De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Om zijner onbeschaamdheid wil LUKAS 11 vers 8

11 minuten leestijd

Ik zeg ulieden, hoewél hij niet zou opstaan en hem geven, omdat hij zijn vriend is, nochtans, om zijner onbeschaamdheid wil zal hij opstaan en hem geven, zoovele als hij er behoeft. Lukas 11 vers 8.

Deze woorden vormen de toepassing van die korte, maar uiterst merkwaardige gelijkenis van dien man, die zijn vriend of buurman midden in de nacht overlast aandoet, door hem om een paar brooden te gaan vragen.

„Hij wordt verhoord", zegt de Heiland, „maar niet omdat hij zijn vriend is, maar om zijner onbeschaamdheid wil". Hier zullen wij even nader bij stilstaan, bij deze reden, waarom die man verhoord wordt. Met dat eerste, waarom hij niet verhoord wordt, daar weten wij in de toepassing natuurlijk wel raad mee. Dat wij geen vrienden van God zijn, maar vijanden van nature, dat hebben wij al zoo lang hooren zeggen en zelf al zoo dikwijls nagezegd, dat wij het daar roerend mee eens zijn. Ja, misschien gelooven wij het soms wel eens werkelijk eerlijk van ons zelf. Maar dat God hoort „om zijner onbeschaamdheid wil", dat vereischt eerst wel eenige toelichting, voordat wij dat soms per ongeluk verkeerd zouden gaan gelooven. Want deze vrees is heusch niet denkbeeldig. Het wil mij voorkomen, dat veel godsdienstige branie en brutaliteit in onze dagen zich bewust of onbewust door dit woord uit Lukas 11 wil dekken.

Hoeveel aardsche knollen, geteeld in de zwarte modder van de meest platte, menscheiijke eigengerechtigheid, eerzucht en haat, worden niet als hemelsche citroenen aan den man gebracht. En dat in volslagen gemoedsrust, dat het zoo kan en zoo mag, ja, dat dit de weg is, om zijner onbeschaamdheid wil. Het zit ons menschen nu eenmaal in 't bloed, om, als het lukt, het Koninkrijk der hemelen (of liever, wat wij daarvoor houden) te nemen met geweld. Wij gaan voort door goed en kwaad gerucht. En zelfs al neemt dat laatste juist bedenkelijke afmetingen aan, wij verblikken of verblozen niet. Wij zijn al zoó aan luchtjes gewend, dat het niet meer geeft als er ergens een luchtje aan is.

Maar zou nu deze onbeschaamdheid werkelijk hier bedoeld zijn ? Het spreekwoord zegt: „de brutalen hebben de halve wereld". Echter, dat de brutalen daarbij nu ook nog de heele hemel cadeau krijgen, enkel vanwege hun brutaliteit, dat lijkt toch wel wat al te bar.

Trouwens, wat dat betreft, is de bijbel duidelijk genoeg, die er op elke bladzijde haast van getuigt, dat de weg der hoovaardigen van elk slag zal vergaan. Die in den hemel woont, zal lachen; de Heere zal ze bespotten.

Maar wat beteekent dat „om zijner onbeschaamdheid wil" dan wel ? Dat wordt ons het best duidelijk, als wij zien wat het tegengestelde van dat woord in de grondtekst beteekent. Dat tegengestelde wil daar zeggen  voornaam, fatsoenlijk, gedistingeerd, zich zelf respecteerend. Dus zoo staat hier eigenlijk, dat deze man geholpen werd, omdat hij er niet meer op bedacht was, om bij den ander een zoo goed mogelijk figuur te maken.

M.a.w. hij wilde niet zichzelf meer handhaven, er zelf beter op worden. Maar daarom staat zijn onbeschaamdheid ook niet op zich zelf, het is niet een middel voor hem om daardoor zelf de man te worden, maar zijn „onbeschaamdheid" is juist, dat hij wat anders op 't oog heeft, waarvoor hij zichzelf geheel en al wil opofferen, ook de goede indruk, die zijn buurman wellicht tot nu toe van hem heeft gehad.

En wat is dan die diepere oorzaak van zijn onbeschaamdheid, die hem zóó zichzelf doet vergeten ? Dat is de nood van een vriend, die laat in den avond bij hem is binnen gekomen en voor wien hij niets te eten had. Hij was zelf allicht arm, zóó arm, dat hij geen broodje meer op de plank had. Voor zijn eigen persoon wist hij nog niet, waar hij de andere morgen voedsel vandaan moest halen om zelf te eten en zijn gezin te eten te geven.

Echter, voor zichzelf had hij niet onbeschaamd willen zijn, voor zichzelf had hij zijn buurman geen oogenblik lastig gevallen, daar had hij de vrijmoedigheid niet voor gehad. Maar toen er die vriend van verre kwam, moe van de reis en hongerig, toen heeft hij de noodzakelijkheid gevoeld om voor dezen een maaltijd te gaan vragen, nu moest het! Daarvoor is hij nu op pad gegaan, voor die alléén, niet voor zich zelf, want hoor maar, hij vraagt om drie brooden. Dat waren natuurlijk geen Hollandsche vierponders, maar Oostersche broodjes, die een gemiddeld gewicht hadden van onze luxe broodjes. Drie van die broodjes vormden één maaltijd voor één persoon. In wat hij vraagt, is hij dus heel bescheiden. Maar dat is nu juist zijn „onbeschaamdheid", dat hij niet aan zich zelf denkt, ook niet bang is er zelf ongenoegen over te krijgen, maar zich geheel opoffert om toch zijn hongerige gast iets voor te kunnen zetten.

O, herkennen wij nu deze „onbeschaamdheid" ? Het is diezelfde hartstocht, waarmede Mozes bidt: „o Heere, doe mij zelf maar uit Uw boek, maar behoud om Uws Naams wil. Uw volk Israël, opdat de heidenen Uw Naam niet lasteren en zeggen dat gij een onmachtige God zijt''. Het is ook hetzelfde als Paulus' belijdenis : „ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet, dat het mij een groote droefheid en mijn hart een gedurige smart is. Want ik zou zelf wel wenschen verbannen te zijn van Christus, voor mijn broeders, die mijn maagschap zijn naar het vleesch". „Om zijner onbeschaamdheid wil", dit beteekent dus heel wat anders dan eigengerechtige brutaliteit, die bij alles dit alleen op het oog heeft, om er zelf beter van te worden.

Zoo blijkt deze onbeschaamdheid het uitgaan in liefde en zelfverloochening, het priesterlijk bidden, het innerlijk met ontferming bewogen zijn, het opofferen van eigen eer en genoegen, om toch maar iets te verkrijgen om den ander voor te zetten.

Kennen wij dit onrustig, onbetamelijk, „onbeschaamd" uitgaan terwille van den naaste ? God stuurt ze bij ons aan huis in de wereldnacht, de verre vrienden, de dolende vreemdelingen. En de Heere ziet ons aan alsof Hij zeggen wil : „geef gij hun te eten". Zoo komen ze binnen, die „vrienden", onze kinderen, ons werkvolk, onze famile, onze zakenrelaties. Zij zijn door God gestuurd. Hij ziet toe, wat wij hen voorzetten.

Hebben wij er al eens over gedacht om hen iets voor te zetten, ja, niet een kopje thee of een boterham, ook zelfs niet een tractaatje of een preekenboek, maar werkelijk dat, wat verzadigen kan? Is het werkelijk zoo, dat wij zulken tot jaloerschheid hebben trachten te verwekken, zooals Paulus zegt? Paulus weet dat het moet, dat het niet anders kan. „Wee mij", zegt hij, „indien ik het Evangelie niet verkondig". En wat zeggen wij ?

Och, 't liefst zeggen wij niets. En de dolende vrienden gaan weer weg, zooals ze gekomen zijn, zonder dat zij iets van den Heere in ons leven gezien hebben, iets, dat waarachtig van Gods rijkdom getuigde. Hoogstens zeggen wij tegen elkaar, als deze dolende hongerlijders van 's werelds kermis bun hielen gelicht hebben, „die heeft ook voor geen cent godsdienst meer". Waarbij wij heimelijk het den farizeër namurmelen : „Ik dank u, o God, dat ik niet ben gelijk deze".

En het mogelijk zelfverwijt, dat dan ook nog wel eens in ons opkomt, en ons aan een schuld herinneren wil, deze schuld, dat wij steenen voor brood gegeven hebben, duwen wij weer haastig weg.

Want dan zuchten wij eens diep en zeggen heel plechtig, maar ijzingwekkend kalm: „och, wat kan een natuurlijk mensch anders doen, ik heb zelf niets, ik ben zelf zoo'n verloren mensch; dus waar niet is, daar verliest de keizer zijn recht". Maar laten wij niet vergeten, dat, al mag de keizer zijn recht verhezen. God daarom toch nog niet Zijn recht verliest. En daarom zijn wij er niet van af door te zeggen : „ik heb zelf niet". Dat heeft God ook geen oogenblik verondersteld, dat wij het zouden hebben. En toch eischt Hij nadrukkelijk van ons : „Geef gij hen te eten", opdat wij het n.l. zouden leeren zoeken, waar het wèl is. Ja, Hij heeft ons zelf heel dringend den weg gewezen, in welke richting wij moeten zoeken. Hij heeft ons heel duidelijk de plaats getoond waar het wel is, de rijkdom, die Christus zelf verworven heeft door Zijn bloed. Gods voorraadkamers zijn vol, vol van brood. Ja, om het ons zoo duidelijk mogelijk te zeggen, zóó, dat het niet meer missen kan, verkondigt de Heiland het ons : „Ik ben het brood des levens''.

Maar hier blijkt het dan op vast te zitten, dat wij te trotsch en te veel dunk van ons zelf hebben. Want wij schamen ons er daadwerkelijk voor, om dit brood des levens te zoeken, in den nacht, langs die wanhopig dwaze en ergerlijke weg der „onbeschaamdheid", met verlies van eigen fatsoen. Of eigenlijk zit het nog dieper, wij meenen, dat wij het nog niet noodig hebben, wij meenen nog aan geen ding gebrek te hebben. Of hebben wij al eenig idee van onze armoede, dan willen wij toch eerst liever de dag afwachten, de geschikte gelegenheid, dat het niet meer zoo dwaas lijkt. En zoolang moeten die „vrienden" maar wachten.

Bovendien, ze hebben toch eigenlijk ook niet beter verdiend, die „vrienden".

Wij spreken groote woorden. Het is toch allemaal de schuld van de zonde, dat de wereld nu geestelijk verhongert, dat de vloek Gods op Nederland ligt.

Zoo zeggen wij allemaal ernstige en ook wel ware dingen, waar niets tegen te zeggen valt. Maar 't bedenkelijke van dit alles is, dat wij met deze mooie woorden trachten te ontkomen aan die bittere onbetamelijkheid, om het brood te zoeken, waar het is.

Onderwijl sturen wij, die de wereld te eten moesten geven, haar met een vervloeking de geestelijke hongerdood in. En hoe betrekkelijk waar onze woorden over zonde en schuld dan ook mogen zijn (wie is te verontschuldigen voor God ? ), wij, die zeggen, van het brood te weten, zullen er toch op uit moeten. En als wij dat nalaten, staan wij dubbel schuldig, als die de weg geweten hebben en niet bewandeld. Dan zullen wij daar zeker ook voor gestraft worden. Hoe? Dat laat onze tekst ten slotte zien.

„Want Ik zeg u", verzekert de Heiland, „om zijner onbeschaamdheid wil geeft hij hem zooveel als hij behoeft''. Nu gaat dan toch ten slotte tegen alle verwachting in de deur open en door die deur worden nu brooden aangereikt, niet één, niet drie, maar net zooveel als laij er maar behoeft.

Nu, deze man kan er nog wel zoo'n enkele gebruiken, er is hij hem thuis geen kruimel meer. Hoe zal hij stralend van blijdschap nu thuis gekomen zijn met die heele stapel brooden. Hij heeft alleen voor zijn gast gevraagd, hij heeft daarbij heelemaal niet aan zich zelf gedacht en aan zijn eigen gezin. Maar nu stalt hij 't uit, brood zooveel als hij er maar noodig heeft.

Dit heeft hij gekregen, „om zijner onbeschaamdheid wil", omdat hij zich zelf geheel heeft weggecijferd, bewogen als hij was over de honger van zijn vriend.

Maar wij, die niets voelen voor dit zichzelf verhezen, dit worstelend intreden, die alleen om onszelf denken in de eerste plaats, en ja, dan misschien nog per gratie aan den ander, maar die zeker niet voor den ander ons eigen willen en streven zullen opofferen, waar komen wij terecht ?

Och, in het beeld van deze gelijkenis blijft ons niets anders over dan om zelf óók te verhongeren. Want alle brood is van de plank, ook bij ons. Daarom verdorren wij en versteenen wij levend, worden wij tot een bespotting van de levendmakende kracht Gods. Want nog altijd geldt die vreeselijke wet der goddelijke gerechtigheid, die de Heiland over de farizeërs openbaart: „die anderen, verhindert in te gaan, kan ook zelf niet ingaan".

Werd ons dan ook zóó de nood opgelegd, dat wij brood moeten hebben. En al durven wij het dan uit en voor onszelf niet te vragen, omdat wij ons zelf kennen in onze gedurige opstand en ongehoorzaamheid tegenover God, zoodat wij eerder vluchten willen en zeggen : „Ga uit van mij, o God, want ik ben een zondig mensch" — laten wij in Gods naam toch gaan, in het volle bewustzijn van de onbetamelijkheid van dat gaan, maar enkel omdat wij moeten en daarom mogen, op Gods gebod, opdat Zijn Naam verheerlijkt worde.

Die zoo zoekt, die vindt, die klopt, wordt opengedaan, die bidt, die ontvangt net zooveel als hij maar behoeft, vergeving der zonde, kracht en blijdschap Gods, gaven om uit te deelen de menigerlei genade Gods.

Want God, de Heer, zoo goed, zoo mild, Is f allen tijd een zon en schild ; Hij zal genade en eere geven.

Wilnis

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's