NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
DOOR IDSARDI.
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 36)
Plotseling ging er een vroolijk gelach onder de meisjes op, toen Nienke op eenmaal zweeg. Neen maar, nU was het wel duidelijk, dat er tusschen die twee iets bestond. Anders deed zij niet zoo vreemd en Nienke was niet een meisje, dat er maar iets heen flapte of comedie speelde. Had zij zich nu zelf niet verraden ? Gelukkig maar, dat de presidente een einde aan het gegichel maakte, maar de indruk bleef en Nienke wist waar dien avond verder door velen over gedacht en gesproken werd. 't Bezorgde haar een slapeloozen nacht. Tot zij haar hart kon uitstorten voor Hem, Die de verborgen roerselen des harten kent, en aller menschen wegen gadeslaat, om die te richten naar Zijnen wil. Toen eerst sliep zij in.
Maar zoo kwam het, dat zij gedurende de eerste tijden alles meed wat ook maar even met Doniastate in betrekking stond. Blijkbaar was het nieuwtje spoedig dood gebloed. Aaltje had haar nog een paar maal geplaagd en Sjoukje had niet nagelaten haar te polsen, hoe het nu toch eigenlijk zat en wat er van dat praatje waar was, maar omdat voor Nienke zélf alle bekoring van het geval af was en zij zich vast voorgenomen had er heelemaal niet meer aan terug te denken of er iets bijzonders in te zien. lieten de anderen haar weldra met rust. 't Was immers al te dwaas om er aan te denken, dat Tjerk Santema met Nienke zou gaan !
Wonder was het, dat men bij haar thuis nergens over sprak. Vader kwam toch nog al bij veel menschen en anders was er wel bezoek in de werkplaats. Pier Boukes keek haar laatst zoo onderzoekend aan, toen hij zijn gewone visite aan de schoenmakerij bracht, natuurlijk met de bekende uitwerking op haar gelaat en zelf dacht zij : „Nu komt het straks." Maar d'r kwam niets, noch van de zijde van vader, noch van moeder, en zoo kwam het, dat de geheele geschiedenis heel spoedig in 't vergeetboek raakte. Vandaar, dat zij geen bezwaar maakte op Doniastate de bekende boodschap te doen en waar ook hier met geen woord ergens op gezinspeeld werd, keerde zij met een verruimd hart naar huis terug.
't Was een paar dagen later. De trieste, kille mist, welke alles zoo'n somberen en donkeren tint gaf, was plotseling opgeklaard. De wind draaide naar het Oosten, en een heldere vrieslucht deed den kronkelenden rook uit schoorsteen en schouw rechtstandig omhoog gaan. Vroolijk scheen de zon door de heldere ruiten van baas Huitema, zoodat de kanarie zijn blijdschap daar over uitjubelde in de mooiste deuntjes, die hij zong. Tot hij plotseling zweeg en met een scheef kopje, waarin een paar zwarte, kraaloogjes schenen te fonkelen, ging luisteren naar een stem, die van uit het achterhuis luide opklonk, 't Was Nienke, die hij hoorde. Terwijl zij inet haar armen in het zeepsop plonsde, dat als groote sneeuwvlokken soms in de tobbe viel of op den vloer terecht kwam, klonk haar lied door het gansche huis.
Nienke had een mooie stem. Heel iets anders dan Gurbe, wiens krakend geluid wel verried, dat hij goed nootvast was, zooals Pier Boukes placht te zeggen, maar waarvan men nu juist niet zeggen kon, dat het aangenaam aandeed. Vandaar dat gewoonlijk allen zwegen en luisterden tot de kanarie toe, wanneer Nienke zong. 't Was wel niet haar gewoonte, dit geregeld onder den arbeid te doen, maar als zij het deed, dan kon men er zeker van zijn, dat het de moeite waard was om er het oor aan te leenen. Zoo ook nu weer. Daar lag gloed en kracht in haar lied. Daar sprak overtuiging uit, als van iemand, die weet wat hij wil. Daar lag een belijdenis in haar woord:
„Met een eeuwigen liefdeband. Leid ik u aan Mijne hand. En Uw naam staat ongedeerd, In Mijn handpalm gegraveerd. Gij zijt 's Vaders dierbaar pand. Niemand rukt u uit Zijn hand. Ja, ik kan verzekerd zijn, Ik ben Zijn en Hij is mijn.
Alles schijnt voor mijn gezicht, In een veel volmaakter licht ; 't Is of 't al veranderd is. Vreugd zoowel als droefenis. Daaglijks minder wordt mij d' aard En de Heiland meerder waard. Ja, ik kan verzekerd zijn. Ik ben Zijn en Hij is mijn.
Zalig dat verzekerd zijn. Ik ben Zijn en Hij is mijn ; Hoe de Satan mij ook tart, Ik heb Jezus voor mijn hart. Kort slechts duurt hier d' aardsche strijd, Straks volgt d' eeuwige heerlijkheid. Ja, ik kan verzekerd zijn,Ik ben Zijn, en Hij is mijn."
Zoo zong zij. Met een overtuiging, waaruit sprak, dat de inhoud van het lied haar niet vreemd was. En dat de zekerheid der verlossing en de dierbaarheid van het waarachtige geloofsleven in haar teere ziel weerklank vond. Met iets van een blijden glimlach op het gelaat, luisterde Gurbe naar die woorden, hem ook zoo bekend, omdat hij ze reeds jaren geleden in het Leger gezongen had en Jochem had ook den hamer neergelegd. Jochem vereerde Nienke. Hij gevoelde in alles, dat zij ver zijn meerdere was. Hoewel hij voorheen, toen zij nog een klein meisje was, wel met haar gespeeld, en zelfs haar in den kinderwagen gereden had, werd het voor zijn gevoel alsof bij haar opgroeien van kind tot jongedochter, de afstand tusschen hen beiden steeds grooter werd, doch niettemin hield hij oneindig veel van haar.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's