De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wat zal dit voorjaar ons brengen ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wat zal dit voorjaar ons brengen ?

8 minuten leestijd

Na dezen strengen winter van 't jaar 1940, die wel eens wordt vergeleken met den strengen winter van 1890, zal men zich overal verblijden in de komst van de lente. Er is door de felle koude ontzaglijk veel geleden. In den loop van dezen zomer zal pas kunnen worden vastgesteld, hoeveel zangers door de felle koude zijn ten onder gegaan, hoeveel duizenden riviervisschen in de tot op den bodem bevrorene wateren den dood hebben gevonden; voorts hoevele dieren in bosschen en heidegronden zijn omgekomen.

Maar ook de menschen hebben geleden. Er is wekenlang niet gearbeid en hoe mooi de regeeringssteun voor de werkloozen mag wezen, het is niet genoeg om er dekens en kleeren en voldoende brandstoffen van te koopen. We hebben stellig in deze felle koude een oordeel Gods te zien. Het is geen wonder, dat ook de gansche kosmos wordt betrokken in den strijd, dien God met de menschenkinderen aan het strijden is.

„Het is reeds uitgesproken in den hof van Eden, dat het aardrijk om der zonde wil van God vervloekt is. Onder dien vloek Gods beefde de aarde in Klein-Azië. Onder dien vloek wordt in het eene deel van den aardbodem de oogst door de hitte en de droogte verzengd en in een ander deel dreigt er verbazend veel onder te gaan door de ondragelijke koude.

Voor de strijdende volkeren aan het westelijk front hebben we in de felle koude nog wat anders dan slechts een oordeel gezien.

God de Heere heeft de volken tot stilzitten gedoemd. Het is bij wat schermutselingen en vliegtuigverkenningen gebleven. Aan 'n groot offensief viel niet te denken op het westelijk front. Duitschers en Franschen kunnen de felle koude niet zoo gemakkelijk verdragen als de Finnen en Russen.

Is het niet alsof God, de Heere, deze maanden van koude over Europa heeft gebracht om de volkeren te dwingen tot rust aan de fronten ? 't Is, alsof de Heere aan de oorlogvoerende mogendheden den tijd gaf om zich nog te bezinnen, opdat de wapenen nog in de scheede zouden worden gestoken en aan dezen rampzaligen krijg nog een einde zou worden gemaakt.

Zullen de volkeren nog naar die roepstem luisteren? Op het oogenblik, nu we dit artikel schrijven, schijnt er nog geen sprake van bezinning te wezen. Daarom gaan we met angst en vreeze het voorjaar tegemoet. Zeker, we zullen blijde zijn, als we de vogels, die nog zijn overgebleven, hun hoogste lied zullen hooren zingen. We hopen ons te verheugen in het zien zwellen van de knoppen van hoornen en heesters. We hopen ons te verlustigen in den aanblik van de velden, die door de landlieden worden bezaaid en bearbeid. Nog eens: het voorjaar brengt blijdschap.

Maar we moeten niet denken aan de mogelijkheid, dat die millioenen soldaten aan de Siegfried- en Maginot-linie straks in beweging zullen geraken om den strijd met elkander aan te binden.

En als een van de lezers mocht zeggen, dat hij niet gelooft, dat dit gebeuren zal, omdat die beide linies veel te sterk zijn, zoodat niemand er eenige millioenen menschenlevens aan dooden en gewonden voor zal over hebben, dan vraag ik mij met angst af, waar die legers elkander dan wèl zullen ontmoeten, want dat die beide machtige legers dit jaar werkeloos tegenover elkander zullen blijven liggen, gelooft misschien niemand.

Zal er dan elders een doorbraakpoging moeten worden gewaagd ?

Zal het inderdaad tot een slachting onder de menschheid komen, zooals ze nog nooit is gezien vanaf de oudste tijden ? Nog nooit waren de legers, dank zij allerlei natuurkundige en chemische uitvindingen, zoo goed uitgerust om te moorden en te vernietigen. O, als het tot een treffen komt, zal het verschrikkelijk wezen.

En dan komt de vraag als vanzelf naar voren, of ons kleine landje, en laten we er onze naburen, het kleine België, maar bij noemen, gespaard zullen blijven. Zullen we ook niet in den grooten wereldkrijg worden betrokken? Misschien tegen onzen wil? De mobilisatie bracht al zooveel ellende met zich. Wat zal 't dan echter zijn? Schrikkelijk zou het wezen, als onze jonge mannen op het slagveld werden weggemaaid.

Lezers, wat zullen we doen ?

Van de groote massa, heeft zich meester gemaakt een geest van valsche gerustheid. „Het zal nog wel afloopen !" „We zullen er niet in worden betrokken !" „Onze Hollandsche waterlinie is sterk !" „Men zal het niet wagen om onze onafhankelijkheid te schenden!"

Ziehier allerlei gezegden, die men elken dag kan beluisteren. Ze zouden te vermeerderen zijn met een nog erger taal, waaruit lichtzinnigheid en onverschilligheid spreek.

O neen, 't is allerminst onze bedoeling om een paniekstemming te verwekken. Aan paniek hebben we niets. Maar het is toch gevaarlijk om in deze tijden van dreigende gevaren het den volke maar toe te roepen : „Vrede, vrede en geen gevaar; het zal wel schikken!"

Als een mensch ziet op de schrikkelijke openbaring van de zonde rondom, als hij opmerkt, dat duizenden met God hebben gebroken en als hij dan daarbij bovenal ziet op eigen zonde en schuld, dan zal men het moeten belijden, dat het haast niet anders kan of God de Heere moet wel van den hemel afdalen in den weg van oordeelen en gerichten. Dan moet de belijdenis wel van onze lippen: Heere, we hebben Uwe oordeelen verdiend.

Men komt dan eigenlijk op een standpunt, geheel tegengesteld aan dat van het ongeloof. Het ongeloof van onze eeuw durft het uit te spreken : Als er een God is in den hemel, waarom laat Hij die oorlogen toe en waarom maakt Hij geen einde aan de wereldellende, om enkel zegen en geluk over de menschenkinderen uit te gieten?

Wie echter het snoode en het Godonteerende van de zonde bij het licht des Geestes leerde inzien, die zal moeten blijden: Heere, het is een wonder, dat Gij de oordeelen en de gerichten nog niet vermeerderd hebt.

Wie in een bergland wel eens over den rand van een rots in den diepen afgrond heeft geblikt, zal stellig even hebben geduizeld en zijn hoofd terstond hebben teruggetrokken.

De dichter van den 36sten Psalm heeft het in geestelijken zin gedaan. Hij heeft even gekeken over den rand en het uitgeroepen: Uwe oordeelen, Heere, zijn een groote afgrond.

Nog eens: wat zullen we doen ?

Gods Woord predikt ons geen onverschilligheid en leert ons niet, dat we het maar kalm moeten afwachten.

Toen de mannen van Nineveh zich het oordeel hoorden aankondigen door den mond van Jona, deden ze zakken aan en ze strooiden asch op hunne hoofden en ze verootmoedigden zich voor Gods aangezicht.

En nu moet ge mij niet vragen, of dat bij al die Ninevieten een zaligmakende verootmoediging geweest is. Ik wil u wel zeggen, dat ik geloof van niet. En toch was het Gode welgevallig, toen die gansche stad, hoe dan ook, zich vernederde voor Gods aangezicht en het oordeel werd ingehouden. De Heere was in den toorn des ontfermens gedachtig.

Achab verootmoedigde zich voor Gods aangezicht en de Heere vroeg den profeet Elia, of hij wel zag, dat Achab zich verootmoedigde. En de Schrift leert ons, dat er zelfs op de verootmoediging van Achab zegen heeft gerust. Het kwaad, wat God over hem gesproken had, zou niet komen in zijne dagen, maar in de dagen van zijne zonen.

Ge ziet het bij vernieuwing ook in de geschiedenis van Achab, dat op zijn verootmoediging het oordeel werd opgeschort. Maar als dan het gebed van Achab werd verhoord, hoeveel te meer zal het gebed van de Elia's verhooring vinden, het gebed van allen, die zich in geest en in waarheid vanwege hun schuld en hun zonden voor God verootmoedigen.

Er zal ook nu in deze bange tijden een overblijfsel zijn naar de verkiezende genade Gods. Ook nu zullen er gaan in de binnenkamer, die de deuren achter zich toesluiten om den hemel te bidden, dat Gods ontstoken gramschap mocht voorbijgaan.

Dit maakt het echter bij al de wereldellende dit voorjaar nog droeviger, dat er helaas in de breede rijen van ons volksleven maar weinig sprake is van verootmoediging.

Maar ik erken het, dat we niet van bovenaf moeten beginnen, maar van beneden af, dus bij den enkeling. En daarom past het dat een ieder onzer zich afvrage, hoe hij staat tegenover de roepstemmen en de oordeelen Gods. Hebben wij ons reeds leeren verootmoedigen voor den Heere?

Ik weet het, dat de verootmoediging maar niet door menschen is teweeg te brengen. Ik erken het, dat verootmoediging alleen een vrucht is van het werk des Geestes. Maar toch wekt de Schrift ons op en roept het ons toe, dat we ons zullen vernederen onder de slaande hand Gods, opdat Hij ons verhooge te Zijner tijd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Wat zal dit voorjaar ons brengen ?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's