NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 35)
„Nu, wat zou er tusschen die twee zijn ? 't Past immers in het geheel niet bij elkaar. Tjerk zou Nienke niet willen, en Nienke Tjerk niet". „Nienke Tjerk niet ? Kan je begrijpen. Met beide handen tegelijk. Zoo'n rijke boerenzoon".
„Foei, Hedwig, 't zou te gek zijn om er van te praten. En nóg geloof ik, dat Nienke hem niet zou willen hebben, al had hij tweemaal zooveel geld". „Dat denk je maar. Waarom niet ? Geld is toch alles ? " „Voor haar niet. Nienke vraagt óók nog naar iets anders. Daar ken ik haar te goed voor". „Nu wij zullen eens zien ; onthoud eens wat ik je verteld heb. Daag !"
Nog geen uur later wist men het bij Glazema, den schilder, ook, dat Hedwig Krips Tjerk en Nienke „betrapt" had, toen zij heel gezellig een onder-onsje hielden. En toen een paar dagen later de Meisjesvereeniging vergaderde en na de bijbelbespreking het praatkwartiertje kwam, werd het van mond tot mond gefluisterd, zoodat Nienke het wel hooren moest, dat er iets gaande was tusschen haar en den zoon van boer Santema.
Oogenblikkelijk kreeg zij een kleur. Ja, dat was altijd vervelend lastig, 't Minste kon er niet zijn, waarbij zij betrokken was, of haar raam genoemd werd, of dan kwam dat hoog rood op hare wangen. Toen zij nog op school ging, had het haar wel eens een onverdiende straf berokkend, dat zij aanstonds zoo kleurde. De meester meende daarin het bewijs harer schuld te hebben, ook al ontkende de mond deze met beslistheid, tot het Huitema ter oore kwam en hij den meester verzocht rekening te willen houden met haar verlegenheid. 't Lag nu eenmaal van jongs af aan in haar natuur, bedeesd te zijn voor alles wat haar vreemd was.
Zoo ook nú weer dat ietwat verlegene, en niet het rechte woord kunnende vinden om te antwoorden, 't Zat er wel in, maar het wilde er niet uit. Straks, als zij weer thuis was, of misschien wel een uur en nog langer wakker op bed lag, dan wist zij heel goed wat zij had moeten zeggen, maar dan was het te laat. Zoo had zij het altijd, tot vervelens toe soms, en zoo werd er dikwijls geheel verkeerd over haar geoordeeld.
Tóch was er iets in die plagerij van de vriendinnen, 't welk haar streelde. Wat het was, kon zij niet verklaren. Nog nimmer had zij zich met jongens opgehouden, veeleer hen gemeden, en geen oogenblik begeerd met hen omgang te hebben. Als bij gelegenheid Sjoukje van den bakker met wie zij bijzonder bevriend was, of Aaltje van buurvrouw, met wie zij ook nogal dikwijls 'n praatje hield, 'n grappig woord of iets dergelijks had tegen een der jongelingen van hun leeftijd, dan stond zij daar gewoonlijk bij, zonder iets te zeggen of ging stilzwijgend heen. Elk wist dit en niemand verwonderde zich daarover. Nienke was immers geheel anders dan andere meisjes en daarbij erg vroom. Precies zooals baas Gurbe, door wien haar dit met den paplepel was ingegeven.
En nu dit ! Daarom wekte het nieuwtje van Hedwig ook zoo'n verwondering. „Stille wateren hebben diepe gronden", zei de één, en een ander dacht, dat Tjerk en Nienke in vele dingen wel met elkander overeen kwamen, al zou men hen nooit bij elkaar gepast hebben vanwege het verschil, dat er was, en Nienke zelf ? Ja, dat was het vreemde. Hoe kwam het, dat zij zich niet verontwaardigd gevoelde, gelijk anders, wanneer al eens in die richting gezinspeeld werd ? Waarom kon zij het dien avond op de Meisjesvereeniging verdragen, dat haar naam telkens op de lippen kwam en de indrukken, zoo pas door de bijbelbespreking gewekt, in een oogenblik schenen weggevaagd ? En waarom gaf zij niet aanstonds, zooals anders, het een of ander vers uit de Liederenbundel op om zoodoende een einde te maken aan het gepraat? Waarom zat zij al maar stijf gebogen over het jakje, hetwelk zij bezig was te maken en straks op Kerstmis zou worden uitgedeeld, en dat, naar het scheen, zóó al haar aandacht noodig had, dat zij d'r niet eens even van kon opzien? Waarom? Ja, waarom? En weer flitste aan haar geest voorbij dat oogenblik daar op het kerbpad, in werkelijkheid slechts enkele seconden, maar voor haar bewustzijn veel langer en van onbegrijpelijke beteekenis, toen Tjerk Santema daar vóór haar stond, en haar aankeek en toen met zijn klomp een figuur maakte, waar evenwel niemand iets van zag, en toen ook zij geen woord kon vinden om aan de spanning een einde te maken.
Doch aanstonds daarop scheurde zij zich uit de betoovering los. Evenals dien avond, tijdens de ontmoeting met Tjerk, waar de meisjes het nu zoo druk over hadden. Waar droomde zij van? Wat verbeeldde zij zich? Hoe had zij het nu? En kwam dit nu te pas in een vergadering van de Meisjesvereeniging? Wat zouden van dit gesprek de gevolgen worden? Natuurlijk was het over een uur al veel verder, in tal van huizen en morgen op straat, wie weet, misschien naar alle vier windstreken verspreid, gelijk het immers met alle geruchtmakende nieuwtjes gaat, en dan? Maar daar bestond immers niets, totaal niets, tusschen Tjerk en haar en die ontmoeting, nu ja, dat was bepaald iets toevalligs geweest, zonder meer. Daarom wilde zij d'r tegen op komen. Vanwaar het praatje weg kwam, wist zij niet, doch zij waren maar heel even met elkander opgeloopen, omdat hij — — Maar daar zat zij en kreeg opnieuw die vervelende kleur. „Omdat hij dienzelfden kant uit moest", zou zij zeggen, doch opeens zweeg zij. Lag daar niet een leugen op haar lippen ? Hij had immers gezegd : „Dan zal ik je tot aan huis brengen" en dat woord had haar zoo gestreeld, en toen hadden ze opnieuw druk gepraat over alles en nog wat, en toen nog even voor huis bij elkaar gestaan, en toen — (Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's