STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE MOBILISATIEKOSTEN
De mededeeling van den Minister van Defensie, dat de kosten van de gemobiliseerde weermacht dagelijks ƒ 1.7 millioen bedragen, heeft opnieuw de aandacht op den toestand der Rijksfinanciën gevestigd.
Intusschen had men een zoo hoog bedrag, als de Minister noemde, ten behoeve van het onder de wapenen hebben der lichtingen dienstplichtigen, niet verwacht.
Echter worden met het cijfer van ƒ 1.7 millioen nog niet alle uitgaven gedekt, welke uit de mobilisatie van leger en vloot voortvloeien. De Minister verklaarde toch bij zijn mededeeling aan de Staten-Generaal, dat het bedrag, wat hij aangaf, alleen de dagelijks terugkeerende uitgaven betrof. Alle andere mobilisatie-uitgaven, en dat zijn er niet weinigen, als b.v. kosten van vorderingen van enkele tienduizenden paarden en automobielen, aanschaffingen van materieel : kanonnen, vliegtuigen en munitie enz., komen boven het genoemde bedrag. Veilig kan men dan ook aannemen, dat de uitgaven per dag voor het gemobiliseerde leger en de gemobiliseerde vloot tegen de ƒ 2 millioen beloopen ; dat wil zeggen, dat de mobilisatie-kosten per jaar op rond ƒ 700 millioen te stellen zijn. Zulk een enorm hoog bedrag is natuurlijk niet uit den gewonen dienst van de Rijksbegrooting te financieren.
Reeds sluit de begrooting voor het loopende jaar met een geraamd tekort van ƒ 55.6 millioen, terwijl voor het dienstjaar 1941 nog op een vermeerdering van uitgaven van ƒ 60 millioen moet gerekend worden. Daarbij is in de Rijksbegrooting voor 1940 de bijdrage aan de sociale verzorgingsfondsen, feitelijk ƒ 27 millioen, te laag geraamd.
Zouden de mobilisatie-credieten dus uit den gewonen dienst der Rijksbegrooting betaald worden, dan zouden alle belastingen, welke op dit oogenblik geheven worden tot dekking van de gewone uitgaven des Rijks, in totaal naar raming ƒ 630 millioen, verdubbeld moeten worden, wat natuurlijk onmogelijk is. Daarom slaat de Regeering tot het goedmaken der mobilisatie-kosten een anderen weg in. De kosten van de gemobiliseerde weermacht zullen uit leeningsgelden gefinancierd worden, welke in vijftien jaar zullen worden afgelost. Daarmede blijven dan de oorlogsuitgaven geheel buiten de begrooting. Toch is ook de weg, om voor de mobilisatieuitgaven te gaan leenen, niet zonder gevaar. Immers is de Staatsschuld reeds tot een aanmerkelijke hoogte gestegen en trekt de rentelast een groot gedeelte der inkomsten tot zich.
In het weekoverzicht van de Twentsche Bank van het begin des jaars komt een overzicht voor van de geconsolideerde (gedekte) Staatsschuld van Nederland en Nederlandsch- Indië.
Blijkens dat overzicht bedroeg op 2 Januari 1940 de Staatsschuld van Nederland ruim ƒ 3441 millioen met een jaarlijksche rentelast van rond ƒ 99.8 millioen, en die van Ned. Indië een kleine ƒ 1050 millioen met een rentelast van circa ƒ 31.5 millioen. Totaal dus een schuld van ongeveer ƒ 4500 millioen met een rentelast van ± ƒ 131.2 millioen. Voorts bedraagt de niet-geconsolideerde (niet gedekte) schuld meer dan ƒ 1000 millioen, zoodat als deze weer in rentedragende obligaties wordt omgezet, de rentelast tot ongeveer ƒ 140 millioen zal stijgen.
Met het oog op deze cijfers sprak Minister De Geer in de Millioenen-Nota terecht van een torenhooge schuld.
Vermeerdering van Staatsschuld is daarom uit den booze.
En juist om de Staatsschuld niet door de mobilisatie-uitgaven in de hoogte te doen gaan, stelt de Regeering tot dekking van die uitgaven een „Leeningfonds" in, ten laste waarvan de kosten der mobilisatie en eventueel andere uitgaven, welke een direct gevolg zijn van den oorlogstoestand, worden gebracht.
Zulk een Leeningfonds herinnert aan de dagen van den wereldoorlog van 1914—1918. Op het voetspoor nu van wat in deze oorlogsjaren geschiedde, wenscht de Regeering ook thans een bijzonder fonds in het leven te roepen.
Natuurlijk heeft zulk een fonds alleen dan beteekenis, wanneer de inkomsten tegen de uitgaven opwegen.
Echter, welke gelden voor het fonds beschikbaar zullen komen, is nog niet bekend. Tijdens den wereldoorlog van 25 jaar geleden, was de voornaamste bron van inkomsten voor het Leeningfonds, die, welke uit de heffing van de toen ter tijde uitgevaardigde oorlogswinstbelasting voortvloeiden. Doch zulk een belasting zou in het heden maar bitter weinig opbrengen. De opbrengst is toch afhankelijk van de vraag, in welke mate het maken van oorlogswinst op dit oogenblik mogelijk is. En die mogelijkheid is niet groot.
Uit de belastingen zelve kan voor het fonds moeilijk iets terzijde worden gelegd. Voor de dekking van het tekort van de ƒ 56.5 millioen op den gewonen dienst voor 1940, waarop, wij hierboven reeds de aandacht vestigden, moeten de middelen verstrekt worden door een herziening van de Inkomstenbelasting en door de vervanging van de bestaande dividend- en tantième-belasting door een winstbelasting. Door deze versterking en vervanging, wordt wel het uiterste verkregen, van wat nog van de belastingbetalers kan worden gevergd. Toch zal de Regeering spoedig met voorstellen moeten komen om het Leeningfonds van voldoende middelen tot dekking van de mobilisatie-kosten te voorzien. Dit is een urgente zaak, die geen uitstel gedoogt.
Anders loopen de Rijksfinanciën hopeloos in de war.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's