De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Paulus wederstaat Petrus, vers 11-14.

6 minuten leestijd

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.

Paulus wederstaat Petrus, vers 11-14. (II).

Want eer sommigen van Jacobus gekomen waren, at hij mede mét de heidenen, vers 12.

De heidenen, die tot het geloof bekeerd waren, aten spijzen, welke in de Wet verboden waren. Diezelfde spijzen at ook Petrus, zoolang hij met de bekeerde heidenen omging; ook dronk hij verboden wijn, en hij wist, dat hij daar niet verkeerd aan deed. Daarom overtrad hij, tezamen met de heidenen, met een gerust geweten de Wet.

Ook Paulus bekent, aldus gehandeld te hebben, wanneer hij in 1 Kor. 9 vers 20 en 21 zegt : „ik ben den Joden geworden als een Jood; dengenen, die zonder de Wet zijn, ben ik geworden als zijnde zonder de Wet". Dit wil zeggen, dat Paulus met de heidenen op heidensche wijze gegeten en gedronken heeft, en in 't geheel niet de Wet in acht genomen heeft.

Petrus zondigde dus evenmin; doch door deze overtreding toonde hij aan, dat de Wet niet noodzakelijk is voor de gerechtigheid, en tegelijk bevrijdde hij de heidenen van de onderhouding der Wet. Wanneer nu Petrus in één stuk de Wet overtreedt, dan staat het hem vrij, zulks in alle te doen. Paulus bestraft Petrus dan ook niet wegens deze „overtreding" der Wet, doch om zijn huichelarij.

Maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich, en scheidde zichzelven af, vreezende degenen, die uit de besnijdenis waren, slot vers 12.

Hier ziet ge de zonde van Petrus, die Paulus duidelijk beschrijft. Hij beschuldigt hem niet van arglistigheid en onkunde, maar van huichelarij en zwakheid. Petrus sloeg namelijk meer acht op zijn eigen Joden, dan op de heidenen. En hierdoor gaf hij aanleiding, dat de christelijke vrijheid en de waarheid van het Evangelie in gevaar werden gebracht. Want door zich te onttrekken en zich geheel af te scheiden, zich onthoudende van spijzen, welke in de Wet verboden zijn, doch welke hij te voren gegeten had, heeft hij de geloovigen in groote moeilijkheden gebracht, zoodat zij uit de handelwijze van den apostel de conclusie trokken : Petrus onthoudt zich van spijzen, die in de Wet verboden zijn ; derhalve zondigt een ieder, die eet, wat in de Wet verboden is ; wie zich echter van dergelijke spijzen onthoudt, die is rechtvaardig. Daar Petrus zich onttrekt, en met opzet spijzen mijdt, welke hij eerst gegeten heeft, zoo is dit een klaar bewijs, dat zij, die verboden spijzen eten, tegen de Wet zondigen, terwijl degenen, die zich van dergelijke spijzen onthouden, de Wet vervullen, en gerechtigheid zullen verkrijgen.

Wat Petrus deed, was op zichzelf niet verkeerd, want eten en drinken of niet-eten en niet-drinken zijn zaken, die op zichzelf geen beteekenis hebben. Maar verkeerd is de conclusie, die men aan een en ander verbindt: wanneer ge eet, dan zondigt ge, en wanneer ge u onthoudt, dan zijt ge rechtvaardig.

Zoo is ook de besnijdenis op zichzelf een goed ding, maar het is niet goed, wanneer men besluit tot deze conclusie : indien ge u niet overeenkomstig de Wet van Mozes laat besnijden, dan kunt ge niet zalig worden. Evenzoo is het niet verkeerd, wanneer men spijzen eet, welke in de Wet verboden zijn, doch verkeerd is het, dat Petrus zich onttrok en afscheidde, omdat daaruit deze conclusie kon getrokken worden: Petrus onthoudt zich van hetgeen in de Wet verboden is ; wanneer gij dat ook niet doet, dan kunt ge niet. zalig worden.

Geenszins kon Paulus doen, alsof hij deze zaak niet opgemerkt had, want de waarheid van het Evangelie liep hier gevaar. Ten einde deze ongerept te bewaren, wederstond hij Petrus in het aangezicht.

Er moet onderscheid gemaakt worden tusschen tweeërlei onthouding van spijzen. In de eerste plaats kan men zich onthouden van spijzen ter wille van zijn broeder; men heeft dan alleen de liefde op het oog. Vervolgens kan men zulks echter doen, omdat men meent, dat hij, die zich van bepaalde spijzen onthoudt, gerechtvaardigd en zalig wordt, terwijl hij, die er zich niet van onthouden zou, zondigt en veroordeeld is. In de eerste onthouding schuilt geen gevaar, want het is goed, een zwakken broeder op deze wijze tegemoet te komen. Ook Paulus heeft zelf zoo gedaan en geleerd (1 Korinthe 9 vers 19vv).

Het tweede geval beteekent echter Christus verloochenen. Zijn bloed met voeten treden, en God, benevens al wat Goddelijk is, lasteren. Petrus heeft door zijn veinzerij wel degelijk gezondigd, want hij zou de leer van de noodzakelijkheid der Wet weer ingevoerd hebben, en den heidenen en Joden hebben gedwongen, af te wijken van de waarheid van het Evangelie. Hij zou hun een schoone gelegenheid gegeven hebben, om Christus te verlaten, de genade te loochenen, tot het Jodendom terug te keeren, en al de lasten der Wet weer op de schouderen te nemen, wanneer Paulus hem niet bestraft had, en daardoor Joden en heidenen had teruggebracht tot de vrijheid in Christus en de waarheid van het Evangelie, welke door het voorbeeld van Petrus ontstemd waren (de Joden en heidenen n.l.). Het is zeer te verwonderen, dat Petrus, een zoo groot apostel, tot deze dingen gekomen is, te meer, omdat hij te voren op het convent te Jeruzalem bijna alleen door zijn beslissend woord bewerkstelligd heeft, dat vastgesteld werd, dat de geloovigen de gerechtigheid verkrijgen door het geloof, zonder de Wet. Juist hij, die te voren als eerste man op de bres had gestaan voor de handhaving van de vrijheid en de waarheid van het Evangelie, — juist hij komt hier in deze wonderlijke kwestie te vallen, omdat hij zich van spijzen onthoudt, die in de Wet verboden waren. En juist hij wordt een oorzaak van groote ergernis, door te zondigen tegen zijn eigen beslissing in. Daarom : wie staat, zie toe, dat hij niet valle ! Niemand kan gelooven, hoe gevaarlijk traditioneele gebruiken en ceremoniën zijn, welke wij evenwel niet kunnen missen. Wat is er in deze wereld noodzakelijker, dan de Wet en haar werken! En toch is er ook steeds het gevaar, dat men door haar komt tot de loochening van Christus. Want heel dikwijls ontstaat uit de Wet een vertrouwen op de werken. En waar een dergelijk vertrouwen gevonden wordt, daar kan geen vertrouwen op Christus bestaan. Licht komt men er dus toe, Christus te verloochenen, en Hem te verliezen, gelijk wij zien aan Petrus, die het stuk der rechtvaardigmaking beter kende, dan wij. Wat zou hij gemakkelijk door zijn handelwijze en voorbeeld aanleiding hebben kunnen geven tot een zoodanige verwarring, dat alle heidenen Paulus' prediking den rug zouden hebben toegekeerd, het Evangelie en Christus verliezende, en dat onder den'schijn van vroomheid. Want zij zouden gezegd kunnen hebben: Paulus, tot op heden hebt ge geleerd, dat wij alleen door genade, zonder de Wet, gerechtvaardigd worden. Nu ziet ge echter, dat Petrus het tegenovergestelde doet, want hij onthoudt zich van spijzen, die in de Wet verboden zijn, door welk voorbeeld hij toont, dat wij niet kunnen zalig worden, tenzij wij de besnijdenis aanvaarden, en de Wet onderhouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's