De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

4 minuten leestijd

de kinderdoop verbond en doop

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP (34) 

Wormser wil met alle Gereformeerde theologen, naar uitwijzen van de Schrift, vasthouden aan het genadeverbond. Anders raken we in de Kerk alle vastigheid kwijt. Bij verwaarloozing van het genadeverbond komt het subjectivisme ; dan komt de vrome mensch aan het woord, die in zich zelf allerlei kenmerken en vastigheden gaat zoeken, zaaiende in het vleesch. Daarom moet het genadeverbond gepredikt worden. Daar moeten we onze vastigheid zoeken en vinden, omdat God dien weg heeft gekozen en ons door de apostelen en profeten heeft doen bekend maken. 

Wormser zegt dan ook : „We willen zien op het genadeverbond zooals het is opgericht met Abraham, en als een eeuwig verbond voortloopt tot op dezen dag en voortloopen zal tot de voleinding der wereld". Gen. 17 vs. 7 : „God sprak tot Abraham deze woorden ; Ik zal Mijn verbond oprichten tusschen Mij en tusschen u, en tusschen uw zaad na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u".  Ik zal — zegt God tot Abraham.

Ik zal — zegt God tot Abrahams zaad.  Ik zal — zegt God in het midden van Zijn gemeente, als de God des Verbonds. En Hij zegt : Ik zal — tot óns en ons zaad in hunne geslachten (onze kinderen en onze kindskinderen), tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uw zaad te zijn tot een God !  „Alleen het zaad van Abraham maakte, tot op de uitstorting van den Heiligen Geest, op het eerste Pinksterfeest na de Hemelvaart van Christus, de Kerk uit.  Was die belofte aan het zaad van Abraham (de Kerk onder het Oude Verbond) nu gegeven, om haar te gelooven, of om haar niet te gelooven ?

Toch zeker het eerste ! 

En maakten nu vervolgens de leden dier Kerk, door hun geloof of door hun ongeloof omtrent die belofte, niet zelf openbaar, of zij ter zaligheid al dan niet gepraedestineerd waren ? 

En — maakte het ongeloof van de meesten God in Zijn belofte wel ontrouw? Immers neen! 

En zóó was die belofte de grondslag, waarop zij, die haar geloofden, ingingen ten leven, gelijk Jozua en Kaleb ingingen in Kanaan. Hij, die het beloofd heeft, is getrouw, die het óók doen zal! 

Maar nu werden er toch immers geen bijzondere beloften voor ieder lid van de Kerk afzonderlijk gegeven! Neen! de afzonderlijke leden der Kerk kwamen ieder voor zich en tezamen tot de belofte, die aan de Kerk in haar geheel was gedaan, door den God des Verbonds. 

En het geloof der geloovigen werd dus hierin openbaar, dat zij niet van hun subjectivistisch, individueel standpunt een besluit maakten en een conclusie trekken tot de Kerk te behooren, of tot het zaad van Abraham. Maar zij maakten een besluit en trokken een conclusie van de Kerk, van het zaad van Abraham, uit, om zóó te komen tot eigen persoon, omdat God aan Zijn Kerk, aan het gansche zaad van Abraham, Zijn belofte gegeven heeft en daar Zijn belofte herhaalt en handhaaft, opdat een iegelijk, die gelooft, zal worden bevestigd en behouden. Personeel hebben we ons te verzekeren van het aandeel des heils, dat in die belofte Gods aan het gansche zaad Abrahams gedaan, voor ons gelegen is". 

„Alzoo" — zegt Wormser — „was de Kerk die het zaad Abrahams omvatte, in het bezit der belofte, en zij was, bij iedere uitbreiding en ontwikkeling, die daaraan vervolgens door den Heere gegeven werd, voortdurend de draagster en bewaarster daarvan, om die ook aan de zich steeds opvolgende geslachten over te brengen". 

Het is dus niet zóó : dat de geloovige individuen de Kerk voortbrengen ; maar de Kerk brengt de geloovige leden voort, hoeveel kaf zich ook in haar midden bevindt. Wij besluiten daarom niet van het individu tot de Kerk, maar van de Kerk tot het individu, wanneer wij willen weten welke genade God voor hen, die gelooven, heeft weggelegd.  Het genadeverbond maakte dus geen onder­ scheid tusschen gepraedestineerden, die voorbeschikt en uitverkoren waren tot de zaligheid, en hen, die niet uitverkoren waren ; dit zou het geloof of het ongeloof doen. 

Het genadeverbond wierp het gansche zaad Abrahams, de geheele Kerk, van de baarmoeder af op Christus. Het schonk Christus aan de geheele Kerk, en de geheele Kerk schonk het aan Christus, van geslacht tot geslacht ging de Kerk, uit kracht van de onwankelbare belofte van God, voort, te hopen op den Messias, die de Heere is, maar die ook Zélf een Zoon van de Kerk zou zijn — terwijl het kaf steeds wegviel door ongeloof. 

(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's