KERKELIJKE RONDSCHOUW
ZAL EUROPA EEN HEL WORDEN ? DE KERK EN HET LEGER. DE INDISCHE KERK EN HAAR BELIJDENIS. De Rechtvaardiging; des Zondaars bij Rome en de Reformatie.
ZAL EUROPA EEN HEL WORDEN ?
In „De Wekker" (Chr. Geref.) schrijft ds. H. Janssen, tot voor kort — gedurende 25 jaar — leger- en vlootpredikant in algemeenen dienst (de chef der veld- en vlootpredikanten) in een rubriek Kerk en Staat geregeld over den huldigen wereldoorlog.
Hij heeft het nu over het uitbuiten van de radio door Churchill en Chamberlain, om over de hoofden van anderen, het woord te richten tot de neutralen — en dus ook tot Nederland — hen vermanend, om maar spoedig de zijde te kiezen van Engeland en Frankrijk. En zij waren zoo vriendelijk te zeggen, dat als Engeland en Frankrijk straks den oorlog gewonnen hebben, de neutralen dan beter bedacht zullen worden door de overwinnaars, als zij de zijde van de geallieerden kiezen, dan wanneer zij dat niet doen. „De neutrale Staten zullen verstandig doen niet al hun aandacht aan deze redevoeringen te wijden, maar rustig hun neutraliteit te handhaven" — zegt ds. Janssen. „Chamberlain heeft een tentoonstelling gehouden van Engelands macht, maar die tentoonstelling bewijst op dit oogenblik nog niets".
En dan zegt ds. Janssen verder : „Wij hebben steeds betoogd, dat het een van de grootste misgrepen te Versailles geweest is, dat men Duilschland zijn koloniën ontnomen heeft, om zichzelven daarmede te verrijken. Op dien grond hebben wij steeds gepleit, dat Engeland vrijwillig aan Duitschland zou terug geven, wat op onrechtinatige wijze door Engeland genomen is. En wanneer men dit intijds gedaan had, zou deze oorlog zeer waarschijnlijk nooit gekomen zijn. Maar Engeland heeft steeds geweigerd en wij vreezen, dat Engeland eenmaal ervaren zal, dat onrechtmatig verkregen goed niet gedijdt. Het oordeel rust op zulk bezit".
Dan wordt herinnerd aan „de zwarte bladzijde", waarop de overweldiging van Transvaal en Oranje-Vrij staat geschreven staat; de zwarte bladzijde in de koloniale geschiedenis van Engeland ; „waarvan de gevolgen steeds duidelijker aan 't licht zullen treden". In Zuid-Afrika gaat het de Engelschen allesbehalve voor den wind.
En dat moet nu ook aan het adres van Hitler gezegd worden. „Duitschland zal niet gelukkig zijn met Polen en Slowakije. Beide overweldigde landen zullen geen parel, maar wel een doorn voor Hitler en Duitschland zijn en wanneer het dezen oorlog verliezen moest, zouden deze beide Staten weer spoedig zelfstandig zijn".
„Men wil" — en dat is het vreeselijke van den huidigen oorlog — „elkander nog steeds vernietigen, dus m.a.w. een tweede Versailles beleven. Wij gelooven daar voorloopig nog niet in. En dit geldt voor de beide partijen. Als Hitler zegt, dat hij Engeland op de knieën brengen zal, dan vreezen wij, dat hij er naast grijpt. Maar als Engeland een vernietiging van Duitschland beoogt, vreezen wij evenzeer dat dit niet gelukken zal, omdat Duitschland deze vernietiging eenmaal ervaren heeft. Iedere Duitscher is er van doordrongen, dat het in dezen oorlog om zijn eigen bestaan gaat".
„Maar hierin schuilt juist het groote gevaar voor den vrede zelf. De oorlog, zooals die thans gevoerd wordt, is nauwelijks nog de inleiding en hoeveel is in de achter ons liggende (vijf) maanden al niet verwoest en hoeveel menschenlevens zijn er niet opgeofferd, zonder dat er ook maar iets bereikt is. En hoe vreeselijk zal het niet worden, als van beide zijden de oorlog straks (als het voorjaar komt) in zijn vollen omvang (op 't land, ter zee en in de lucht) losbreekt. Er zal dan gevochten worden op een wijze, zooals de wereld nog nimmer aanschouwd heeft. Dan wordt Europa een hel, waarin niemand zal kunnen leven en waarin de duivel zal triumfeeren".
Moge het gebed worden vermenigvuldigd, dat God de volkeren genadig mag zijn en de oogen mogen worden geopend voor recht en gerechtigheid. Treffend staat het in een brief van een Finschen soldaat aan het front : „wij bidden voor de Russen".
Ja — dat het gebed moge vermeerderen, opdat de hel niet triumfeere.
Waarbij we ook denken aan de vredespogingen, die telkens, in onderscheidene vormen, worden aangewend. Wat bij de menschen onmogelijk is, is toch mogelijk bij God. Hij kan de verblinde oogen openen. Hij kan de verharde en verbitterde harten neigen als waterbeken.
O, Heere, hoor, hoor het gebed, — en schrijf in het harte der menschen, die elkander nu beoorlogen op leven en dood : gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schandvlek der natie.
DE KERK EN HET LEGER
Er is overal ontwaking, belangstelling, liefde, ijver, in. christelijke, kerkelijke kringen voor de gemobiliseerden, voor soldaten, mariniers te land en ter zee, aan de grens en aan de kust. Er is spontaan beweging gekomen, direct en overal. Niet, wat men met dynamiet kan vergelijken, of wat lijkt op geruchtma kende ontploffingen, maar een stoere kracht, die zich verraadt, als de omstandigheden er toe nopen.
Chr. Militaire Tehuizen zijn overal gekomen, grootere en kleinere. Bijbel- en tractaatverspreiding was er oogenblikkelijk. 2994 Bijbels, 11409 N. Testamenten, 57572 Evangeliën en andere bijbelgedeelten waren alleen al door het Nederl. Bijbelgenootschap aanstonds verspreid. Het Bijbelhuis heeft ook een speciale rooster voor bijbellezen gemaakt, om die gratis onder de gemobiliseerden te verspreiden. En een groep van predikanten gaven vlug en vlot een mooi dagboekje : „Onze dagorder''.
Men heeft de enorme kansen, die geboden werden, óok gegrepen. Dit is inwendige Zending van fijn en voornaam gehalte. En hoeveel harten staan niet open voor het Woord van God ; véél meer dan vroeger ! De rampen overal maken diepen indruk. Het gevaar van den oorlog spreekt velen aan en beweegt ze tot ernst, dikwijls meer dan men denkt.
We denken ook aan de veldpredikers.
,,Er is ongetwijfeld een schaduwzijde hier", zegt prof. dr. J. R. Slotemaker de Bruine in „Woord en Daad" (Dec. '39). „Moet de gemeente niet vele maanden lang „haar" dominee missen? Doch er zijn veel meer lichtzijden. De arbeid van deze mannen — meer geestelijk dan kerkelijk, als gij wilt — is van. uitnemende beteekenis, zoo hij goed wordt georganiseerd. De eigen gemeente kan voorts leeren zich iets of veel zelfs te ontzeggen ten bate van het geheel.
En de Kerken hebben regelingen getroffen, die inderdaad onmisbaar waren, die allicht herziening en bijwerking zullen behoeven. Doch aldus wordt dan ook onmisbaar werk verkregen. Hoeveel zegen kan dit geregeld geestelijk arbeiden onder de duizenden beduiden".
Prof. Slotemaker wijst er dan op : „wij zijn in de mobilisatie, niet in den oorlog — God moge ons daarbij bewaren".
Maar op tweeërlei ander erf werkt de mogelijkheid van oorlog.
Daar is de kans op evacuatie. De regeering zal wellicht hier of ginds verplaatsing van talrijke volksdeelen noodig achten. Dan doen zich een aantal vragen voor — technisch, organisatorisch, hygiënisch — waarover ik nu niet spreken wil. Maar geestelijke en kerkelijke vragen doen zich allicht óók voor! Herderlijke zorg zal in zulke dagen meer dan anders noodig zijn ; vereenigingslokalen en wie weet, wellicht zelfs kerkgebouwen zullen aan den normalen dienst onttrokken moeten worden. De gemeente in de nieuwe plaats van vestiging krijgt plotseling een enorme uitbreiding ; misschien is er zelfs voor bepaalde kerkelijke groepen geen kerk of gemeente ter plaatse.
Naar allerlei zijde is hier voorziening onmisbaar ; de inwendige Zending zal niet onwaarschijnlijk een aparte taak ontdekken.
De regeering heeft een instantie in het leven geroepen, die op het juiste oogenblik de verhouding tusschen Overheid en Kerken te dezer zake tot stand brengen kan".
„Er is werk- en waakzaamheid op het erf der inwendige Zending in dezen donkeren tijd. En — er ligt nog velerlei te wachten.
God make ons getrouw".
Er is ook de ziekenverpleging.
„Het Roode Kruis bevordert de opleiding van hulp-zusters. Naast een aantal Roomsch- Katholieke en „neutrale" hulpkrachten, dient een groep Protestantsch-Christelijke jonge vrouwen opgeleid te zijn, opdat de christelijke ziekeninrichtingen — als zij haar aantal patiënten tijdelijk belangrijk zien vergrooten — de beschikking hebben over een voldoend getal geestverwante krachten.
Ook hier ligt een taak.
Het werk is aan den gang !
DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (5)
2. Zelfverloochening met betrekking tot onzen naaste.
Ten opzichte van ons leven als christen, in den omgang met anderen, heeft de H. Schrift zware eischen, waarbij wij van nature niet bereid zijn, om die te gehoorzamen. (Rom. 12 vs. 10 : Filipp. 2 vs. 4).
Hoe graag zien we laag neer op onzen naaste. En als God ons iets geeft verheffen wij er ons gaarne op, alsof wij 't aan ons zelf hadden te danken. Wij zijn overvloedig behept met ijdelen waan en hoogmoed, waardoor de omgang met anderen bemoeilijkt, ja onmogelijk gemaakt wordt.
„Daaraan is de onbeschaamdheid toe te schrijven" — aldus Calvijn — „dat ieder, alsof hij verheven ware boven het algemeene, een zekeren vóórrang wil verwerven boven zijn mede-schepselen, en op ieder met zekere minachting neerziet, als op zijn mindere". „Hier komt eigenliefde bij en nu velt hij oordeel over zijns naasten gezindheid en wandel, en als men het waagt hem den voorrang te betwisten, spuwt hij gif en gal, vuur en vlam". „Hiertegen bestaat geen ander geneesmiddel, dan die verfoeielijke pest van aanmatigende eigenliefde en zelfzucht uit het hart te roeien".
Wat bezitten we, dat we niet ontvangen hebben (1 Cor. 4 : 7)? En door de gedurige beschouwing onzer gebreken moeten we tot ootmoed aangespoord worden ; en dan zal er stof te over zijn, om ons niet op te blazen, maar nederig van hart te wandelen.
De Heere vermaant ons bovendien te eeren en te waardeeren wat er goeds is in onzen naaste; want het zou een gruwelijke beleediging van God zijn. Zijn goede gaven in anderen te loochenen. Wij moeten ook toegefelijk zijn omtrent hunne gebreken, wetende, wie en wat we zelf zijn ; zóó zullen we vreedzaam en ook vriendelijk en voorkomend met onzen naaste kunnen omgaan; welwillend door ootmoed, den ander uitnemender achtende dan ons zelf.
Wat is het ook vaak niet moeilijk om het heil van onzen naaste te bevorderen, wat toch onze Christenplicht is. Want de Schrift leert en spoort ons daartoe aan, dat we hetgeen ons door Gods genade geschonken is, moeten besteden ten algemeenen nutte. Mild en met een vriendelijk hart zullen we het onze ten beste van anderen moeten aanwenden, tot heil van onzen naaste; waartoe God ons de gaven geschonken heeft, als rentmeester door Hem aangesteld over hetgeen des Heeren is.
„Geen enkel lid van ons lichaam bezit de kracht voor zich zelve, maar deelt het mede aan de overige leden, daarvan zelf dan weer voordeel trekkend; zóó nu moet de rechtgeaarde Christen alles wat in zijn vermogen is voor zijn broeders doen".
„Het ware gebruik van Gods gaven wordt geregeld naar de liefde ; daardoor leeren we niet altijd allereerst aan ons zelf te denken, maar eerst aan onze broeders en zusters".
Om dit Zijn volk in te prenten, eischte de Heere onder het Oude Verbond, dat Hem de eerstelingen zouden worden geofferd, opdat het volk zou leeren, dat het ondankbaar was iets te gebruiken, als niet de Heere wordt erkend als de Gever van alles. Niet, dat God rijker wordt door ons offer; daarom moeten we onze offeranden ook niet brenge ; ook niet om er zelf iets door te verdienen, maar opdat God de Heere eere ontvange. En daarom ook moeten wij met het Zijne, dat ons ge schonken is, „Zijn heiligen, die op aarde zijn" (Psalm 16 : 3) dienen. Onze aalmoezen moeten offeranden zijn, den Heere gebracht. (Hebreen 13 : 16 ; 2 Cor. 9 : 12). De liefde moet daarbij lankmoedig zijn en niet verbitterd worden (1 Cor. 13 : 4). En wij moeten niet in aanmerking nemen, wat de mensch uit zich zelf verdient, maar wij moeten veeleer — zegt Calvijn — in allen Gods beeld zien, waaraan wij den diepsten eerbied en de teederste liefde verschuldigd zijn ; 't allereerst en allermeest wanneer in onzen naaste het beeld Gods vernieuwd is in Christus. (Gal. 6 : 10).
Heel sterk spreekt de Schrift, om ons te bewegen tot naastenliefde en ons zelf daarbij te verloochenen, als God in Zijn Woord zegt, dat Hij den arme in Zijn plaats stelt en ons beveelt: bewijs uw liefde en toon uw weldadigheid aan Mij! Zooals ook Christus zegt de armen ons te hebben nagelaten in Zijn plaats. Wat wij doen aan hen, doen wij tenslotte aan Hem. En ook als men ons beleedigd heeft, mag dit geen oorzaak zijn niet barmhartig en mededeelzaam te zijn (Matth. 6 : 14 ; 18 : 35 ; Lukas 17 : 3).
Het is wel een geheel verloochenen van ons zelf, wanneer wij liefhebben, die ons haten; als wij geleden onrecht verzoenen door weldaden, beschimpingen beantwoorden met zegeningen. En het zal alleen kunnen, wanneer wij bedenken, dat wij niet de boosheid der menschen, maar 't beeld Gods in den mensch behooren te aanschouwen, dat ons aanspoort om de gebreken over 't hoofd te zien. En wij zullen eerst dan komen tot het dooden van den ouden mensch, indien we getrouw voldoen aan dezen plicht der liefde. Dan moet 't niet blijven bij enkel uitwendig plichtsbetoon, maar we moeten het doen uit oprechte gezindheid des harten.
Er zijn velen, die den schijn aannemen van groote milddadigheid en toch niets geven dan wat zij door trotsche gebaren en woorden vergallen. En dikwijls worden de aalmoezen uitgereikt met tegenzin.
Wie in liefde van het zijne geeft, zal niet alleen zijn gaven door geen trotschheid, door geen krenkende woorden bezoedelen, maar zal ook zijn naaste niet tot zijn dienaar maken, omdat deze nu verplichtingen aan hem heeft. Hebben wij zelf ook niet alles ontvangen ?
Het wederkeerig dienstbetoon van de leden des lichaams heeft niets verdienstelijks, en dat het zieke lid bijzonder verzorgd wordt, is allerminst onnatuurlijk ; zóó zullen ook wij ons leden van één lichaam moeten weten en ons moeten ontfermen over allen die hulpbehoevende zijn, om te kunnen mee komen en in 't leven te kunnen blijven. Het zou onnatuurlijk zijn, wanneer we dat niet voelden en wanneer wij weigerden hierin de wet der liefde te gehoorzamen.
Ieder, al is hij nóg zoo groot en nóg zoo rijk en nóg zoo machtig, moet in het oog houden, dat hij verplichtingen jegens anderen heeft. Wij zijn elkanders leden en hebben in liefde de Wet van Christus te vervullen.
Naar de Wet der liefde moeten we weldoen zoolang en zooveel dit in ons vermogen is.
Waarbij dikwijls groote zelfverloochening in betrekking tot onzen naaste noodig is.
Dus: zelfverloochening in betrekking tot ons zelf. En: zelfverloochening in betrekking tot onzen naaste. Waarbij in de derde plaats dan komt: zelfverloochening in betrekking tot God.
DE INDISCHE KERK EN HAAR BELIJDENIS
De Protestantsch Christelijke Kerk in Indië heeft de laatste jaren een groote verandering ondergaan; en wel ten goede, naar wij meenen.
We wijzen nu op de belijdenis als grondslag van het kerkelijk leven.
Eerst was de z.g.n. richtlijn weinig zeggend, zelfs bij de meest welwillende interpretatie. Want de Algem. Synode der Prot. Kerk in Nederl. Indië begeerde, dat de belijdenis van Jezus Christus in het midden dier Kerk zou worden ontvouwd voor de menschen van dezen tijd in deze landen — zoo heette het in den beginne van de nieuwe formatie. Een povere verklaring, waarmede de uiterst-linksche modernist zich van harte kon vereenigen. Hij behoefde zelfs deze uitspraak niet „in geest en in hoofdzaak" te parafraseeren, om haar tot de zijne te maken.
Hierin nu heeft de Alg. Synode, door afgevaardigden der Kerken, een opmerkelijke en ingrijpende wijziging aangebracht. Zij voegde n.l. er aan toe, dat „deze ontvouwing van genoemde belijdenis diende te geschieden in gehoorzaamheid aan het getuigenis der Heilige Schrift". Door dezen uitbouw van haar richtlijn heeft de Indische Kerk een plaats ingeruimd aan de Heilige Schrift en erkent daarin, dat de Heilige Schrift met gezag tot ons komt en er recht op heeft, dat de Chr. Kerk zich met gehoorzaamheid aan haar onderwerpt. Voortaan zal de Indische Kerk niet meer genoegen nemen met een Christus-prediking, welke geen wezenlijk verband houdt met den Christus der Schriften.
Met blijdschap en dankbaarheid hebben we van deze wijziging dan ook kennis genomen. Er is een opmerkelijke kentering in deze Indische Kerk, welke, als zij aanhoudt, haar ongetwijfeld dichter bij de Schriften, dichter bij de heilige algemeene Christelijke Kerk zal brengen, met welke zij tot nu toe in haar belijdenisrichtlijn wel met uiterst dunne draden verbonden was.
Ook het tweede gedeelte van haar richtlijn bouwde deze Synode in goeden zin uit. Dit gedeelte luidt nu aldus : „Zij (n.l. de Synode, d.w.z. de afgevaardigden der Kerken) spreekt uit, dat de ontvouwing van die belijdenis in dezen tijd en in deze landen niet kan geschieden, zonder het levend verband met en voortbouwende op de belijdenis van de Christelijke Kerk van alle eeuwen, gelijk die in het Apostolicum tot ons is gekomen en door de Hervorming nader is bepaald."
Dat laatste „en door de Hervorming nader is bepaald" is het gedeelte dat de laatste Synode aan de bestaande richtlijn toevoegde. En deze toevoeging wijst een heuglijke kentering aan.
Ds. Zuidema, Geref. predikant in Indië, schrijft over deze dingen in het Kerkblad der Geref. Kerken van N. Oost-Indië (wij ontleenen het aan „De Rotterdammer") en zegt dan :
„Zou het niet op onzen weg liggen, om ons als Classis (der Geref. Kerken) straks tot de benoemde theologische commissie te wenden, met verzoek tot een uiteenzetting van onze gevoelens en verlangens ? Hoe zou het ons verblijden, indien de Protestantsche Kerk, aleer zij tot definitieve vaststelling harer belijdenis kwam, zich met onze (Geref.) Kerken in Indië zou verstaan, om onder Gods zegen, te komen tot eenigheid van confessie, naar de belijdenis van onzen Catechismus tot de ware Unio Sancta, „de Kerk, welke de Zone Gods uit het gansche menschelijke geslacht zich vergadert, in eenigheid des waren geloofs".
De Rechtvaardiging; des Zondaars bij Rome en de Reformatie.
De leer der reformatoren houdt, naar onze overtuiging, alle momenten der Schriftuurlijke waarheid in 'n principieel-juist evenwicht en is daarom Katholiek te noemen, de geloofsleer van en voor de algemeene Christelijke Kerk.
Het hoofdthema is dan: de zaligheid voor den zondaar uit louter genade, enkel en alleen door 't geloof in Jezus Christus, onzen Heere. Niets uit ons, alles uit Hem ; daar ligt de eenige troost beide voor leven en sterven. (Catech. Zondag 1).
De Roomsche Kerk heeft dat nooit kunnen, noch willen verstaan en staat hier anti-thetisch tegenover het geloovig Protestantisme. Rome kan het „sola fide", alléén door het geloof, niet verstaan en kan de „merita", de verdienstelijke goede werken niet loslaten.
Dat is geen ander accent, maar een andere waarheid. Hier vinden we geen accentsverschil, maar de scheidslijn, de onoverbrugbare klove.
Wat Rome is, kan de Protestant niet zijn; wat de Protestant leert en gelooft, kan Rome niet aanvaarden. Het is hier zijn of niet zijn.
Bij het lezen van het dikke, ernstig ingestelde en diep ernstig bedoelde boek van dr. C. J. Vogel: Newmans gedachten over de 104 rechtvaardigmaking (uitgave Veenman & Zonen te Wageningen) en het kennis nemen van de breede bespreking van dr. Miskotte in „Woord en Geest'', werd ons dit weer heel helder voor den geest gesteld.
Men weet, dat Newman (dr. J. H. Gunning J.Hzn. gaf ons een dik, mooi boek over dien merkwaardigen man) opgevoed is in de kring van het piëtistisch-Calvinisme van zijn omgeving, waar men naar kenmerken, ervaringen, bevindingen vroeg, om daarin het fundament en de kracht en de zekerheid voor geloof en verwachting te vinden; en dat deze Newman op z'n oude dag Roomsch is geworden. En dr. C. J. Vogel, die nu over hem schrijft, met name over zijn „gedachten over de rechtvaardiging", nadert hem van zéér nabij, waarbij zij spreekt van een accentsverschil hij Rome en het Protestantisme, zelf ook eigenlijk meer voelend voor den roomschen klemtoon, dan voor de Protestantsche meening.
„En zoo komt de jongste aanval op de echte Katholieke leer der reformatie, die alle momenten der Schriftuurlijke waarheid in een principieel juist evenwicht houdt, van een geleerde vrouw, een huidige Anna Maria Schuurman, dr. C. J. Vogel en haar boek over Newman", (dr. Miskotte).
Dat dit boek dan tegelijk „een doorloopend gesprek met Karl Barth bevat, die als antihumanist, als wekker van een kerkelijk bewustzijn dankbaar wordt vereerd, maar in de leer der rechtvaardiging, waar hij consequent de lijnen der reformatie heeft doorgetrokken, volgens de schrijfster, moet worden gecorrigeerd door Newman, doet dr. Miskotte des te meer verlangen om zoo'n breede bespreking te mogen geven in „Woord en Geest" van dit merkwaardige boek, dat maar speekt van accentsverschil, maar in feite van het Protestantisme overstapt naar Rome.
De leer van de rechtvaardiging des zondaars is in 't geding.
En dan zegt dr. Miskotte heel typisch en teekenend :
„Als dr. Vogel een overzicht geeft van de „Lectures on Justifation" van Newman, zal ieder „ethische" waarschijnlijk zeggen : nu, als dit „roomsch" is, dan ben ik óók „roomsch", al heb ik het nooit geweten".
Er wordt iets in den mensch gelegd; hij wordt in zich zelf rechtvaardig gemaakt en zoo wordt hij in zijn leven een rechtvaardige, die z'n gerechtigheid werkt en als een heilige' wil en moet vaandelen in den weg van verdienstelijke goede werken.
De vrome, deugdzame, naar heiligheid strevende mensch bij Rome en bij vele protestanten staan hier vreedzaam naast elkaar — al ziet men het zoo niet en al wil men niet erkennen, dat men eigenlijk „roomsch" is.
En daarom past bij dezen ethisch-religieusvroomgezinde en heiliggestemde mensch ook de Sacramentsleer van .... Rome.
Wat ook inderdaad aan de orde van den dag is, in ...... protestantsche kringen. De Sacramentsleer van ..... Rome.
Dat zit zóó.
Als de rechtvaardiging des zondaars geen rechterlijke daad Gods is, waarbij Hij alle gerechtigheid des goddeloozen, zonder rekening van goede werken, uit Christus neemt, maar een ethische daad, waarbij de zondaar zelf verandert in een rechtvaardige — zoodat de mensch in zich zelf de rechtvaardigheid krijgt als een kostelijk bezit (gelijk Rome leert — en ook het heel of half Pelagianisme onder protestanten !), dan moet die „ingegoten gave", die in den vromen mensch is, natuurlijk telkens gevoed en gesterkt worden. Dan moet bij 't geen „ingegoten" is, en zich nu in den vromen mensch bevindt, telkens weer opnieuw, op bovennatuurlijke, magische wijze, „ingegoten" worden — en dat vinden we in de Roomsche Sacramentsleer. In Rome's Kerk bevat het Sacrament de genade als een inwendig heilig goed, waarover de Kerk de vrije beschikking heeft, en zoodra de geloovige uit de hand des priesters het heilig Sacrament ontvangt, vloeit, onder en tijdens en door de handeling van den gezalfden en gewijden priester, de genade in den geloovige over (ex opere operato).
De Roomsche Kerk heeft die dagelijksche toevoer van nieuwe genade-krachten in den mensch, opdat hij als een rechtvaardige, door de Kerk geholpen en gesteund, kan leven in den weg van goede werken, die verdiensten in zich hebben („merita").
Maar — dan is het niet meer „sola fide", alleen door het geloof, maar door „merita", door verdienstelijke goede werken, die het loon der verdienste in zich hebben en waarbij de Kerk, volgens kerkelijke regels, naar behooren uitbetaalt, zij 't dat de een wat meer en de ander wat minder krijgt, al naar mate men zich voor de Kerk verdienstelijk maakt. Het aantal gebeden — waarop méér gelet wordt dan op den geest van het gebed —, het aantal voorgeschreven heilige handelingen — waarop méér gelet wordt dan op de gezindheid des harten — is van groot belang, om nu niet te spreken van het aantal dubbeltjes en guldens, aan de Kerk geofferd !
Neemt men die „Roomsche" Sacramentsleer weg, dan komt alles in de lucht te hangen. Dan vallen de krukken voor den kerkelijken wandelaar weg en hij kan onmogelijk verder met' al z'n rechtvaardigheid in zich zelve.
En dat is ellendig voor iemand, die met hartstochtelijk verlangen heilig wil zijn in zich zelve. Want de heiligheid is hier dan een „zijnswijze" van het schepsel, die ten slotte in zich zelf rust. En het is een begeerlijk goed, om zoo te zijn, waarbij de genade-middelen als voedsel moeten dienen, om eiken dag weer nieuwe voorraad in ons zelf en nieuwe moed bij ons zelf te ontvangen.
Zonder de Sacramenten zouden we het niet kunnen volbrengen, om heilig te zijn en heilig te leven, maar met de Sacramenten (echt Roomsch !) zal het wel gaan. Misschien zelfs wel boven het betamelijke en noodzakelijke; overvloedige goede werken en overvloedige heiligheid en overvloedige verdienste is zelfs niet uitgesloten.
Onze „heiligheid" wordt dan onze „rijkdom".
Luther en Calvijn hebben inzake de rechtvaardiging des zondaars, de rechtvaardiging van den goddelooze, zonder de werken der wet, alleen uit genade, om Christus' wil, iets héél anders geleerd, naar uitwijzen van de Schrift en uit de behoefte des nieuwen levens.
Na langen strijd, met bidden, vasten, geeselen en zooveel meer, heeft Luther er van leeren afzien, om ook maar iets in den vromen mensch te leggen en maar iets van den vromen mensch te verwachten. Het is een goddelooze, een verdoemelijk zondaar, met wien God begint en Zijn werk in Christus voortzet, waarom de zondaar alléén maar door het geloof (sola fide) kan zalig worden.
En dan niet door zijn geloof, of om de wille van zijn geloof, als een goed werk en als zijnde eenige grond voor den mensch om op te bouwen — maar in en door Christus, Die alleen maar in geloove omhelsd en aangenomen kan worden — en moet worden — met al Zijn weldaden ; zooals de bedelaar de aalmoes alleen maar met zijn hand in ontvangst kan nemen.
Beziet de bedelaar zijn hand, dan is het te doen, enkel en alleen, om de aalmoes en niet om de hand.
Beziet de zondaar zijn geloof, dan is het te doen, enkel en alleen, om de gerechtigheid Gods in Christus ; om Christus en al Zijne weldaden ; niet om het geloof, als verdienende oorzaak, maar om Christus, de Heere onze gerechtigheid.
En dan zegt onze Catechismus, dat dit geen zorgelooze en goddelooze menschen maakt (zooals Rome verwijtend zegt aan het adres van het Protestantisme, dat de rechtvaardiging des zondaars enkel uit het geloof in Christus leert), want dat het ( o roem en prijs van Gods genade) onmogelijk is, dat degenen, die door een oprecht geloof Christus zijn ingeplant en levende ranken van den Waren Wijnstok zijn geworden, niet zouden voortbrengen vruchten der dankbaarheid.
Als dr. de Vogel in haar boek: Newman's gedachten over de rechtvaardiging — spreekt over een „accents-verschil" bij de roomsche en de protestantsche leer, dan voelt zij toch eigenlijk niet waarover de eigenlijke kwestie gaat.
Daarom komt zij ook met (naïeve) vragen als: kan de loongedachte worden gemist? hebben de werken werkelijk niets met de rechtvaardiging te maken? hangt de zaligheid niet af van het leven van een mensen? enz. enz. En als zij zóó Rome en het Protestantisme nader bij elkaar wil brengen en zóó de protestantsche prediking wil corrigeeren en aanvullen, dan, is het niet onduidelijk te zien, dat dit óp Rome moet uitloopen, zooals het bij Newman zelf er toe gekomen is, om over te gaan tot de Pauselijke Kerk, met haar, on-protestantsche, on-Schrifluurlijke leer van de rechtvaardigmaking, waarbij haar Sacramentsleer geheel past.
Newman, opgevoed in een piëtistisch „Calvinisme", is van het zien en steunen op allerlei kenmerken, gestallen, ervaringen en bevindingen, afgegleden van het eenig en vaste fundament des geloofs; en niet genoeg hebbend aan het „sola fide" alleen door het geloof, is hij de Roomsche Kerk in de armen gevallen, om als een vroom en heilig mensch door helpende genade ondersteund, van dag tot dag verder te wandelen, nooit tot de zekerheid des geloofs komend, maar altijd weer steunend op de Kerk, die ons helpen kan, vooral door de Sacramenten, ingietende elken dag de heiligheid, zooals de oile in de lamp gegoten moet worden, zal de pit branden. De heilige mensch moet heilig leven — daarin ligt de troost bij Rome en dan mag en kan de Kerk, met haar Sacramenten, nooit worden losgelaten. Bij het sterfbed mag de priester niet ontbreken, die roept lot de biecht, opdat het gebrek aan heiligheid in den mensch zal blijken, maar die dan ook klaar staat om de ontbrekende heiligheid in te gieten, als olie in de lamp.
Dan kan men de handen vouwen en de voeten uitstrekken, en men kan sterven — waarbij de Roomsche veelal gewend is om te spreken van „een mooie doode".
Ons is bekend, dat een betrekkelijk jonge en knappe doktersvrouw, die al lang ziek was, hoewel ook soms weer „op de been" zijnde, tenslotte is gaan „liggen", om niet meer van het ziekbed op te staan. De priester was gedurig bij haar en toen zij het Sacrament van de stervenden zou ontvangen, moest eerst de kapper komen, om haar haar opnieuw op te maken, keurig gekleed en met wèlverzorgd kapsel wilde zij sterven, om zoo naar den hemel te gaan.
Aan alle formaliteiten was voldaan.
„Net een engel", zei men, staande bij de doode, die luxueus was opgebaard.
Dit is het „accent" van Rome, zegt men.
Het accent van het Protestantisme is dan wat anders, voegt men er dan aan toe.
Neen — het wezen van het Protestantisme is anders !
Calvijn sprak, bij wat men dan nu wil noemen een „accent" van Rome (alsof het maar een verschil in „accent" zou zijn met het Protestantisme !) van „een onbeschaamdheid tegenover God, wanneer wij, die zondige menschen zijn, hier zouden spreken van een werkelijke rechtvaardigheid in ons".
Rechtvaardigheid in ons en heiligheid in ons — dat is Roomsch.
Maar dat is geen „accentsverschil" tusschen Rome en het Protestantisme.
Dat is de onoverbrugbare scheidingslijn tusschen Rome en de Reformatie.
Wie weten wil wat Luther en Calvijn, wat onze Nederlandsche geloofsbelijdenis (Art. 21 —23) en onze Catechismus, leeren — wat een man als Kohlbrugge ons ook weer zoo dichtbij gebracht heeft — die leze nog eens het bekende (beroemde en geliefde) antwoord van Zondag 23 op de vraag: hoe zijt gij rechtvaardig voor God ?
„Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus, alzoo, dat, al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt, dat ik tegen alle de geboden Gods zwaarlijk gezondigd heb en geen derzelve gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonde eenige mijner verdiensten, uit louter genade, mij de vólkomene genoegdoening, gerechtigheid, en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals hadde ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als hadde ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zooverre ik zulk eene weldaad met een geloovig hart aanneem".
Waarbij wij volledigheidshalve hier ook nu nog even aanhalen wat de Dordtsche Leerre gels zeggen (hoofdst. 5, 12) opdat men wete dat de Reformatie geen zorgelooze en goddelooze menschen wilde kweeken.
„Doch zóó verre is het er vandaan, dat deze verzekerdheid der volharding de geloovigen hoovaardig en vleeschelijk zorgeloos zoude maken, dat zij daarentegen een ware wortel is van nederigheid, kinderlijke vreeze, ware godzaaligheid, lijdzaamheid in allen strijd, vurige gebeden, standvastigheid onder het kruis en bij de belijdenis der waarheid, mitsgaders van vaste blijdschap in God; en dat de overdenking van die weldaad hun is een prikkel tot ernstige en gedurige betrachting van dankbaarheid en goede werken; gelijk uit de getuigenissen der Schriftuur en de voorbeelden der geloovigen blijkt."
Dat is de taal van de Reformatie voor de rechtvaardiging des zondaars en den heiligen wandel der geloovigen.
Hier reikt de 16de eeuw de hand aan de 20ste eeuw.
En die groote schat der Reformatie moet men ons nu niet afhandig gaan maken !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's