NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen) 37)
Nienke kon het nooit bij Jochem bederven. Als Nienke iets wilde, stond Jochem al voor haar klaar, en een vriendelijk woord of een hoofdknikje met een lach van haar, maakte zijn ganschen dag goed. Geen wonder dus, dat hij vooral eerbied had voor haar lied. Temeer, waar hij immers, volgens het zeggen van Gurbe, ook in de beweging was en deel had aan het Koninkrijk.
Daar werd hun aandacht afgeleid door iets anders.
„De post !" klonk het aan de voordeur en in een oogenblik was Gurbe van den drievoet om de bestelling in ontvangst te nemen. Niet veel bizonders hoor. Een drukwerkje met een anderhalf cents postzegel, een vakblad, „De Jongelingsbode", voor Jochem, — o, toch ook nog een brief.
„Voor mejuffrouw Nienke Huitema", sprak de bode met verheffing van stem en met iets eigenaardigs in den klank zijner woorden. Althans zoo gevoelde Gurbe het aan. Alsof hij zeggen wilde, dat die adresseering eigenlijk niet juist was, maar dat hij dien brief hier toch maar deponeeren zou. Of was het nieuwsgierigheid, die uit zijn woorden sprak en hem met zoo'n vreemden blik den schoenmaker deed aanzien?
„Dank je wel ; mooi weertje hè ? " kwam Gurbe, en stak reeds de hand naar de deurklink uit om deze te sluiten. Maar zoó had de bode het niet bedoeld. Hij wilde wel graag iets meer weten van dien brief van mejuffrouw Nienke, helaas zóó verzegeld, dat het hem niet gelukken wilde achter de geheimen te komen, die in het brievenzakje verborgen waren,
„Kan je merken, dat je ouder wordt, hè ? " zei hij tegen Gurbe.
„Watblief ? " was het vragend antwoord.
„Dat je ouder wordt ; d'r komen kapers Op de kust!"
Eerst nu begreep Gurbe. 't Was ook zoo'n tegenstelling met den gedachtengang van zoo juist, toen hij was bij dat „verzekerd zijn van ik ben Zijn en Hij is mijn".
Eenigszins beteuterd keek hij naar de enveloppe. Ja, daar stond het met flinke forsche letters :
AAN MEJUFFROUW NIENKE HUITEMA,
p/a. den Heer G. Huitema, Mr. Schoenmaker te Zevenhuizen.
En wat het vreemdste was, in den postzegel stond met duidelijk leesbare letters ook het stempel van de eigen woonplaats afgedrukt. Alsof daaraan bizondere zorg besteed was, om dit goed te laten uitkomen.
„Nou, wat zeg je d'r van? " vroeg de nieuwsgierige post, die zoowat alles weten moest, wat er in het dorp omging en vooral wat voor berichten hij van huis tot huis bracht.
„'t Is niet voor mij bestemd hé", zei Gurbe, en groette hem.
Met een gemompel, 't welk allesbehalve vriendelijk klonk, bleef de man nog even onthutst staan en ging toen verder. Maar met iets dreigends in zijn oog, alsof hij wrilde zeggen : „Wacht maar, daar krijg ik je wel weer voor !"
Intusschen had zijn woord toch invloed gehad. „Kapers op de kust", had hij gezegd, 't Gebeurde bijna nooit, dat Nienke een brief kreeg. Een enkele maal eens een ansicht of fantasiekaart van een der vriendinnen uit Westergoo, of van een andere plaats, maar een brief nooit. Fainilie had zij niet, anders niet dan die eene, die haar weliswaar het allernaaste was op de geheele wereld, doch van deze was in geen jaren iets gehoord. Bovendien, de brief kwam immers uit Zevenhuizen zélf. Dat was het vreemde en dat deed den bode natuurlijk veronder, stellen. Omdat hij zooveel van dergelijke geheimpjes tusschen dorpelingen had rond te brengen en vaak het allereerst wist wat er tusschen dezen en die aan de hand was.
't Volgend oogenblik had Nienke 't witte brievenzakje in handen. Moeder Gelske kwam er ook bij te pas. Met een verheerlijkt gelaat keek zij naar haar dochter, toen deze met een haarspeld een opening maakte en van tusschen het violet bekleedsel een miniatuur velletje postpapier te voorschijn haalde. Hé, waarom beefde haar hand daarbij zoo en waarom had zij liever gehad, dat moeder niet zoo dijhtbij stond? Nog nooit had zij voor de huisgenooten iets geheim gehouden, en waarom nu deze beroering ?
Ja, waarom ? Wat is het in zijn diepste wezen, dat de verborgen roerselen van een menschenhart soms zoo heftig in beweging kan brengen, waardoor het niet zelden bij een uiterlijke kalmte, innerlijk zoo stormen kan, of ook omgekeerd, dat daar binnen zulk een wonderlijk diepe vrede en zulk een zalige blijdschap kan heerschen, terwijl misschien de uitwendige omstandigheden daarvan geheel verschillen? Hoe komt het, dat een enkele blik, een enkel woord, een enkele aanraking somtijds van zulk een geweldigen invloed op een menschenleven wezen kan, dat vanaf dat oogenblik een keerpunt in dat leven komt, om niet zelden langs heel andere banen te worden geleid ?
Daar heeft Gurbe voor zichzelf meermalen over nagedacht, om tenslotte aan te landen bij de Voorzienigheid Gods en in dat alles de onzichtbare leiding te zien van Hem, Die aller menschen wegen gadeslaat en zelfs de haren van ons hoofd heeft geteld. Dat heeft hij van der jeugd afaan ook aan Nienke geleerd, zooals ds. Buitenveld dit onderwijs op de catechisatie en in de prediking ging vervolgen, dat niets bij geval, maar alles uit de Vaderlijke hand Gods toekomt en dat is door alle tijden het rustpunt van al de kinderen Gods geweest, te midden van alles wat hen in het leven overkwam.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's