De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

11 minuten leestijd

Is Christelijke actie mogelijk en noodzakelijk? Ja!DE CHR. HUMANISTISCHE OPENBARE SCHOOL ?

Is Christelijke actie mogelijk en noodzakelijk? Ja!

Naar onze meening wordt door de Barthiaansche theologie de Christelijke actie bedreigd, onmogelijk verklaard en scherp veroordeeld, waar zij gevoerd wordt onder ons. Eigenlijk is men tegen Christelijke politiek, Christelijk Onderwijs, enz. Men gebi'uikt dan deze uitvlucht : we moeten hebben onderwijs en politiek enz., door Christenen geoefend en gegeven, maar Christelijk Onderwijs, Christelijke politiek enz., bestaat niet.

„Pro Ecclesia" — die deze dingen niet noemt — wijst op de noodzakelijkheid van Christelijke actie in het algemeen en van een Christelijke politieke partij in het bijzonder. We lezen (20 Jan. '40) :

" In zijn boek : „De Wijsbegeerte der Wetsidee", toont prof. Dooyeweerd aan, dat de leidende functie van de politieke partij slechts in de sfeer des geloofs kan worden gezocht" (blz. 543). Immers vindt de politieke partij haar uitgangspunt in de levens- en wereldbeschouwing harer leden en deze wereld- en levensbeschouwing wordt beheerscht door het geloof van dengene, die een levensbeschouwing heeft".

Zij, wier geloof Schriftuurlijk is te noemen en zij, wier geloof heel anders — en dus verkeerd — is gericht, zullen een totaal onderscheiden levens- en wereldbeschouwing hebben. En zoodoende zullen zij moeten komen tot de organisatie van twee totaal onderscheiden politieke partijen (wat natuurlijk óók geldt ten opzichte van het Schoolonderwijs, enz.).

In een volk zal het aantal partijen, minstens twee moeten zijn. „Immers dwars door een volk, in dit geval ons Nederlandsche volk, loopt een anti-these tusschen het door Christus gekochte volk en hen, die den Heere Christus niet zijn ingelijfd.

De scheidslijn tusschen hen, wier liart naar den Heere gekeerd is, en hen, wier hart van Hem is afgewend, zal nimmer te verdoezelen zijn. Er blijft verschil tusschen hen, die den Heere vreezen en die het niet doen op het staatkundig terrein" (en op alle terreinen, niet te vergeten het onderwijs en de opvoeding der jeugd).

„Groen van Prinsterer heeft die anti-these zijn tijdgenooten laten zien en geroepen tot een partij leven uit de Christelijke beginselen naar Gods Woord, uit den Christus der Schriften, geïsoleerd van het leven der partij, van hen die van de beginselen der Schrift niet willen weten en Christus niet als Koning van het leven van den Staat (enz.) erkennen willen".

,, In ons isolement ligt onze kracht" beteekent dan ook : het oproepen tot een partijformatie op de basis van een beginselvast believen van de Schrift, van de eeuwige beginselen van Gods Woord, voor héél het leven, voor kerk, gezin, school, maatschappij en staat. Het volk des Heeren, dat zich naar Zijn Naam mag noemen en Zijn Woord en Zijn dienst liefheeft wil zich dan ook organiseeren op staatkundig terrein (en voor de school enz). Dat is niets vreemds en ongehoords — en ook niet iets dat absoluut onmogelijk is — maar het is iets, dat uit onze beginselen voortvloeit en opbloeit. Die den Heere vreezen zullen dan komen staan tegenover degenen, die Hem niet vreezen, om Hem te dienen in oprechtheid voor Zijn aangezicht.

Eisch van Christelijk beginsel is dus een: partijen-staat, een partijen-volk. En het streven der N.S.B, een nationale beweging te zijn (denk ook aan het oude liberalisme, dat altijd sprak van één school voor alle kinderen, en dat éénheidsbeginsel ook in de Kerk wilde toepassen — b.v. in 1816) is daarom al onchristelijk. Ze verdoezelt met holle leuzen en groote woorden de tegenstelling van degenen, die God vreezen en die Hem niet vreezen (de anti-these dus) en wil allen in één verband en in één levens- en wereldbeschouwing samenpersen. Men spreekt van ordeningen voor allen, terwijl men zich om geen belijdenis bekommert en de waarheid Gods niet onderscheidt en erkent.

„Zulk streven naar zulke nationale eenheid is in wezen on-Schriftuurlijk, en wij moeten in dezen tijd van opwakend nationaliteitsgevoel niet bekoord worden door een valsche eenheidsgedachte".

Wij moeten als Christenen een eigen beginsel hebben, propageeren en beleven, juist tot bevordering van een echt huiselijk en maatschappelijk en nationaal leven naar de Schriften. Alleen wanneer het leven, heel het leven gedragen, wordt door de echt-christelijke beginselen, die de Heere ons in Zijn Woord geopenbaard heeft, om ons wijsheid en zegen te geven, zal het leven van ons persoonlijk, maar ook ons gemeenschapsleven kunnen groeien en bloeien in gezondheid en tot zegen van ons zelf en onzen naaste.

„In den weg van beginselvast partij leven moeten we onze Christelijke politieke roeping (en ook op ander terrein) in ons volksleven vervullen tot het doen komen van Gods Koninkrijk op staatkundig terrein (en elders) ; en zóó zullen we werkzaam zijn tot waarachtig nationaal herstel ......."

Daarom spreken we b.v. met Groen van „christelijk-nationaal-Schoolonderwijs". Door ons georganiseerd christelijk partijleven willen we immers zoo gaarne ons volk en vaderland dienen. En dan heel anders dan anderen, die met volk en vaderland loopen. Omdat de christelijke beginselen naar Gods Woord ons lief zijn en wij gelooven, dat daarin alleen de ware wijsheid, de echte sterkte en de rijkste zegen ligt voor jong en oud, rijk en arm ; op alle terrein des levens.

DE CHR. HUMANISTISCHE OPENBARE SCHOOL ?

De bevredigings-Commissie Bos heeft in oorlogstijd (1914—'18) de oplossing van het schoolvraagstuk willen brengen. Deze Commissie zelve was zóó samengesteld, dat alle partijen er in vertegenwoordigd waren : R.C.; A.R. ; C.H. ; vrije liberalen, liberale-Unieleden ; vrijzinnig- en sociaal-democraten. En men kwam tot volledige overeenstemming (met uitzondering van één vrij-liberaal). Onder leiding van minister Cort van der Linden had de grondwetsherziening plaats, die in stede van alleen het openbare, het geheele onderwijs tot een voorwerp van aanhoudende zorg der regeering verklaarde.

Hierna is het minister De Visser mogen gelukken, in samenwerking met zoo goed als alle leden der Staten-Generaal, de principieele oplossing tot een feitelijke te maken, en wel in de L.O.-Wet 1920.

De beginselen van die Wet zijn : ieder het zijne ; openbaar en bijzonder onderwijs naar dezelfde maatstaf bekostigd uit de openbare kassen ; behoud van de vrijheid van richting, dus onaantastbaarheid der opvoedkundige zelfstandigheid van het bijzonder onderwijs ; eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen bij het openbaar onderwijs dat van Overheidswege gegeven wordt en dus neutraal moet zijn.

Behalve de „locale kabalen" (A. F. de Savornin Lohman) is er rust gekomen in de principieele verhouding tusschen openbaar en bijzonder onderwijs. En in de volksopinie is ze ongeveer aldus onder woorden gebracht : de openbare school is de algemeene, de volksschool, de bijzondere school is een groeps- of richtingsschool. Waarbij velen de oude traditie willen handhaven, 't kost wat het kost : de openbare school is de school voor het Nederlandsche volk ; de éénheidsschool — terwijl de bijzondere school een sectarisch karakter draagt, uit elkaar jaagt en de burgers van één stad of dorp splitst en verdeelt en daarom een ramp te achten is.

Velen kunnen die oude leus en dien goeden ouden tijd ten opzichte van de openbare school niet vergeten en niet loslaten. En telkens spreekt de behoefte bij velen, om de openbare school te zien en aan te bevelen als de algemeene school der toekomst voor het Nederlandsche volk!

Men wil dan ook alles doen om de algemeene school van het heden te handhaven voor de toekomst en haar positie in het midden van het Nederlandsche volk sterker te maken en breeder. Maar propaganda op de lange baan vraagt méér dan steun in traditie, ze vergt een achtergrond van werkzame beginselen.

En — men voelt het wel — zulk een principe is dat der algemeenheid-zonder-meer niet, wanneer men, zooals de meeste der voorstanders van de openbare school in dit twintig jarig tijdperk hebben gedaan, dit beginsel „neutraliteit" noemt. Dat weet men. Het kan ten slotte velen niet bevredigen, noch omdat „neutraal" zoo antipositief is, maar meer nog omdat „neutraal" in negatieve richting de opvoeding en het onderwijs zoo verarmt en het volksleven zooveel schade berokkent. En wie haar achteruitgang bedroeft, omdat hij sympathie gevoelt voor haar neutraal, ondogmatisch opvoedingsbeginsel, dat haar in principe (naar hun oordeel) uitermate geschikt maakt om volks-school te zijn, die piekert over die ,, neutraliteitsgedachte" en die leuze van „ondogmatisch" — en zoekt en tast of hij iets anders vinden kan, dat beter is dan dat koude neutraliteitsbeginsel. Men zoekt naar iets, dat warmer, dat geestelijker is — en toch iets „voor allen" moet zijn. Men zoekt daarom naar een dieperen achtergrond voor de neutraliteit ; wat wel veel gelijkt op een vierkanten cirkel, maar wat men toch zoekt ; een neutraliteit met een bepaald religieus, vroom kleurtje, en dat toch iets „voor allen" kan zijn !

Zoo deed ook, naar bekend is, de onderwijsminister Bolkestein, het eerst op de jongste algemeene vergadering van den Vrijz. Dem. Bond. Hij meende de achteruitgang der openbare school te kunnen stuiten, door haar als achtergrond te geven het Christelijk-humanisme. Mocht men dat aanvaarden, dan zou de overheidsschool, de openbare school, een „richtings-school" worden. Natuurlijk.

En dus dan zou ze, naar minister Bolkestein oordeelde, een richtingsschool worden naast de bijzondere. Niet meer een neutrale naast de bijzondere, maar een richtingsschool, met een bepaalde kleur, naast de bijzondere. En dus — zoo oordeelde minister Bolkestein — zou de openbare school dan haar fictie van „algemeenheid", of, zooals hij het uitdrukte, van „overkoepeling" moeten prijs geven.

Het spreekt van zelf, dat deze formuleering, meer doordat ze uit zoo officieele mond kwam dan dat ze zoo nieuw zou wezen, de algemeene aandacht trok, en onderwerp werd van talrijke commentaren en bestrijdingen.

In het oog viel hierbij, dat men minder bezwaar had tegen dat christelijk-humanisme op zich zelf, dan wel tegen het loslaten der algemeenheid van de openbare school. Dat is het heilige huisje : de openbare school voor allen zonder onderscheid, wat men met de neutraliteit heeft willen bereiken, echter tevergeefs ; omdat men voor velen niet gaf wat zij voor hun kinderen eischten en omdat zij in datgene wat zij wel gaf de rechte weg niet bewandelde en zoo van twee kanten het bij duizende ouders heeft bedorven en verkorven.

De Bode, het Orgaan van de Ned. Onderwijzersbond (openbare) schreef, dat men de openbare school gerust christelijk-humanistisch zou kunnen noemen, ,,maar dan natuurlijk in de gewone zin des woords". Dat wil dan blijkbaar zeggen : een „fatsoenlijke" school, zooals zij tot nu toe geweest is En de Bode zegt er nadrukkelijk bij, dat het geen school moet worden voor de kinderen der christen-humanisten. Men wil dat „christelijk-humanisme" gaarne cadeau geven, als de openbare school maar geen „richtings-school" wordt naast andere richtingsscholen ; ze moet zijn en blijven de algemeene school.

Volksonderwijs eveneens een schoolblad van de openbare onderwijzers, noemt zelfs verder dat woord „christelijk-humanisme" niet, maar heeft het alleen — in afwijzende zin — over dat woord „richtings-school", en zegt dan : „de openbare school houdt op overheidsschool te zijn, zoodra zij is een richtingsschool, ook al zij dan die richting (zoo mak en zoo mat) ,,de christelijk-humanistische".

En om buiten de onderwijspers te gaan, de N. R. Ct. schreef in haar overzicht van de Kamerdebatten (Avondbl. 20-12-'39) : „Dit (n.l. chr. humanistisch onderwijs) heeft naar onze meening de openbare school altijd gegeven, dat wil zeggen : in de verzoenende, niemand uitsluitende zin van het woord".

Het laatste woord is hierover nog niet gesproken, maar de vierkante cirkel van tegelijk neutraal en toch niet-neutraal te zijn, een bepaalde richting te willen voorstaan en toch voor allen bruikbaar te zijn — is nog niet uitgevonden. Dat voelen we wel.

De oplossing van het schoolvraagstuk zal wel liggen en blijven liggen in de richting van het vrije, bijzondere onderwijs, passend bij de kinderen van ons volk, naar de overtuiging van de ouders. Christen-ouders althans kunnen nooit genoegen nemen met neutraal, kleurloos onderwijs — dat verzwijgt wat den christen het meest lief is en wat propageert wat wij juist, als christen, niet moeten en niet willen hebben als leidend beginsel bij de opvoeding en het onderwijs onzer kinderen. Zij die de Vaderlandsche geschiedenis, de natuurkunde, de aardrijkskunde enz. z.g.n. neutraal vertellen en onderwijzen [niemand is werkelijk neutraal) verzwijgen voor onze gedoopte kinderen wat het opkomend geslacht moet hooren en weten, overeenkomstig de beginselen van Gods Woord. En wat zij zeggen en z.g.n. bewijzen (buiten Gods Woord en onze heilige christelijke beginselen om) willen wij juist niet als materiaal voor opvoeding en onderwijs.

We worden van dat neutrale hondje altijd van twee kanten gebeten. En dat willen we niet. Ook niet van dat christelijk-humanistische hondje. Wij begeeren Scholen met den Bijbel voor de kinderen van ons volk, overal waar men dat begeert; met „onaantastbaarheid der opvoedkundige zelfstandigheid van het bijzonder onderwijs".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's