De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

23 minuten leestijd

De Vrijzinnigen loochenen Jezus' verzoeningswerk, het hart van het EvangelieVRIJZINNIG EN RECHTZINNIG, De vrijzinnige-Hervormden en de Bijbel. DE VRIJZINNIG HERVORMDEN EN HET DOGMA.

De Vrijzinnigen loochenen Jezus' verzoeningswerk, het hart van het Evangelie

Alweer zijn we in de lijdensweken. Pas hebben we Kerstfeest gevierd, en nu gaan we den lijdensweg van onzen Heere Jezus, Christus overdenken ; stap voor stap gaat het den via dolorosa, den weg vol smarten, langs, om zoo te komen op Golgotha, waar het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, geslacht zal worden. Daar offert de groote Hoogepriester Zichzelf ; want het Lam Gods is niemand anders dan onze Heere Jezus Christus Zelf : „Die Zichzelven als een onstraffelijk Lam Gode geofferd heeft".

Eigenlijk gaat heel het Evangelie om het lijden en sterven van Jezus Christus, om Zijn verzoeningswerk te prediken, als het centrale, als het hart van alles, dat niet gemist kan worden, nooit en nergens. Alles gaat om dat verlossingswerk. Zooals we elken Zondag bij het belijden van ons Christelijk geloof, in de Apostolische geloofsbelijdenis, kort en duidelijk achter elkaar uitspreken: die geboren is uit een vrouw, geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven; nedergedaald ter helle.

Zoo inééns gaat de gemeente van Christus: van Bethlehem naar Golgotha! Wanneer dat verzoeningswerk uit de prediking weggenomen wordt, is het geen Evangelieprediking meer, en sluit men zich zelf uit buiten de Christelijke Kerk van alle eeuwen.

Wij lazen dezer dagen nog weer eens de brochure van ds. A. Binnerts Sz., van Haarlem (reeds in 1925 uitgegeven) : „Het plaatsbekleedend lijden van Jezus Christus" (vlugschrift van Moderne theologen). En natuurlijk gaat het dan om de satisfactie-leer, de leer der verzoening door voldoening, te ontkennen en te bestrijden. Moderne theologen moeten dat doen. Hun menschbeschouwing, hun zondebegrip enz, is zoo radicaal anders dan de Kerk van Christus door alle eeuwen heen geleerd heeft, naar uitwijzen van de Schrift, waarmee dan correspondeert, dat hun Christusbeschouwing zoo radicaal anders is, dan onze geloofsbelijdenis uitspreekt.

Maar wat ons opviel, was dit : dat ds. Binnerts moest bekennen, dat de leer van het verzoenend lijden en sterven van Jezus door alle eeuwen geleerd is en door alle orthodoxe theologen, tot op vandaag, geloofd en beleden wordt. Dat deze leer het hart van „de groote Hervormingskerken is".

We lezen dit in bovengenoemde brochure (blz. 1) :

„Wat in het verwonderlijke 53ste hoofdstuk van Jesaja wordt gezegd van den lijdenden „èbed Jahwe" (de Knecht des Heeren) : „Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten heeft hij gedragen", „hij is om onze overtredingen verwond; om onze ongerechtigheden is hij verbrijzeld ; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op hem, en door zijne striemen is ons genezing geworden" — dat heeft de oude Christenheid gelezen als geschreven van haar Heer en Heiland. Als 1 Cor. 15 vers 3 staat : „Ik heb ulieden overgegeven hetgeen ik ook ontvangen heb : dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften" — dan is die Schrift Jesaja 53. En wat daar staat, is speciaal de grondtoon van het gansche Paulinische Evangelie, dat kan worden samengevat in den tekst (Rom. 4 : 25) „overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking", en welks prediker niet anders wilde weten dan dit ééne : „Jezus Christus - en dien gekruisigd" (1 Cor. 2:2). Wilt gij uit deze sfeer nóg een sprekend woord (2 Cor. 5 : 17 enz.) : „Zoo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel : het oude is voorbij gegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. En deze dingen zijn uit God, die ons met Zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft. Want God was in Christus de wereld met zichzelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende ; en heeft het woord der verzoening in ons gelegd. Zoo zijn wij dan gezanten van Christus' wege, alsof God door ons bade : wij bidden van Christus' wege, laat u met God verzoenen. Want dien, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden, rechtvaardigheid Gods in hem". Dat is de alom aanvaarde Kerkleer'.

Nadat dan over Anselinus : „Cur Deus homo? ", Thomas van Aquino enz., een enkel woord gezegd is, wordt nog eens herhaald, dat we hier de leer zoowel van de Roomsche als van de groote Hervormingskerken hebben. En ds. Binnerts schrijft dan :

„Waar het mij om te doen is, is de stelling te betoogen : dat de leer van Jezus' verzoeningswerk, van Zijn plaatsbekleedend lijden, zich heeft gehandhaafd tot op dezen dag. Wat de Art. 21—23 van de Ned. Geloofsbelijdenis leeren „van de voldoening van Christus, onzen eenigen Hoogepriester voor ons"; „Van onze rechtvaardigmaking door het geloof in Jezus Christus" en „Dat onze rechtvaardigmaking bestaat in de vergeving der zonden en toerekening der gehoorzaamheid van Christus" — dat beantwoordt de 60ste vraag van den Heidelb. Catechismus: „Hoe zijt gij rechtvaardig voor God? " — aldus : „Alleen door een waar geloof in Jezus Christus; alzoo dat al is het dat mij mijne consciëntie aanklaagt, dat ik tegen alle de geboden Gods zwaar lijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder eenige verdienste mijnerzijds, uit louter genade, mij de volkomene genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals hadde ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als hadde ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zooverre ik zulke weldaad met een geloovig hart aanneem".

„Welnu" — aldus ds. Binnerts — „wat de Gereformeerde Dogmatiek van de 16de eeuw leert, vinden wij mutatis mutandis terug bij ál wat rechts staat in de 20ste eeuw. Wie Bavinck naleest over „het werk van den Middelaar", komt niet alleen wederom onder den indruk van de rijke belezenheid van dezen geleerde, maar ook dat hij met alle macht de „satisfactio vicaria" als Schriftmatig handhaaft. Als „straf" ook wil hij Jezus' lijden zien, berustende op eene ordinantie Gods ; als een concreet feit, geheel eenig in de menschengeschiedenis, met grondslag in den raad Gods Drieëenig, in het onwankelbaar verbond der verlossing"

Dat vindt men terug bij al wat „rechts" is — zegt ds. Binnerts, daar de scheidingslijn trekkend tusschen orthodoxie en vrijzinnigheid. En om dat te bewijzen, dat al wat rechts is hierin overeenstemt, wijst hij (het is in 1925) op dr. De Hartog en dr. Slotemaker de Bruine :

„De Hartog mag toornen tegen een uiterlijke verzoening, hij mag de juridische verzoeningsleer eenzijdig noemen, hij ziet toch in haar een waarheidselement. „Toekeering Gods tot den zondaar is slechts denkbaar", schrijft hij in Heilsfeiten, blz. 74, „indien eenerzijds de toorn in de liefde breekt, anderzijds de liefde Gods daarin openbaar wordt, dat zij zelve „plaatsvervangend" komt delgen en verdoen schuld en zonde der menschheid".

„Slotemaker de Bruine eindelijk — om mij tot deze woordvoerders te bepalen — heeft een en andermaal niet alleen de gedachte van „plaatsvervangend lijden" gehandhaafd tegen intellectualistische bezwaren, maar ook positief het wezenlijke van de oude leer van Jezus' schulddelgend lijden als waarheid naar voren gebracht".

Zoo erkent de Vrijzinnige mee, dat het schulddelgend — verzoeningswerk van Jezus Christus èn het hart van het Evangelie naar de Schriften èn het hart van het Evangelie overeenkomstig de leer van alle „groote Hervormingskerken" is, en dat al wat rechts is, dat plaatsvervangend lijden en sterven van onzen Heiland handhaaft.

En zoo sluit de Vrijzinnige, die het hart van het Evangelie uitsnijdt en loochent „Jezus Christus en dien gekruisigd", zichzelf uit van de Christelijke Kerk.

De lijdensprediking van deze weken kwam ons weer pijnlijk aan deze dingen herinneren.

VRIJZINNIG EN RECHTZINNIG

Vrijzinnig en rechtzinnig — modern en orthodox, zijn termen, , op kerkelijk terrein in gebruik. Orthodox wil zeggen: overeenkomstig de leer en de belijdenis der Kerk. Een orthodoxe Jood is iemand, die zich houdt aan de leer der Joodsche religie en overeenkom­ stig de Joodsche leer leeft, terwijl een vrijzinnige of liberale Jood een „spekjood" is, die zich niet stoort aan de Joodsche , leer en de Joodsche ritus en „vrij" z'n eigen weg gaat.

Zoo hebben we in de Hervormde Kerk orthodoxen of rechtzinnigen, die zich houden aan en voegen naar de reformatorische leer en belijdenis der Kerk, en vrijzinnigen of modernen, die vrij in hun denken en vrij in hun gelooven en belijden willen zijn en afwijken van de leer der Kerk ; die een heel ander begrip hebben van zonde en genade en die van een anderen Christus spreken dan de Christus der Schriften, zooals ook de belijdenis dien Christus predikt, zooals de Sacramenten van Doop en Avondmaal den weg des heils in en door den Zaligmaker laten zien in 't midden der gemeente en bevestigen de beloften Gods in Jezus Christus, onzen Heere.

Vrijzinnig en rechtzinnig — 't is in den klank der woorden al te beluisteren — vormen een tegenstelling. De eerste is vrij van de leer der Kerk, de laatste voelt zich daaraan gebonden; de eerste stemt er niet mee in, de laatste stemt er wel mee in; zooals de orthodoxe Jood als Jood spreekt en handelt en de liberale, vrijzinnige Jood om veel van het Joodsche geloof en van het Joodsche leven lacht en er zich dan ook van los maakt en er zich tegenover stelt. De een neemt aan, de ander verwerpt; de een erkent, de ander loochent; de een voegt zich in den weg en de ander kiest juist andere wegen, enz.

Telkens komt de tegenstelling uit; 't kan niet anders — anders is men niet vrijzinnig ; dan is men rechtzinnig. Want vooral in de leer van zonde en genade, wat zeer zeker in de leer aangaande Christus moet uitkomen.

De een „zegt" dit van Hem, en de ander „zegt" dat van Hem. „Wie zeggen de menschen dat Ik ben — wie zegt gij dat Ik ben? "— is altijd weer de zaak, die Christus Zelf aan de orde stelt. Omdat in de Kerk alles om Christus gaat, die het fundament en de hoeksteen is, die alles is voor leven en sterven beide. In de Kerk zit alles met alle draden vast aan Christus, daarvoor is de Kerk Kerk, eigendom van Christus, huis Gods, lichaam van Christus, gemeente des Heeren ! Hij het Hoofd, wij de leden ; en zonder Hem hebben we niets en kunnen we niets.

Nu willen de vrijzinnigen altijd beweren, dat zij er net zoo goed bij hooren als de anderen. Ze zeggen principieel en radicaal te verschillen (daarin bestaat juist het vrijzinnige van de Vrijzinnigen, waarmee ze altijd te koop loopen, dat zij anders denken en spreken, anders gelooven en belijden, ja, alles anders willen hebben en anders willen doen dan de rechtzinnigen! ) en tegelijk willen ze dan weer beweren en volhouden: we behooren er even goed bij als gij, rechtzinnigen; we behooren evengoed in de Kerk (het huis van Christus, den Heere) als gij. En — hun Christus is een radicaal andere Christus, dan de Christus van Schrift en belijdenis. Hun menschbeschouwing is anders. Hun leer aangaande de verlossing is radicaal anders. Alles is anders — en dan willen ze toch er evengoed bij hooren, als de rechtzinnigen. Het heilig criterium : wat dunkt u van den Christus ? negeeren ze. Het staat bij hen niet op de eerste rij. Of ja, ze schuiven het óók voorop, en er komt dan radicaal iets anders voor den dag, dan naar de leer der Kerk is, dan in de Sacramenten ons gegeven is, maar dat verhindert hen blijkbaar niet om toch te zeggen : wij hebben evenveel recht in de Hervormde Kerk, met de Hervormde belijdenis, als jullie, met wie we principieel verschillen!

Waarom „tolt" men toch altijd zoo wonderlijk rond? Waarom staat men niet voor hetgeen men gelooft en belijdt ?

In Amsterdam heeft de Hervormde Kerkeraad een rapport in deze opgesteld, zooals onlangs ook de Kerkeraad van Rotterdam — zij 't in anderen vorm — gedaan heeft, naar aanleiding van dezelfde aangelegenheid: het verzoek van de Vereeniging van Vrijz. Hervormden om een dominé te beroepen van vrijzinnige richting, die dus vrij staat tegenover de leer der Kerk, dat wil zeggen: die een andere leer, een radicaal andere leer, brengt, dan de leer der Hervormde Kerk is, dan in de Schrift en in den Catechismus en in de Sacramenten ons geleerd wordt.

Het Amsterdamsche rapport heeft gezegd : gij, vrijzinnigen, onttrekt u aan de Kerk, aan de prediking, aan de Sacramentsbediening, aan de samenleving met de gemeente, aan de leiding van de ambtsdragers, enz. Grondig heeft men dat betoogd, uiteengezet en bewezen. (Zie Kerkbeurtenblad van 17 Nov. '39).

En nu is men verontwaardigd. Ds. K. A. Beversluis, secretaris van de Vereeniging van Vrijz. Hervormden, zegt in „Contact" zelfs, dat het „onbeschaamd" is van het Amsterdamsche rapport, om zóó te spreken en te oordeelen.

De Vrijzinnigen onttrekken zich aan de gemeente, aan de bediening des Woords en der Sacramenten en kunnen het met geen één van de 28 dominees van Amsterdam vinden. Waarom niet? Omdat zij met de leer der Kerk, met de leer der Kerk inzake zonde en genade, met de prediking van den Christus, met de bediening der Sacramenten het niet vinden kunnen.

Inplaats dat de Vrijzinnigen nu zeggen: ja, men heeft in Amsterdams Kerkeraad eigenlijk gelijk, wij onttrekken ons, omdat we ons daarin onmogelijk kunnen vinden, omdat we het met de leer der Hervormde Kerk absoluut niet eens zijn en radicaal iets anders gelooven en belijden en beleven willen — inplaats daarvan zegt men nu : het is onbeschaamd van dien Amsterdamschen Kerkeraad.

En handig wil men zijn — nochtans is het dom — en zegt : in vrijzinnige gemeenten doen de orthodoxen precies wat wij in Amsterdam en Rotterdam, en Den Haag en Utrecht enz. doen, want daar gaan ze óók in een „Evangelisatie" afzonderlijk vergaderen, prediken, catechiseeren, enz.

Maar is dat nu hetzelfde ? Of is het inderdaad niet radicaal iets anders ?

Als de Vrijzinnigen (die immers vrij-zinnig zijn en willen zijn) zich onttrekken aan de bediening des Woords en der Sacramenten, doen ze dat, omdat ze iets van de Kerk, van den Kerkeraad, van den Dienaar des Woords met name, vragen, wat de Hervormde Kerk niet geven kan en niet geven mag en niet geven wil, aan menschen, die vierkant iets anders willen — met name wat de Christusprediking aangaat ! — dan de Hervormde Kerk gelooft en belijdt en als Kerk van Christus geven moet.

Men wil de Kerk tot ontrouw en tot verloochening van de belijdenis der Kerk bewegen (als men waarlijk vrij-zinnig is).

Waarom de Kerkeraad dat ook weigert te doen, deze vrij-zinnige lieden waarschuwend, altijd maar weer verwachtend van de Kerk dat zij iets anders zal gaan geven, dan haar toegestaan is te geven. Zij mag haar prediking des heils, haar bediening des Woords en der Sacramenten niet radicaal gaan wijzigen.

Hier doet de Vrijzinnige Afdeeling dus iets ongehoords en vraagt iets ongehoords, in strijd zijnde met de leer der Kerk.

En met de „Evangelisatie" in Vrijzinnige gemeenten is het nu net precies omgekeerd. Daar waarschuwt de Evangelisatie zoo'n plaatselijke gemeente, met Kerkeraad en dienaar des Woords, die ook de Sacramenten bedient, dat men daar ontrouw is aan wat de Kerk gelooft en belijdt, ontrouw aan de leer der Kerk, ontrouw aan z'n kerkelijke beloften en kerkelijke roeping !

Ds. Tromp, van Zandvoort, die over deze dingen schrijft in een uitvoerig artikel in „Woord en Geest" (26 Jan. '40) zegt :

„Hier is de tegenstelling met de Evangelisatie in een vrijzinnige gemeente : deze waarschuwt zoo'n plaatselijke gemeente, door te wijzen op haar ontrouw. De Evangelisatie wil in wezen de Kerk aan zichzelve herinneren ; de Afdeeling van Vrijz. Hervormden dringt tot ontrouw. En dat moest zij weten. Daarover moet zij niet boudeeren, als haar dit gezegd wordt."

Klaarheid komt er alleen, wanneer men elkander de dingen durft zeggen ; en niet direct gaat spreken over „onbeschaamdheid". In kan niet inzien, dat een gemeente, die zichzelf erkent als Christelijke gemeente, „onbeschaamd" is, wanneer zij een groep der leden vermaant".

Nu zegt ds. Beversluis, dat de vrijzinnigen een groep bewuste Christenen vormen, die Christus belijden willen. Dat „belijden van Christus" moet echter gecontroleerd worden. De menschen „zeggen" — maar wat zegt de Kerk? Wat zegt de Heilige Schrift ? Wat zegt Christus Zelf ? De Vrijzinnigen zeggen, dat de Amsterdamsche predikanten, allen saam en ieder persoonlijk, „orthodoxe steenen voor brood" geven. En dus niet den Christus verkondigen. Niet het Evangelie prediken: Het Woord verkeerd bedienen en de Sacramenten verkeerd bedienen.

Hoe hebben nu de Vrijzinnigen ontdekt, dat dit „steenen voor brood" zijn en geen Evangelie ? Waaróm is het Evangelie der Vrijzinnigen „brood" en het Evangelie van de Hervormde gemeente van Amsterdam „steen"? Waarom onthouden de Amsterdamsche predikanten het ééne noodige aan de gemeente ? Het is toch wel de zwaarste beschuldiging, die men een Kerkeraad, die men een predikant, kan toevoegen! Steenen voor brood geven. Het ééne noodige onthouden aan de menschen ! Het Woord misbruiken, de Sacramenten bederven ! En dan zeggen de Vrijzinnigen : wij hebben een rijker Evangelie en rijker Sacramentsbeschouwing? Waarbij de Vrijzinnigen dan weigeren de rechtzinnige prediking te hooren en weigeren de rechtzinnige Sacramentsbediening! Dr. Tromp zegt tenslotte nog:

„'t Wordt een vreemd geval. Ik meen, dat de Amsterdamsche gemeente toch niet anders wil, dan dat Christus beleden worde. En nu komt er een groep van „bewuste Christus-belijders" die zegt, wij willen dat niet, wat gij wilt, wij willen principieel iets anders". „En nu heb ik niet eens gesproken over de Sacramenten. Worden deze in Amsterdam niet bediend overeenkomstig den rijkdom van het Evangelie ? Moet er dan ook anders gedoopt worden ? Anders het Avondmaal bediend worden ?" Zijn de kerkelijk daarvoor gegeven formulieren niet goed, geven die steenen voor brood, onthouden die het Evangelie, het ééne noodige ? „Ik zou werkelijk wel eens willen weten, welke bezwaren „bewuste Christenen, die Christus belijden willen", kunnen hebben tegen de bediening der Sacramenten volgens de leer der Hervormde Kerk". „Laten de formulieren Christelijke elementen wég ? Getuigt alles daar van armoede, zoodat de aanvulling met wat de Vrijzinnigen in het Evangelie ontdekt hebben, noodig is ?" Gaat het bij de Vrijzinnigen niet om hun eigen standje? om haar eigen Vereeniging, met hun eigen beginsel, met hun eigen evangelie, met hun eigen menschbeschouwing en hun eigen Christusbeschouwing ? „ik meen" — zegt dr. Tromp — „dat de Vrijzinnigen moeten oppassen, dat het bij hen niet gaat om hun eigen standje". „Ondertusschen ben ik nieuwsgierig, hoe dat er uit zal zien: het Amsterdamsche ministerie van predikanten in de bank der beschuldigden, aangeklaagd wegens dogmatisch beperkte prediking, met „steenen voor brood" door de leden der Afd. van Vrijz. Hervormden, Voor wie het Evangelie rijker is. Nu gaat de Vrijzinnige het Evangelie verdedigen tegenover den rechtzinnige". „Waar men als rechtzinnige al niet belanden kan ! „De zorg voor de Evangelie-verkondiging in de handen der Vrijzinnigen !"

DE VRIJZINNIGE-HERVORMDEN EN DE BIJBEL. 

Er is een „Rechter"— en er is een „Linker" Werkgroep van Moderne Theologen in ons land.  De „Linker Werkgroep" (sinds 1934) geeft een reeks van wetenschappelijke geschriften over „de groote geloofsvragen" uit, en daarnaast een serie geschriften bestemd voor „breederen kring".  Van deze meer populaire uitgave is no. 2 verschenen van de hand van ds. J. van Rossum, voorganger van de Vrijz. Hervormden te Amersfoort (vroeger verscheen van hem : „Godsdienst en vrije gedachte") handelend over de waarde en de beteekenis van den Bijbel. Het boekje (ongeveer 20 blz.) heet : „Méér dan de Bijbel". 

We moeten — aldus de Schrijver — beginnen met te herinneren aan Joh. 16 : 12 en 13, waar we lezen : „Nog veel dingen heb ik u te zeggen — die kunt ge nu nog niet verstaan — de Geest der Waarheid zal ze u later bekend maken". 

Hieruit blijkt, dat „met den Bijbel het laatste woord niet gesproken is" ; dat boek wijst hier boven zichzelf uit ; er is een latere en hoogere en betere waarheid, die ons nu door den Geest der Waarheid is bekend gemaakt. Dat kon vroeger nog niet geschieden, maar dat is nu een feit geworden, en wij mogen dus een hoogere waarheid kennen, dan de menschen vroeger in den Bijbel lazen. Daarom was het ook noodig en nuttig, dat „de eenzijdig voorgestelde Christus wèg ging", dan zou de Geest der Waarheid ,, het ware of volledige Christendom brengen". (Joh. 17 : 7 ; Joh. 14 : 20). „Volgens de traditioneele voorstelling is met het laatst tot stand gekomen geschrift van het N.T., de Openbaring van Johannes, de goddelijke openbaring definitief afgesloten", maar in werkelijkheid is later pas „het ware of volledige Christendom" ons bekendgemaakt door den Geest der Waarheid. Daarom is de Kanon-vorming door de oude Christelijke Kerk ook zoo te veroordeélen. Want toen heeft men „de levende en dynamische openbaring" willen beperken tot „enkele geïnspireerde schrijvers". Maar de Geest der Waarheid is vrij en laat zich door een Kerk niet binden. Bovendien is de oude Kerk kortzichtig geweest en heeft onverantwoordelijk dwaas gehandeld, door mooie boeken, als het Boek der Wijsheid, Tobias enz., niet in den Kanon op te nemen, en minderwaardige boeken wèl „heilig" te verklaren. Dat heeft de hiërarchische Kerk gedaan, om te heerschen over den geest, die vrij is.  De Hervorming heeft op den Bijbel teruggegrepen, maar dat is in werkelijkheid geweest : een teruggrijpen op een m.aaksel van de oude Kerk.  Dat is voor den echten Protestant onaanvaardbaar. De echte vrijzinnige erkent niet anders dan zijn subjectieve overtuiging — dat een „getuigenis van den Heiligen Geest" genoemd kan worden — en wil na eeuwen van wetenschappelijke bijbelcritiek niet anders erkennen, dan z'n eigen gezond verstand bij de resultaten der moderne wetenschap.  „Voor zelfstandig denkende menschen van de 20ste eeuw, voor bewuste en gerijpte Protestanten", bestaat er zoo'n heilig Boek niet. „De Kanon des Ouden en Nieuwen Verbonds is alleen een Israëlietisch-Joodsche en oudchristelijke letterkunde !" „En de godsdientig-zedelijke en historische waarde van deze geschriften wordt voor ons bepaald door ons eigen oordeel en inzicht, dat gevormd is door de resultaten der historische wetenschap en der litteraire kritiek, alsmede door de ontwikkeling van het wijsgeerig denken en den groei van het zedelijk besef, zooals deze zich in Europa voltrokken hébben".  Dit is het consequent-protestantsche en eenig mogelijke vrijzinnige standpunt" (blz. 19). 

„Wil het woord „vrijzinnig" eenigen zin hebben, dan moet het beteekenen, dat wij de rechten van het menschelijk denken óók op godsdienstig gebied ten volle willen laten gelden".  „Verlaten wij dit standpunt, door b.v. ergens een bordje met „verboden toegang" te plaatsen, waar de kritiek niet doordringen mag, dan is ook dé vrijzinnigheid principieel door ons prijsgegeven en de deur voor allerlei dogmatisme en gezagsgeloof wagenwijd opengezet" (blz. 20). 

„Met het woord „vrijzinnig" is dan natuurlijk nog niet beslist over den inhoud van onze overtuiging (wat ook wel blijkt door het feit, dat vrijzinnige Overtuigingen zeer kunnen verschillen en met elkaar strijdig kunnen zijn) maar wèl is er dit mee gezegd, dat voor ons nooit iets waar kan zijn, omdat het hier of daar geschreven is, of omdat het door dezen of genen is gezegd" (alsof het Christen­ dom dat ooit geleerd heeft dat iets waar is, omdat het hier en daar geschreven is, of omdat het door dezen of genen is gezegd !). „Voor den vrijzinnige kan iets alleen maar waar zijn, voorzoover en omdat het voor en in ons eigen denken houdbaar is" (blz. 20). „Iets kan voor ons alleen maar gelden, voorzoover en omdat het door en in ons eigen zedelijk besef als geldig wordt erkend". „En het getuigt van een naïeve mentaliteit (een dwaas en onprotestantsch bedrijf) als men den Bijbel, na een eeuw wetenschappelijke bijbelcritiek achter ons, weer normatief wil stellen voor de godsdienstpredikers, zooals b.v. ds. H. C. Touw doet in zijn laatste geschrift : „Verontrustende prediking". (Noot blz. 18). 

„Waarheid en denken zijn onafscheidelijk aan elkaar verbonden. Het ware denken is „de gedachte waarheid" ; en de waarheid voor ons is dus niets anders dan het denken in zijn zuiverheid zelf" (blz. 21) ,, De norm der waarheid is in ons zelf" (dr. J. D. Bierens de Haan, Utrecht. 1897). 

Zoo is er wel in den Bijbel wat met het ware denken van den mensch correspondeert — maar nooit mag de Geest der Waarheid ingekapseld en ingekerkerd worden in door menschen samengestelde en uitgezochte geschriften. De Geest der Waarheid gaat ook na apostelen en profeten voort ons in alle waarheid te leiden. Ook door heidenen is bij gelegenheid de waarheid beseft — gelijk Paulus laat zien op den Areopagus (Hand. 17 : 28). 

„Stomme vereering en verabsoluteering van wat eens geschreven en gezegd is, kan slechts tot verstarring en ondergang van den Geest der Waarheid leiden" (blz. 22). 

De vrijzinnigen nemen dus wel een heel ondeugdelijk standpunt in.  De Kerk van Christus zegt : „Er staat geschreven". De Vrijzinnigen zeggen : „wij hebben gedacht". De Kerk van Christus zegt : „Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad". De Vrijzinnigen zeggen : „wij hebben gefilosofeerd en gemoraliseerd". De Heiland zegt door Abraham — in de gelijkenis — „zij hebben Mozes en de Profeten, dat zij die hooren", want door niemand en door niets anders zullen zij de Waarheid kennen. „Omdat gij de Schriften niet kent, vervalt gij in al die vreemde dingen", zegt de Heiland tot de Sadduceën, die Hem een strikvraag stellen in betrekking tot de opstanding. „O, onverstandigen, die zoo nalatig zijt in het gelooven der Schriften", zegt de Heere Jezus tot de Emmaüsgangers, en Hij leert hen wat de Schriften zeggen. „Onderzoekt dan de Schriften ! roept Hij ons toe „en gij zult het eeuwige leven vinden". 

Want dan wil de Heilige Geest Zijn eigen Boek openleggen aan de harten dergenen, die den Heere zoeken en vreezen. Dan komt „het getuigenis des Heiligen Geestes" (in een gcr zonden zin) „om ons harte te overtuigen van de waarheid van het Woord, zoodat wij het niet gelooven omdat de menschen, zelfs niet omdat de Kerk het leert (art. 5 Ned. Geloofsbelijdenis), maar omdat God Zelf van de waarheid der Schriften overtuigt, en ons hart leert toestemmen en gelooven, wat tot rechte kennis van God en tot onze zaligheid is. 

Neen, niet het ouderwetsche en versleten standpunt van het rationalisme moeten we weer terug hebben. Niet wat de verlichte eeuw ons leerde en wat de denkende en filosofeerende mensch doceerde of de goede, deugdzame, brave, gave mensch, naar den geest van het humanisme, voordroeg als waarheid en voorschreef voor de moraal. De mensch denkt dan dat hij vrij is en zijn eigen wetgever, en hij beseft het niet, dat hij een dienstknecht van leugen en zonde is.  En dan durft de verlichte mensch nog roemen in de ontwikkeling van waarheid en zede in het huidige Europa! (blz. 19) ; waarom wil men toch „méér dan den Bijbel hebben ?

DE VRIJZINNIG HERVORMDEN EN HET DOGMA

In een artikel in „Kerk en Wereld" (19 Jan. '40) schrijft ds. D. Bakker van Drachten over „waardeering van Symbolische Geschriften" :  „Het Protestantisme kent en bezit geen dogma in den eigenlijken zin van 't woord".  We herinneren ons, dat prof. Gunning in Leiden graag sprak van „liet dogma, het lied des geioofs der Kerk".  Van dat lied des geloofs houden de Vrijzinnig Hervormden dus niet.

„Maar" — zoo schrijft ds. Bakker verder — „er is ook geen Christendom zonder beleden geloofswaarheid, zonder belijdenis, zonder credo, ook al zien wij de ijetrekkelijkheid daarvan in".  Dus — toch een dogma, een belijdenis ?  Ja, maar zin"! dan vooral die „betrekkelijke zin".

„Van Schleiermacher" — zoo vervolgt ds. B. — „hebben wij voor eens en voor altijd geleerd, dat elke geloofsformuleering vloeibaar is ; zij moet bepaald worden door de cultuur van den tijd, waarin zij ontstaat, enz. enz." 

De cultuur, de ontwikkeling, de beschaving, de kennis, de wetenschap, de moderne tijd, moet dus telkens het dogma bepalen en de geloofsformuleering vaststellen. Daarom is 't ook altijd „betrekkelijk" en vooral „vloeibaar".  Hierbij wordt dan verder door ds. Bakker gereleveerd het oordeel van dr. W. Leendertz uit zijn geschrift over het „Dogma".  Extra zegt ds. Bakker dan nog eens : ,, wij zijn ondogmatische Christenen".  Wat geen nieuws voor ons is.  „Betrekkelijk" en „vloeibaar" en vooral „cultuur" onderstreepten we even.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's