UIT DE HISTORIE
LUTHERS VERKLARING
Paulus' zending erkend door de apostelen te Jeruzalem, vers 1—10. (VII).Want die geacht waren, hebben mij niets toegebracht, slot vers 6.
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
HOOFDSTUK II.
Het is, als wil Paulus zeggen : ik heb met de apostelen niet onderhandeld, opdat zij mij wat zouden leeren. Wat zouden zij mij nog kunnen leeren ? Christus toch heeft mij genoegzaam, door Zich aan mij te openbaren, in alles onderricht. Vervolgens heb ik reeds 18 jaren onder de heidenen het Evangelie gepredikt, en Christus door mij veie wonderen laten verrichten, door welke mijn prediking is bevestigd. Daarom was het onderhoud, dat ik met de apostelen had, een vriendschappelijk gesprek, en geen redetwisting ; ik heb er niets in geleerd, noch iets herroepen of mij verdedigd ; eenvoudig heb ik verhaald, wat ik gedaan heb, namelijk, dat ik den heidenen alleen het geloof in Christus, zonder de Wet, heb gepredikt, en dat op deze prediking des geloofs de Heilige Geest gevallen is op de heidenen, die terstond in vreemde talen begonnen te spreken. En toen de apostelen dit vernamen, betuigden zij, dat mijn leer juist geweest was. Derhalve doen de valsche apostelen mij onrecht, wanneer zij deze dingen verdraaien en verkeerd voorstellen.
De trotsche manier, waarop Paulus spreekt, door te zeggen, dat de andere apostelen hem niets toegebracht hebben, is geenszins zondig, doch wel zéér noodzakelijk. Want wanneer hij hier iets had toegegeven, dan zou de waarheid van het Evangelie te gronde gegaan zijn.
Ook de trots, dien wij jegens den paus aan den dag leggen, is hoogst noodzakelijk, en wanneer wij dien niet hadden, en door den Heiligen Geest hem met zijn leer, benevens den duivel, die door hem spreekt, niet verachtten, dan konden wij op geenerlei wijze het stuk van de rechtvaardigmaking door het geloof handhaven. Wij verwerpen het gezag van den paus evenwel niet zóó, dat wij heerschen willen ; wij zijn er niet op uit, om ons boven de hoogste dragers van het gezag te verheffen, want onverholen leeren wij, dat de menschen deemoedig moeten zijn, en zich aan het gezag behooren te onderwerpen, maar wij streven naar de handhaving van de eere Gods en naar de ongerepte bewaring van de leer der rechtvaardigheid uit het geloof, opdat ook wij behouden zouden worden.
Het voornaamste moet zijn, dat men ons onze goederen kan ontrooven, te weten : onzen goeden naam, ons leven, en alles, wat we hebben ; maar dat wij niet zullen dulden, dat men ons het Evangelie, 't geloof en Christus ontneemt. Vervloekt zij de „deemoed", die op dit punt te slap is, want hierin moet een iegelijk trotsch en vasthoudend zijn, wil hij tenminste Christus niet verloochenen.
Met Gods hulp zal mijn hoofd harder zijn, dan dat van wie ook. Hier wil ik hard zijn, en voor hard gehouden worden. Te dezen opzichte huldig ik de spreuk : ik wijk voor niemand ! En ik verheug er mij van harte over, dat ik in- deze dingen weerspannig en hardnekkig genoemd word. Openlijk erken ik, dat ik hard ben, en zulks ook in de toekomst zijn zal, en geen duimbreed zal wijken.
De liefde, die alles verdraagt, alles gelooft, en alles hoopt, wijkt ; maar het geloof wijkt niet. Daarom zal een christen in alles wat heT geloof betreft zeer trotsch en vasthoudend zijn, niets verdragen, en geen duimbreed wijken, want door het geloof wordt hij de Goddelijke natuur deelachtig. En gelijk God niets verdraagt, en voor niemand wijkt, daar Hij onveranderlijk is, — zoo is ooli het geloof onveranderlijk, weshalve het evenmin iets verdraagt en voor iemand wijkt. Uit liefde zal een christen echter voor iemand uit den weg gaan en alles verdragen, want dan is hij mensch zonder meer.
Maar daarentegen, als zij zagen, dat aan mij het Evangelie der Voorhuid toebetromod was, gelijk aan Petrus dat der besnijdenis ; (want die in Petrus krachtiglijk wrocht tot het apostelschap der besnijdenis, die wrocht ook krachtiglijk in mij onder de heidenen), vers 7 en 8.
Deze woorden zijn wel een heel krachtige weerlegging van de valsche apostelen. Paulus eischt hier namelijk voor zichzelf het zelfde gezag op, als de valsche apostelen aan de ware apostelen toekenden.
De valsche apostelen, zoo zegt Paulus, spelen het gezag der groote apostelen te eigen bate tegen mij uit ; maar ik op mijn beurt beroep mij op hetzelfde gezag te hunnen nadeele, want de apostelen zijn op mijn hand. Daarom, Galaten, gelooft toch niet hen, die het gezag der apostelen tegen mij uitspelen, want toen zij zagen, dat aan mij het Evangelie der voorhuid toebetrouwd was, en erkenden, dat aan mij genade geschied was, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand, hun goedkeuring gevende aan mijn bediening, en God dankende voor de genade, die Hij in mij gegeven had. Zoo keert Paulus meesterlijk het argument der tegenstanders tegen hen-zelf.
Het is een wonderlijke tekst, want Paulus zegt, dat hem het Evangelie der voorhuid toebetrouwd is, en aan Petrus dat der besnijdenis, hoewel hij zelf bijna overal in de synagogen aan de Joden het Evangelie verkondigd heeft, terwijl Petrus dat deed ook onder de heidenen. Van beide gevallen komen er in de Handelingen voorbeelden voor. Deze kwestie is echter niet moeilijk op te lossen. Paulus had namelijk het oog op 't feit, dat de andere apostelen hoofdzakelijk in Judea en Jeruzalem verblijf hielden, totdat God hen riep, om zich naar elders te begeven. Een tijd lang stond het dus zoo, dat de overige apostelen, zoolang de Joodsche staat bestond, in Judea waren ; maar toen de verwoesting kwam, zijn zij over de heele wereld verspreid. Paulus was echter door een bizondere roeping verkoren tot apostel onder de heidenen, en gezonden zijnde uit het Joodsche land, doorreisde hij de landen der heidenen. De Joden waren toen echter reeds over de heele wereld verspreid, en woonden in steden en streken der heidensche volken. Gelijk men in de Handelingen lezen kan, was Paulus, wanneer hij in de gebieden der heidenen kwam, gewoon, tot de Joden te gaan ; wilden deze hem echter niet hooren, dan ging hij tot de heidenen, gelijk Lucas betuigt in Handelingen 13 vers 46.
De heidenen noemt Paulus „voorhuid", en de Joden ,besnijdenis", een wijze van zeggen, die in de Heilige Schrift veelvuldig voorkomt. Hier wordt namelijk een deel voor het geheel gebruikt. Het is derhalve het Evangelie der voorhuid, dat onder de heidenen moet gebracht worden. En dit is aan hem, zoo zegt Paulus, toebetrouwd, evenals aan Petrus het Evangelie der besnijdenis. Want gelijk Petrus het Evangelie van Christus onder de Joden verbreid heeft, zoo heeft Paulus dat gedaan onder de heidenen.
Deze tekst bewijst klaar, dat alle apostelen een gelijke roeping en een gelijk bevel en hetzelfde Evangelie ontvangen hebben. Allen zijn door God onderwezen en geroenen, wat zeggen wil, dat roeping en bevel bij alle apostelen onmiddellijk van God afkomstig waren. Derhalve is er geen apostel grooter dan de ander ; niemand hunner heeft ook maar iets op den ander voor.
Het is dan ook een groote leugen, wanneer de paus voorgeeft, dat Petrus de voornaamste der apostelen geweest is, en wanneer hij zijn eigen primaat hiermede bevestigen wil.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's