KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE THEOLOGIE VAN KARL BARTH---OP DEZE PETRA---DE NIEUWE VERTALING VAN HET NIEUWE TESTAMENT---DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (6)
I.
Karl Barth is in 1886 te Bazel geboren. Als jong predikant in een Zwitsersch bergdorp, heeft hij de moeiten des levens leeren kennen en heeft hij sociale ellende gezien. En idealistisch ingesteld als religieus Socialist, is hij met zijn vriend Thurneysen teleurgesteld door den oorlog van 1914—'18, die alles kapot maakte en alle vroomgekoesterde idealen in rook deed opgaan, toen de Christenvolken elkander als razenden naar de keel vlogen. Alle christelijke idealen van een rijk van liefde en gerechtigheid, hier op aarde door religieuze menschen te stichten, ze verdwenen als rook voor den wind, als sneeuw voor de zon, als was bij het vuur! De teleurstelling was zoo groot, óók voor Barth, die als vurig religieus-Socialist mee geijverd had voor de vorming van een nieuwe maatschappij vanuit den braven, vromen, goeden mensch, die lang de afgod was geweest van de humanistische, modern-protestantsche theologie. Hoezeer had men zich verdiept in religieuse anthropologic, beschouwingen van en rakende den mensch, waarvoor men de theologie had ingewisseld. En nu was men met den mensch zoo bedrogen uitgekomen. Men moest weer terug tot God !
De theologie kwam weer in 't centrum van de belangstelling te staan. En Barth zette zich, met zijn vriend Thurneysen, tot ernstig onbevooroordeeld onderzoek van de Heilige Schrift, met name (wat ons niet verwonderen kan) van den brief aan de Romeinen (Römer-brief). In het jaar 1921 gaf hij zijn Commentaar of Verklaring van dezen brief en sinds staat Barth in het midden van de belangstelling der theologen, ook hier in Nederland.
„Geruchtmakend" was zijn eerste publicatie. Want zijn boek week geheel en al af van wat men tot nu toe had verstaan onder een Commentaar. Op geniale wijze werkte hij in dat boek in eindelooze variaties uit het ééne thema, dat hij bij Paulus ontdekt meende te hebben, het thema : God is God, God de Volstrekte, de Souvereine, God is de absoluut Andere, de transcendente, die boven ons woont. Wij, menschen, aan deze zijde, en God, de Souvereine, aan de andere zijde. God, de groote, de verborgene, de heilige, de onbegrijpelijke.
De eene studie na de andere verscheen van zijn hand en in Zwitserland („Zwitsersche theologie"), Duitschland, maar ook in Nederland vond hij bij velen gehoor en werd zijn aanhang groot, „'t Werd aanstonds allerwege gevoeld : hier is een man aan 't woord, die een geheel eigen kijk heeft op de dingen, die gansch nieuwe wegen en perspectieven opent; een man, wiens gedachten, krijgen ze eenmaal ingang, een radicale omwenteling zullen beteekenen op het terrein der theologie, en daar niet alleen !"
Inderdaad zijn de Barthiaansche ideeën niet alleen op het terrein van de theologie, doch óók op dat van de politiek (is er christelijke politiek ? ) en van de school (is er christelijk onderwijs ? ) merkbaar. „Helaas — met blijdschap kan deze groeiende invloed van Barth, ook in ons land, niet worden begroet. Wij hebben in Barth, het moet al aanstonds bij het begin worden gezegd, met een man te doen, die met al wat in hem is ijvert voor het „Soli Deo Gloria", Gode alleen de eer ! Maar die daarbij niet bewandelt de paden van Gods getuigenis, in de Schrift ons geteekend. doch de zelfgekozen paden van een eigengemaakt theologisch schema, dat met de gedachten der Schrift in zeer ernstig conflict komt. Het is volkomen naar waarheid door iemand gezegd, dat de ideeën van Barth dynamiet beteekenen onder het gebouw van ons geloof en van ons christelijk leven, van onze gehoorzaamheid aan Gods geboden op elk gebied van het menschelijk leven". (Ds. J. A. Schep : Iets over Karl Barth, blz. 4 en 5).
Heel makkelijk is het niet, om de Barthiaansche theologie te begrijpen. Barth leest niet makkelijk. En het is allesbehalve eenvoudig om nu precies te zeggen, wat hij leert en wat hij wil.
Hij is een „alleenganger", een éénspanner, die moeilijk met een ander in 't gareel kan loopen ; dan springt hij spoedig „uit de band" en wandelt alleen weer verder. Hij kruist, als 't noodig is, moedig de degen met zijn vrienden (Schaeder, Wobbermin) en weigert alle wapenstilstand ; we zien hem tegenover Gogarten en Brunner, met wie hij niet wil worden vereenzelvigd. Zonder aanzien des persoons wil hij zijn „standpunt" bepalen, omdat het hem gaat om God en niet om een mensch, omdat hij Kerk en theologie op 't oog heeft". (Dr. Berkouwer: Beproeft de Geesten). De vragen blijven telkens weer: hoe moet Barth gelezen en verklaard worden? En dan zegt de een, dat hij wijsgeerig moet worden verklaard, staande onder invloed van de Marburgers (een bepaalde vorm van Neo-Kantianisme). Hierover schreef o.a. dr. H. W. van der Vaart Smit : De School van Karl Barth en de Marburgsche Philosophic, 1929.
Maar er wordt ook gevraagd : is Barth niet juist van alle filosofie vrij, heeft hij zich niet van de „wetenschap" losgemaakt (althans willen losmaken) om alléén maar theoloog, dogmaticus te zijn?
Een ander vraagt weer: is het waar, dat hij sterk onder den invloed staat van Luther en Calvijn ? Of is het waar, dat zijn geesteshouding alleen te verklaren is uit de wanhoopstoestanden van de na-oorlogsche jaren (na 1918) ?
Wie zal hier het juiste antwoord geven ? Of is er misschien meer dan één antwoord te geven ?
Hier komt nog iets anders bij.
Velen zeggen, dat de snel elkander opvolgende geschriften en publicaties bewijzen, dat Barth zelf nog niet goed weet, wat hij wil; omdat hij zich zoo verschillend uitdrukt, zich zelf telkens corrigeert, waarbij dan de laatste lezing dikwijls heel anders is, dan wat vroeger geschreven werd. Waaraan moet men zich dan houden?
Dr. Berkouwer merkt hierbij op : „Met elke nieuwe publicatie van Barth wordt de structuur van zijn theologie duidelijker zichtbaar". Waarbij echter dan weer de vragen opkomen: „is het gebouw van één stijl en is 't één organisch geheel? Of is het een samenvoeging van allerlei gedachten, die allerminst een harmonieuze éénheid vormen? "
Dr. Berkouwer zelf antwoordt daarop: „Wij meenen te mogen zeggen, dat Barth's theologie één stijl vertoont. Hij werkt de oneffenheden gestadig weg. Wel is er een betrekkelijk recht aan de zijde van hen, die wijzen op verschillende fasen in zijn ontwikkeling (1ste en 2de uitgave Römer-brief en zijn Dogmatiek van 1927 en 1932). Maar na de 2de druk van de Römer-brief zijn geen essentieele wijzigingen op te merken. „Er is een directe verbindingslijn te trekken tusschen Römer-brief 2 en Dogmatik 2."
„Römer-brief is geschreven door een jongen dominee in een anderen tijd dan de tegenwoordige; er is daar een begin van een ontwikkeling. De professor uit Bonn mag niet gemeten worden naar de maatstaf van den jongen dominee uit 't bergplaatsje Safenwil".
„Er is continuïteit, die voor ieder, die zijn ontwikkelingsgang nagaat, onmiskenbaar te vinden is. Römer-brief is een springende fontein, een met veel geraas op Kerk en theologie neerstortende lawine". Maar de roode draad die door alles loopt is : God is God, en Hij is alléén God ! God is niet alleen de eerste, maar heeft ook het laatste woord. God is God en blijft God — ook juist in Zijn genade. En nu mag door den mensch die grens niet overschreden worden: de mensch aan deze zijde, God transcendent aan de andere zijde, omdat Hij de Absolute, de gansch Andere, de Souvereine is.
En die „grenswacht" betrekt Barth. Omdat nu de grondstelling van Barth is: God is God, en moet God blijven, is te verstaan z'n felle critiek op de theologie van de 19de en 20ste eeuw (meer anthropologic dan theologie, meer gaande om den vromen mensch dan om den Souvereinen God) ; maar eveneens zijn critiek op Brunner en Gogarten.
Hier ligt Barth's isolement (ook de oorzaak van de opheffing van het theol. tijdschrift : „Zwischen der Zeiten"). (Zie : dr. Berkouwer : Beproeft de Geesten).
(Wordt voortgezet.)
OP DEZE PETRA
In deze lijdensweken komt ook weer naar voren een tekst als : „En Ik zeg u, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen". (Matth. 16 vers 18).
We kennen het verband : tusschen de verschillende — en verkeerde — belijdenissen van „de menschen", heeft Petrus, door Gods genade, de goede, de eenig goede belijdenis gedaan. Dat is de belijdenis van Christus' Kerk en dat moet de belijdenis — de eenig goede zijnde — blijven, alle eeuwen door. En dan zal het doodenrijk z'n slachtoffers binnen halen, jaar na jaar, dag aan dag, met onverminderd geweld, maar de Gemeente van Christus zal niet uitsterven, zal niet worden overweldigd door dien vervaarlijken vijand, de dood, want uit die goede belijdenis zal er altijd een Gemeente leven, tot aan het laatst der dagen !
Die Petrus-belijdenis is de belijdenis, namens al de discipelen gesproken. Het Woord van den Heiland tot Petrus gericht, geldt dan ook allen. Door goddelijke openbaring (niet door vleesch en bloed, vers 17) is deze belijdenis, de eenig goede, geboren en op dat fundament, van God Zelf gelegd (niet door Petrus, noch door een der anderen, maar door den Vader in den hemel) zal de Gemeente gebouwd worden en staande blijven.
Petrus, de rotsman, was er toe verwaardigd geworden om die goede belijdenis uit te spreken ('t was niet uit hem opgekomen, het was niet zijn subjectivisme, zijn vroom gevoel of iets dergelijks, maar de openbaring van den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus) en op die belijdenis, die uit God is, ambtelijk hier door den Apostel (namens alle Apostelen !) uitgesproken, heeft God Zijn Gemeente gebouwd en gegrondvest, en met die belijdenis zal zij voortleven. God, de Vader van onzen Heere Jezus Christus, kan weten, wie Jezus is en is de Eenige, die het zeggen kan (Matth. 11 vers 27) en Hij heeft het gezegd door Zijn knecht Petrus, die spreekt namens allen.
Niet op Petrus, als persoon, wordt de Gemeente des Heeren gebouwd. Dat is zóó in strijd met héél de Godsopenbaring, met heel de Schrift, dat de Gemeente van Christus op een mensch gebouwd zou zijn — dat we er eigenlijk geen woord over vuil moesten maken. Het vloekt tegen alles in. Niet op u — staat er, maar op deze rots. De persoon van Petrus moet naar achteren worden geschoven (wat hij beleden heeft, heeft hij immers ook door openbaring beleden ; het was niet uit hem, maar uit God !) Maar wat naar voren komt is het ambt, de Apostel en de Apostelkring (want één spreekt voor allen) die hier met de geopenbaarde waarheid Gods aangaande den Christus komt. Op het apostolisch ambt, dat belijdt en verkondigt, dat Jezus de Christus is, de Zoon van God — daarop zal de Kerk gebouwd worden. Wat Paulus later aldus zegt : „ gij zijt medeburgers der heiligen en huisgenooten Gods, gebouwd op den grondslag van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus Zelf de hoeksteen is". (Ef. 2 vers 19, 20). Of zooals we lezen in het boek de Openbaring : „En de muur der stad had twaalf fundamenten en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen des Lams". (21 vers 14).
Het vloekt tegen heel de Schrift, tegen heel de Godsopenbaring in, dat de Gemeente des Heeren gebouwd zou zijn op een mensch. Maar heel de Schrift leert ons, dat de Gemeente des Heeren gebouwd is op het fundament, van eeuwigheid gelegd, Jezus Christus — welke Godsopenbaring en welke belijdenis, naar Gods eeuwigen raad, niet anders tot ons zou komen dan ambtelijk, door den mond van de Apostelen des Lams, door de Apostelen en Profeten, als leggers van dat goddelijk fundament in het midden der wereld, opdat door hun woord en hun werk, de Gemeente Gods zou worden toevergaderd en zou worden gegrondvest en opgebouwd op het fundament.
De petra, de rots der eeuwen, is het fundament Gods : Jezus Christus — door de Apostelen en Profeten ons gepredikt en bekend gemaakt.
Dat ambtelijke, dat Apostolische, hoort er dus bij, want we zouden het niet weten, als zij het ons niet hadden gepredikt, gezonden van den Vader en begenadigd met Zijn openbaring. Niet uit hen was het, uit God, en uit Hem alleen, maar door de Apostelen en Profeten ons bekend gemaakt!
Deze Goddelijk-Apostolische belijdenis moeten we hebben en bewaren; dat is de petra, de rots, waarop de Kerk van Christus is gegrondvest alle eeuwen door !
En dat kan dood en hel niet te niete maken! „Ik weet, hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen, naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen". (Psalm 89).
DE NIEUWE VERTALING VAN HET NIEUWE TESTAMENT.
Wij hebben nu dag aan dag de nieuwe vertaling van het Nieuwe Testament, bezorgd door 't Nederlandsche Bijbelgenootschap, gebruikt bij onze huiselijke godsdienstoefening. En wij willen gaarne verklaren, dat wij het doen met groote dankbaarheid in 't hart, dat we deze nieuwe overzetting van Gods Woord, uit de grondtekst, hebben ontvangen, juist nu in dezen tijd, nu het zoo noodig is, dat het Woord des Heeren vlak bij de menschen van den tegenwoordigen tijd wordt gebracht.
De prettige uitgave bevordert het gebruik van deze nieuwe vertaling, en vooral de kleine boekjes van 40 en 60 et. (dat laatste is bijzonder mooi) maken het zoo gemakkelijk iemand zoo'n bijbeltje te geven.
Veel studie van vele jaren van vele knappe theologen is in deze nieuwe vertaling — ook in die heele kleine, handige, mooie boekjes — benut voor ons tegenwoordig geslacht, waarom wij deze nieuwe vertaling met name onze predikanten en onderwijzers zeer dringend aanbevelen. Men verwaarloost een schat, als men van deze nieuwe vertaling geen kennis neemt en het wordt ieder zoo heel gemakkelijk gemaakt er van te kunnen profiteeren. Heel dikwijls is de lezing veel, veel duidelijker dan onze Staten-Vertaling is.
Prof. dr. A. Sizoo, de vertaler van de Institutie van Calvijn uit het Latijn én de vertaler van de Confessiones van Augustinus (uitgave Meinema : Latijnsche tekst en vertaling naast elkaar!), dus waarlijk niet „de eerste de beste", schrijft een paar artikelen in Calvinistisch Weekblad over de nieuwe vertaling. Wij nemen een heel klein stukje hier over, om iets van zijn oordeel in deze te vernemen.
„Twee redenen maakten het gewenscht, dat een nieuwe vertaling ondernomen werd, n.1. 1e. de grootere en diepere kennis, die wij thans hebben van het Grieksch, waarin het N. T. geschreven is, en 2e. de veroudering van 't Nederlandsch van de Statenvertaling". „Wij mogen gerust zeggen, dat wij, door Gods genade, veel en veel meer weten dan onze vaderen en de nieuwe kennis betreft dan in hoofdzaak tal van kleine bijzonderheden, die ons thans duidelijker zijn dan aan de Statenvertalers. 't Gaat hier niet over 't geen noodig is om hetgeen God in Zijn Woord ons wil mededeelen van Zijn raad, wil en gebod, want daarin is de Statenvertaling alleszins betrouwbaar, evengoed als de nieuwe vertaling. Het kennen van den weg der zaligheid hangt niet af van een vertaling. De Kerkvaders hebben met gebruikmaking van heel wat mindere vertaimgen de openbaring Gods op zegenrijke en juiste wijze verkondigd"'. „Betreft de verbetering dus niet de groote dingen van het Koninkrijk Gods, dat neemt niet weg, dat wij thans allerlei kleine zaken beter weten dan onze voorvaderen en het is geen hoovaardij, als ons tegenwoordig geslacht zegt, dat de taal der vaderen door ons is uitgebreid. God heeft het zoo beschikt, dat de studiezin der geleerden gezegend is. En het is zeker ook niet zonder Gods wil geweest, dat nieuwe vondsten aan dien studiezin nieuwe stof hebben geboden".
Het gaat bij die „nieuwe vondsten" dan (in dit geval) niet allereerst en allermeest om handschriften — zegt prof. Sizoo — „maar het gaat me thans over het eigenaardige karakter van het Grieksch, waarin het N. T. geschreven is, waarbij wij telkens voor allerlei moeilijkheden werden en worden gesteld. En nu hebben de opgravingen van de laatste halve eeuw, bijzonder die in Egypte, tal van geschriften aan het licht gebracht, die in dezelfde taal geschreven zijn. En bijna al die gevonden geschriften hebben betrekking op 't dagelijksche leven. Het waren brieven, protocollen, akten, kwitanties en dergelijke geschriften. En bij bestudeering van dit alles bleek, dat de taal dezer geschriften overeenstemde met die van het N. T. ; althans in het algemeen". En nu zal het duidelijk zijn, dat deze vondsten nieuw licht hebben geworpen op talrijke kwesties, die voor de Statenvertalers nog duister waren. Van dat nieuwe „licht uit het Oosten" hebben de geleerden, die de nieuwe vertaling hebben tot stand gebracht, een dankbaar gebruik gemaakt".
„Bij nauwkeurige vergelijking van de nieuwe met de oude vertaling, zal men dan ook op tallooze plaatsen veranderingen aangebracht zien, die voor ons besef den tekst veel duidelijker maken ; en de oorzaak is dat bepaalde woordbeteekenissen, zinsconstructies en beeldsprakige uitdrukkingen door de nieuwe studiën eerst volkomen duidelijk geworden zijn". „En daarbij komt dan ook dit: onze eigen taal is veranderd". Wij spreken en lezen niet meer 17de eeuwsch; en nu heeft men wel gepoogd de Statenvertaling zelve te moderniseeren, maar daarbij zijn de fouten niet weinige.
„En waar nu zóó de situatie is dat wij de oorspronkelijke taal beter verstaan dan onze vaderen en dat sinds hun tijd het Nederlandsch een belangrijke wijziging heeft ondergaan, was de tijd zeker gekomen om een nieuwe vertaling te geven".
„Met groote wijsheid hebben de vertalers zich zooveel mogelijk bij de Statenvertaling aangesloten. Ze zijn slechts daarvan afgeweken, waar de grondtekst hun dat gebood, of waar de eischen van 't moderne Nederlandsch het verlangden. En zoo hebben zij een vertaling gegeven, waarin wellicht nog eenige kleine veranderingen zullen worden aangebracht, maar die in haar geheel den Griekschen tekst vertolkt op een wijze, die men zich bij den tegenwoordigen stand der taalkunde ternauwernood beter kan denken. Zij is inderdaad de gretigheid waard, waarmede ons volk de eerste oplaag heeft gekocht".
Wanneer een man als prof. Sizoo, hoogleeraar aan de Vrije Universiteit en Classicus eerste rang, zóó spreekt, willen we gaarne naar zijn waardeerend oordeel luisteren en wij nemen het gaarne voor honderd proceent over.
Als bewijs hoezeer deze nieuwe vertaling gewaardeerd wordt diene, dat van de kleine uitgave 15 Dec. 1939 niet minder dan 21.500 ex. van de pers kwamen en binnen enkele weken was alles bij het Bijbelgenootschap uitverkocht. Alleen de boekhandel kan nog leveren.
Zoowel van de grootere uitgave á ƒ 1.90, als van de kleinere á ƒ 0.40 en á ƒ 0.60, zal zoo spoedig mogelijk een nieuwe druk verschijnen bij W. D. Meinema te Delft.
DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (6)
Zelfverloochening met betrekking tot God. Zelfverloochening is noodig. En dan ook ten opzichte van God en Zijn leiding in ons leven. De Schrift leert ons, dat wij in het zoeken van een stil en gerust leven ons en al het onze aan den Heere moeten overgeven en de neiging onzes harten aan Hem moeten onderwerpen en dienstbaar maken.
Wij hebben van nature onbegrensde lust en buitensporige neiging tot rijkdom, eer, macht, invloed en dergelijke dingen ; maar armoede, lage staat en geringe stand, zijn bij ons gehaat en wekken onzen afkeer, en wanneer de Heere er mee tot ons komt in ons leven, staan we Hem grimmig tegen. Hoe onrustig zijn allen, die naar eigen goed jagen ; hoeveel listen worden er beraamd om het te verkrijgen, en we willen tot elken prijs ontvlieden armoede en tegenheden.
Laat ons daarbij gewaarschuwd zijn, opdat we niet in onze eigen wegen vastloopen ! We moeten den volgenden weg inslaan: Wij moeten nooit iets willen bereiken, dan door den zegen des Heeren; en we zullen nooit waarlijk vooruit komen in het leven, als het ons ook in den voortgang niet om dien zegen des Heeren te doen blijft. Want ofschoon het vleesch zich sterk genoeg waant, als het in eigen kracht en op eigen risico, naar eer en rijkdom en macht en invloed streeft, zoo is het ontwijfelbaar zeker, dat dit alles niets beteekent, zonder God en Zijnen zegen.
Daarentegen baant alleen de zegen des Heeren zich door alle hinderpalen een weg en maakt, dat alles voor ons een gewenschten, gezegenden afloop heeft. Al kunnen wij buiten God veel verwerven! — en dat dit mogelijk is, zien we dagelijks, gelijk ook Asaf het gezien heeft, Ps. 73 — zoo zullen we toch zonder Hem niets verkrijgen, dan wat schadelijk voor ons is en ons nog dieper in ellende storten. Waarom het zoo dwaas is, in eigen wegen deze dingen dan toch te zoeken en na te jagen, met inspanning van alle krachten.
We moeten niet op eigen schranderheid of behendigheid vertrouwen, maar liever ons betrouwen stellen op den Heere, om in Zijne wegen in oprechtheid te wandelen. Onze blik op den Heere gevestigd en aan Zijn hand geleid naar het doel, dat Hij voor ons heeft uitverkoren.
Dan moet onze weg in eerlijkheid zijn, want wie zou durven en mogen hopen op de hulp van Gods zegen onder het plegen van bedrog, roof en allerlei schandelijke streken? Van alle schadelijke weg zullen we moeten afzien, en onze heimelijke zonden liggen open voor des Heeren aangezicht. Wie toch zou schaamteloos genoeg zijn om te denken, dat God hem zal helpen verkrijgen wat hij begeert in strijd met Zijn Woord? Zou God dan wat Zijn mond heeft vervloekt, met Zijn hand zegenen?
En als tegenspoed en teleurstelling ons overkomt, zullen we geduldig moeten zijn in het lijden en stil voor Gods aangezicht. Gelijk wij bij voorspoed niet ons zelf moeten prijzen en het aan ons zelf moeten toeschrijven, maar den Heere erkennen als den Gever van alle goede gaven en volmaakte giften.
Davids voorbeeld wijze ook ons, hoe onze gemoedstoestand moet zijn, want hij volgde God, gaf zich aan Zijn leiding over en betuigde, dat hij stil was als een gespeend kind, en niet wandelde in dingen, voor hem te hoog en te wonderlijk. (Psalm 131 vers 1).
Ook nog dit.
Niemand heeft inderdaad zichzelven verloochend, dan wie zich zóó geheel heeft overgegeven in Gods hand, dat hij zijn geheele levenslot door den wil des Heeren laat bestieren en leiden. En hoe zeer dit dringt, bewijst het leven wel met zijn vele wederwaardigheden. De eene tegenspoed na de andere bestormt ons ; dan is het een kwaadaardige ziekte, dan weder een gruwelijke oorlog ; dan vernietigt vorst of hagelslag de hoop van den landman, dan is er misgewas en hongersnood; dan ontrukt de dood ons onze vrouw, ouders, kinderen; dan wordt ons huis door brand verwoest. Dan zijn er menschen, die den dag van hun geboorte vloeken en het leven verwenschen, tegen God opstaan en Hem beschuldigen. Maar de geloovigen moeten ook hierin Gods goedertierenheid en waarlijk vaderlijke goedgunstigheid zien; zij moeten niet ophouden God te danken, wetende, dat de genade Gods hun nabij zal zijn, al ligt hun woning verwoest. De Christen moet den moed niet laten zinken en niet morren en opstaan tegen God, maar vaststaan in het vertrouwen, dat wij steeds in 's Heeren hoede zijn, dat wij schapen zijn van Zijn weide, dat Hij ons het goede niet zal onthouden, ook in kwade tijden en hongersnood niet. We moeten ons niet laten vervoeren door ongeduld bij ziekte, maar inplaats van God ter verantwoording te roepen, moeten we ons zelf dan oefenen in het geloof en vertrouwen op God, in Wiens hand we ons onvoorwaardelijk hebben over te geven en op Wien we ons geheel en al hebben te verlaten.
Uit het hart van den Christen moet die dwaze leer der heidenen geweerd worden, die, om zich te wapenen tegen ongeval, aan het toeval gelooven, dat, blind en doelloos, schuldigen zoowel als onschuldigen treft en waartegen het dwaasheid is zich te verzetten.
Veeleer is de hechte grondslag der godsvrucht, dat voorspoed en tegenspoed alleen worden bestuurd en geleid door Gods hand, die niet onbedacht voortarbeidt, maar 't goede zoowel als het kwade met wijsheid en rechtvaardigheid beschikt.
Zelfverloochening met betrekking tot God is noodig — en we hebben nu ook nog te spreken over: de noodzakelijkheid van beproevingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's