De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten

6 minuten leestijd

HOOFDSTUK II.Paulus' zending door de apostelen te Jeruzalem erkend, vers 1—10. (VIII).

Vervolg vers 8.

Wat geven de valsche apostelen er hoog van op, zoo zegt Paulus, dat Petrus' Evangelie krachtdadig geweest is, dat velen door hem bekeerd zijn, dat hij talrijke en groote wonderen heeft gedaan, en zelfs dooden opgewekt en zieken door zijn schaduw genezen heeft. Ik geef toe, dat dit alles zoo is. Maar Petrus heeft dit vermogen uit den hemel ontvangen. God heeft aan zijn stem een zoodanige kracht geschonken, dat velen geloofden, en dat door hem vele wonderen konden geschieden. Eenzelfde kracht heb ook ik gehad, en ik heb deze niet van Petrus ontvangen ; doch dezelfde God, die in Petrus krachtig werkte, heeft dat ook in mij gedaan. Ik ben dezelfde genade deelachtig geworden. Velen heb ik onderwezen. En vele wonderen heb ik verricht. Ook ik heb met mijn schaduw kranken genezen. Lucas betuigt dit in de Handelingen der apostelen (hoofdstuk 19 vers 11 en 12). Om kort te gaan : Paulus wil in geen enkel opzicht voor geringer gehouden worden dan de overige apostelen. Hij is hierin oprecht en heilig trotsch. Het ging namelijk niet om een aangelegenheid, die Paulus betrof, maar om het geloof. En in zaken van geloof moeten wij onoverwinnelijk zijn, benevens onbuigzaam en hardnekkig. Als wij het konden, zouden we harder moeten wezen dan diamant. Overeenkomstig de wet der liefde behooren we echter zoo zacht en buigzaam te zijn als riet en het blad van een boom, als ook inschikkelijk in alles.

De strijd liep hier dus niet om de eer van Paulus, maar om de eere Gods en over het Woord Gods, over den waren dienst van God, over de religie en over de gerechtigheid, die uit het geloof is. Het ging er om, dat al deze zaken zuiver zouden, bewaard blijven.

En als Jacobus en Cefas en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechterhand der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan, vers 9.

Deze woorden willen zeggen : toen men gehoord had, dat ik van Godswege de roeping en het bevel ontvangen had, om het Evangelie onder de heidenen te prediken ; dat God door mij zoovele wonderen gedaan had, en vervolgens, dat er door mijn dienst vele heidenen tot de kennis in Christus gekomen waren, en dat zij, zonder Wet en Besnijdenis, alleen door de prediking des geloofs, den Heiligen Geest ontvangen hadden, — toen prees men God voor de genade, die aan mij bewezen was. Genade noemt Paulus alles, wat hij van God ontvangen heeft, namelijk het feit, dat hij van een vervolger en vernietiger van Gods gemeente, geworden is tot een apostel, die door Christus geleerd, en door Hem met geestelijke gaven begiftigd is.

Door deze dingen te verhalen, toont Paulus aan, dat Petrus hem het getuigenis gegeven heeft, dat hij een waar apostel is, die niet door de overige apostelen geleerd of gezonden is, maar alleen door God zelf.

Zoo heeft Petrus niet alleen Paulus' bediening en gezag nederig erkend, terwijl hij ook diens geestelijke gaven als van God afkomstig beschouwde, maar ook heeft hij die gebillijkt. Hetzelfde deden ook Jacobus en Johannes, om welke reden, zoo wil Paulus zeggen, zij, die zuilen onder de apostelen waren, op mijn hand waren, en niet tegenover mij stonden.

De rechterhand der gemeenschap.

Dit beteekent: de hand der broederlijkheid. Het is, als wilden de apostelen zeggen : beste Paulus, één van zin prediken wij met u het Evangelie. Wij zijn met elkander verbonden in de leer, en hebben in haar een bepaalde gemeenschap. Met andere woorden : wij hebben dezelfde leer, omdat wij hetzelfde Evangelie, denzelfden doop, denzelfden Christus en hetzelfde geloof prediken, als hetgeen gij verkondigt. Derhalve kunnen wij u niets leeren of opleggen, daar er in alle opzichten onder ons overeenstemming bestaat. Wij leeren namelijk niet iets, dat beter of meer verheven, is, doch in u zien wij dezelfde gave, welke ook wij deelachtig zijn : alleen met dit verschil, dat aan u het Evangelie der Voorhuid, en aan ons dat der Besnijdenis toebetrouwd is. Doch wij stellen hier vast, dat de Voorhuid en de Besnijdenis voor onze gemeenschap geen hinderpalen zullen zijn, daar het 't zelfde Evangelie is, wat wij beiden prediken.

Deze plaats herinnert er ons aan, dat het Evangelie overal gelijk is, hetzij voor heidenen. Joden, monniken, leeken, jongelingen, grijsaards, mannen of vrouwen. Het Evangelie ziet geen personen aan, maar is een woord en leer voor alle menschen. Wie deze leer hoort en gelooft, wordt zalig, onverschillig of hij al of niet besneden is.

Tot nog toe heeft Paulus niet alleen met Goddelijke, maar ook met menschelijke getuigenissen aangetoond, dat hij het Evangelie juist en oprecht heeft geleerd. Derhalve laat hij zien, dat alles, wat de valsche apostelen gezegd hebben, om zijn gezag te verkleinen, verzonnen is, en dat het getuigenis der apostelen in zijn voordeel is, en niet in dat der valsche apostelen.

Alleenlijk, dat wij den armen zouden gedenken, hetwelk ik ook zelf benaarstigd heb te doen, vers 10.

Een goede herder moet, nadat hij het Evangelie verkondigd heeft, ook zorg dragen voor de armen. Want waar een Gemeente is, daar zijn ook noodwendig armen, die doorgaans ook ware discipelen van het Evangelie zijn, gelijk Christus gezegd heeft : „Den armen wordt het Evangelie verkondigd" (Matth. 11 vers 5). De wereld en de duivel vervolgen namelijk de Kerk, en dompelen haar in armoede, die later verzuimd en veronachtzaamd wordt.

Doch niet alleen hierin bestaat de zonde der wereld. Ook is zij er niet op uit, om het Evangelie te bevorderen, als ook de ware vroomheid en den dienst van God. Niemand wil iets doen voor het onderhoud van dienaren der gemeente en de oprichting van scholen. Daarentegen geeft men gaarne met beide handen voor de instandhouding van bijgeloof en valschen godsdienst.

Onder het pausdom, waar toch de goddeloosheid regeert, zijn vele kloosters, vele dom-kerken en bisdommen gesticht ; en om dit alles in stand te houden heeft men veel geld opgeëischt.

Tegenwoordig maakt een stad bezwaar, om één of twee dienaren van het Evangelie te onderhouden, terwijl zij vroeger, toen de goddeloosheid er nog ten troon zat, zonder bezwaar heel wat kloosters en ontelbaar veel mispriesters onderhield, om van de bedelmonniken enz. nog maar te zwijgen.

Kortom : de ware religie lijdt altijd gebrek, "en Christus beklaagt zich, dat Hij honger en dorst heeft, en een vreemdeling, naakt en krank is. De goddeloosheid daarentegen bloeit en heeft aan niets gebrek. Daarom moet een goede bisschop ook zorg dragen voor de armen, hetgeen Paulus, gelijk hij hier betuigt, gedaan heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's