NIENKE
FEUILLETON
VERHAAL UIT 'T FRIESCHE VOLKSLEVEN
(Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen)
38)
„Wel, wat is het voor nieuws ; mag ik het wel weten ? " lachte moeder.
Gelukkig maar, dat het gelaat van Nienke bij de waschtobbe buitengewoon verhit was, waardoor voor het uiterlijk niets bizonders aan haar viel op te merken, anders niet, dan dat haar oogen een ongewone uitdrukking hadden.
Een oogenblik zweeg zij. Zou zij het zeggen ? Maar bestond er dan eenige reden om voor de haren iets te verbergen? Bovendien, zou het niet van zelf openbaar worden, wat daar geschreven stond en had zij daarbij geen raad en voorlichting noodig?
„'t Komt van Tjerk Santema", klonk het bedeesd. „Tjerk Santema ! Wat wil die? "
„Hij vraagt mij morgenavond thuis te willen zijn, omdat hij dan na melktiid graag hier wil komen om met mij over iets zeer belangrijks te spreken".
Bij deze woorden helderde het gelaat van moeder Gelske, zoo mogelijk, nóg meer op. „Heb je van je leven ! Tjerk Santema. Zou het dan toch waar zijn? " vervolgde zij.
„Wat bedoelt moeder", vroeg Nienke, niet zonder Verwondering.
„Nou, wat Aaltje van hiernaast mij laatst verteld heeft. Dat je in een goed blaadje staat bij den zoon van boer Santema en er onder al de meisjes van het dorp niet één is, met wie hij zich zoo bemoeit als met jou. Ja, wees maar niet onnoozel, meiske" —vervolgde zij lachend, terwijl de wijsvinger van de rechterhand omhoog ging ; „je dacht, dat wij hier van niets wisten, maar moeder heeft den laatsten tijd wel iets gemerkt, even zoo goed als de anderen!" Dáár ; daar was het er uit, wat al lang haar op de tong had gebrand, en alleen op ernstig aanraden van haar man tot hiertoe verzwegen werd.
Maar nauwelijks was het gesproken, of zij had ook spijt van dit woord. Opeens betrok het gezicht van Nienke. 't Was alsof al het bloed uit haar gelaat liep en terwijl haar bevende vingers met moeite het noodlottig bericht in de enveloppe trachtten te verbergen, sprak zij, met iets onbeschrijflijks droefs in haar stem : „Moeder weet wel, dat daar niets van komen kan !"
Toen scheen het haar te machtig te worden. En zonder een woord te spreken, ging zij de trap op, naar haar kamertje, om daar in de eenzaamheid haar leed uit te schreien. Voor het eerst van haar leven was het meisjeshart van Nienke diep gewond.
Waarom weende zij ? Ja, waarom ? Nog geen uur geleden zong zij het hoogste lied, vol blij geloofsvertrouwen, naar het scheen, vér uitlevend boven de dingen van den tijd en van deze wereld, die een menschenhart soms zoo in beslag kunnen nemen en allerlei gewaarwordingen bij hem opwekken. Enkele dagen geleden was 't een gedachte, die haar streelde, dat de zoon van den rijken boer van Donia-state acht op haar sloeg en de andere dorpsmeisjes met jaloerschen blik haar dit voorrecht gingen benijden. Nog meer zelfs; wanneer zij op dit zelfde oogenblik moest denken, dat dit alles verbeelding geweest was en Tjerk Santema zich om haar niet meer bekommerde dan bijv. om Hedwig Krips, of Rooske Piersma van „Burmania-state", of om Sjouke van den bakker, of om haar buurmeisje, of om wie ook, dan zou haar dit pijn hebben gedaan en in haar hart iets van een leegte hebben gegeven, en nu zij daar zat met dien brief in haar handen, blijkbaar met veel toewijding geschreven, omdat elk woord en elke letter verried hoe Tjerk zijn best gedaan had in sierlijk schrift haar te zeggen wat zijn voornemen was, een tijding, waar zeker vele anderen trotsch op wezen zouden — nu vloeiden er tranen en dat waarlijk niet als gevolg van een vrouwengril. Was het dan waar, wat moeder Gelske wel eens placht te zeggen, dat een menschenhart niet eerder gerust is, dan wanneer het in ongerustheid werd gebracht ? Of, wat Sjoukje wel eens zei, die op dat punt eenige ervaring had, dat „vrijen altijd lijen" was ? Of was het nog iets anders ?
Maar zij had immers zoo pas met groote beslistheid gezegd: Moeder weet wel dat daar nooit iets van komen kan? Had zij dit dan evenwel zélf voorheen niet geweten ?
En al wederom stond Nienke hier voor een zielkundig raadsel, waar velen met haar voor en na zich tegenover zien geplaatst, dat n.l. iets zeer begeerig schijnt en met inspanning van alle krachten, ten koste van veel, verlangd wordt, om evenwel, wanneer het doel is bereikt, of de begeerte is bevredigd, op eenmaal zijn beteekenis te verliezen, of ook wel iets blijkt te zijn, dat nooit in het bezit kan komen, omdat bergen van zwarigheden dit beletten. Wellicht, dat men deze voorheen heelemaal niet gezien had, hoewel zij zich dreigend verhieven, omdat het oog hiervoor gesloten was en alleen de begeerte sprak. Tot plotseling de blinddoek werd weggerukt en men de werkelijkheid zag. Moeder Gelske begeep er niets van. Geheel onthutst nam zij de dweil om den vloer schoon te maken en daarna het linnen op de Heek te leggen, maar het volgend oogenblik staakte zij dezen arbeid om naar voren te gaan en Gurbe uit de werkplaats in de kamer te roepen. Gurbe moest het ook weten wat in dien brief stond en wist misschien wel raad. Doch toen zij het hem verteld had, ging hij diep in gedachten, op een stoel voor de bedschutting zitten en schudde nu en dan het hoofd.
„Is het dan zóó erg, dat jullie je daarom zoo moet aanstellen ? " vroeg Gelske kregel.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's