtdragend werk te kunnen verrichten. Dit geneesmiddel is door de Goddelijke Wijsheid toebereid, zoo zegt hij verder. Hóé het precies werkt, weet ik ook niet, maar dat het werkt weet ik zeker en ik kan het dan ook als volkomen geneeskrachtig aanbevelen. Gebruik het biddend.

Maar weet één ding, n.l. dat het voor uw verantwoording ligt als u door verwerping van dit middel zoudt sterven. Vergeet echter ook niet, dat wanneer het biddend gebruik er van door Gods genade zal blijken zegenrijke gevolgen te hebben, dat zoowel de aanbieding als de aanvaarding van het middel, allèèn, maar dan ook allèèn te danken is aan Gods eeuwig welbehagen. Opdat uw genezing deze vrucht afwerpe, dat ge belijdt: Gode alleen de eer.

Zouden er nog geen geneesheeren zijn, die vaak óf heelemaal vergelen het geneesmiddel af te geven óf wanneer het nog op het laatste moment gebeurt, het zóó doen, dat het als iets zeer bijkomstigs wordt beschouwd?

Met andere woorden : die een prediking brengen zonder Blijde Boodschap, met zoo weinig mogelijk troost.

En zijn er ook niet veel menschen, die zooals Calvijn zegt, Gods barmhartigheid zoo opvatten, dat ze daaruit zoo weinig mogelijk troost ontvangen ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Zoo weinig mogelijk troost

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's