MEDITATIE
VERRADEN DOOR EEN VRIEND!
Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, dat een van ulieden mij zal verraden. ...'.Deze is het, wien ik de bete, als ik ze ingedoopt heb, geven zal. Johannes 13 : 21, 26.
VERRADEN DOOR EEN VRIEND!
Jezus is met zijn twaalf discipelen gezeten aan den Paaschmaaltijd. De geheele groep wordt beschenen door het roodgele licht van de flakkerende olielamp. Op de tafel staat het gebraden lam en de andere bestanddeelen van den maaltijd.
Het is het laatste wettige Pascha, dat gevierd zal worden. Het ware Paaschlam, waarnaar alle vroegere Paaschoffers heenwezen, staat geslacht te worden. Straks zal Jezus dan ook het Heilig Avondmaal instellen, den disch van het Nieuwe Verbond, welke voortaan het Pascha zal vervangen.
De ure is thans gekomen, dat Jezus uit deze wereld zal overgaan tot den Vader.
Zoo juist heeft de Meester zijn discipelen in de voetwassching een beschamende les in het dienen gegeven, een les om nooit te vergeten.
Wanneer Jezus weer mede aanligt aan de lange tafel en Hij nog rnet een enkel toepasselijk woord de beteekenis en bedoeling der voetwassching in het licht heeft gesteld, gaat Hij zijn discipelen voorbereiden op het ontstellende en ongelooflijke feit, dat Hij verraden zal worden door.... een van hen.
Bij de enkele gedachte wordt Hij zelf ontroerd in den geest. Met van aandoening trillende stem betuigt Hij dan : Voorwaar, voorwaar, zeg ik u, één van ulieden zal mij verraden. Jezus weet, dat dit zijn gezegde zijn trouwe discipelen ongelooflijk zal voorkomen. Daarom leidt Hij het in met de dubbele plechtige verzekering: Voorwaar, voorwaar!
Een schok gaat door den kring der discipelen: Eén van hen den Meester verraden! Wie kan dat zijn ?
Maar op niemand valt eenige verdenking van hun zijde. Ze kunnen zich niet voorstellen, wie tot zulk een snoode daad in staat is. Als ze nog aan iemand denken, dan is het niet aan een ander, maar aan zichzelf.
In de gemeenschap met Jezus hebben ze geleerd, zichzelf te wantrouwen. Ze kennen thans eenigszins hun verdorven hart. Ze weten, dat op den bodem van dat hart alle zonden, zelfs de meest gruwelijke, liggen. Niet hoog denken ze dus van zichzelf. Daarentegen — en dat is ook een kenmerk van genade — denken ze van den naaste het goede.
En zoo beginnen ze dan, volgens het Mattheüs-evangelie, allen, hoofd voor hoofd, bedroefd aan Jezus te vragen: Ben ik het, Heer? Eigenlijk staat er: Ik ben het toch niet, Heere?
In dit vragen ligt dus eenerzijds het wantrouwen van hun eigen hart en anderzijds de hoop, voor zulk een afschuwelijke zonde als het verraad van den eigen Meester, bewaard te mogen blijven.
Petrus, de impulsieve, verdraagt de spanning niet langer. Hij beduidt Johannes, die naast Jezus aanligt, dat hij Dezen moet vragen, wien Hij op het oog heeft.
Johannes verstaat. Hij neigt zich naar Jezus en fluistert Hem toe: Heere, wie is het? En dan antwoordt Jezus: — en Hij moet dat eveneens fluisterend hebben gedaan, zoo, dat alleen Johannes het hooren kon; want de andere discipelen weten het daarna nóg niet — „Hij is het, voor wien Ik de bete zal indoopen en wien Ik ze zal geven".
Dan doopt Jezus de bete in de saus, en geeft ze aan Judas Simonszoon Iskarioth. Judas is het dus! Hij is derhalve die duivel onder hen, van wien Jezus eerder had gesproken! Johannes wordt er koud van, nu hij het weet.
Meer nog dan die wetenschap ontroert hem echter het feit, dat Judas zoo verhard blijkt. Zoo even toch heeft hij nog met een stalen gezicht mede uitgeroepen : Ik ben het toch niet, Heere? De huichelaar! En nu, nu neemt hij ook nog de bete uit Jezus' hand aan!
Dat laatste ontroert Johannes nog het meest. En ook voor Jezus moet dit zulk een diepe smart geweest zijn.
Het toereiken van de ingedoopte bete toch was niet alleen een aanwijzing, maar droeg in het Oosten de beteekenis van een vriendschapsbewijs, van een liefdeteeken. Jezus wil zijn ontrouw geworden discipel dus nog waarschuwen. Hij betuigt hem zijn geduldige en vergevensgezinde liefde.
O, Judas, kom dan nog tot inkeer! Nu wordt u nog de gelegenheid geboden. Straks is het te laat, voor eeuwig te laat! Maar neen, Judas is niet meer te redden. Hij gaat steeds sneller voort op het hellende, heillooze pad. Alle menschelijk gevoel heeft hij nu afgelegd. Hij heeft de bete aangenomen, daarmee betuigende: Gij hebt mij lief, ik U ook. En door deze weergalooze brutale geveinsdheid heeft hij zich tot 'n instrument van den duivel gemaakt. Er staat dan ook met nadruk: En na de bete, toen voer de satan in hem.
Nu kan Jezus zijn tegenwoordigheid ook niet langer verdragen. Hij beveelt Judas: Wat gij doen wilt, doe dat dan haastiglijk. Nog begrijpen de andere discipelen niet, waarom Judas hun kring moet verlaten. Allerlei vermoedens hebben ze, maar geen ongunstige.
Johannes echter weet. En jaren later, toen hij zijn evangelie te boek stelde, schreef hij:— en zijn pen moet bij deze passage hebben gebeefd — Hij dan, de bete genomen hebbende, ging terstond uit; en het was nacht.
Ja, het was nacht. Nacht niet alleen in het rijk der natuur, maar bovenal nacht in de wereld der zielen.
Nacht voor Jezus. Nacht voor de discipelen. Nacht voor Judas.
Voor Jezus evenwel is het geen nacht gebleven. Wel is het donker eerst nog in dichtheid toegenomen. De Zaligmaker zou immers dragen de zonden van zijn volk. En daartoe moest Hij den last van den goddelijken toorn in al zijn zwaarte en verschrikking torsen.
Maar na de nacht der Godverlatenheid volgde het licht van 's Vaders vriendelijk en tevreden aangezicht. Na 't kruis kwam de kroon. Na den dood de opstanding. Na Goeden Vrijdag Paschen, een Paschen zooals nog nimmer was gevierd.
Ook voor de andere discipelen is het geen nacht gebleven. Ver zijn ze afgedwaald. Allen zijn ze aan Jezus geërgerd geworden. Troostelooze dagen hebben ze beleefd.
Maar ook hun nacht is opgeklaard. De Goede Herder, die zijn leven stelde voor zijn schapen, heeft ze opgezocht en van den doolweg wedergebracht. Straks kunnen ze het uitroepen: De Heere is waarlijk opgestaan. Toen was het voor de discipelen weer licht, heerlijk stralend licht. Voor Judas echter is het nacht gebleven. Als hij ziet, dat Jezus veroordeeld is, rijst wroeging in zijn hart. Wanhopig roept hij uit: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed!
Geen waar berouw echter vervult zijn ziel. Het is slechts spijt, leedwezen over de gevolgen zijner zonde, niet over de zonde zelf. Hij gaat dan ook niet schuldbelijdend tot Jezus, maar loopt heen en verhangt zich. Zijn nacht ging over in eeuwigen nacht. Luguber einde ! Vreeselijk lot! „Wee dien mensch, door welken de Zoon des menschen verraden wordt, het ware hem goed, zoo die mensch niet geboren ware geweest".
Peinzende over deze dingen, hebt ge misschien bij u zelf gedacht, lezers : Dat de Heere Jezus lijden moest, weet ik. Het was, om onze zonden te dragen en te verzoenen. Maar dat Hij door één zijner eigen discipelen, door een vriend, moest verraden worden, dat begrijp ik niet. Kon Hem dat bittere leed niet bespaard blijven?
En vermoedelijk voelt ge daarbij zelf nog de pijn, welke u eens aangedaan werd door één uwer vrienden, die misbruik maakte van uw vertrouwen, die achter uw rug van u lasterde, of die op andere wijze, welbewust en met opzet, u in moeite en ellende heeft gebracht.
Ge hebt toen bij uzelf gezegd: Als mijn vijand mij dit aangedaan had, ik zou het gedragen hebben, maar dat hij, m'n vriend, tot zulk een Judasstreek in staat was, neen, dat valt mij zoo bitter tegen, daar kan ik niet over heen!
En ge hebt u toen een oogenblik lotgemeen gevoeld met koning David, toen hij uitriep: Zelfs de man mijns vredes, op wien ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grootelijks verheven ! (Psalm 41 : 10).
Dat zulk een bittere ervaring uw deel is geweest, daarom kunt ge eenigszins gevoelen, welk een diepe smart het voor den Heere Jezus moet geweest zijn, door Judas, één zijner discipelen, verraden te worden, door hem, voor wien Hij de bete heeft ingedoopt en ze hem gegeven heeft.
Waarom dit den Heiland niet bespaard kon blijven? Juist, omdat dat woord van David moest vervuld worden: zelfs de man mijns vredes...., die mijn brood at......
Dit woord toch is niet slechts uitdrukking van persoonlijke ervaring, maar ook profetie. Het was niet slechts David, die hier aan het woord is. Neen, de Geest van Christus sprak hier door David en getuigde van het lijden, dat op Hem komen zou. Ja, de Schrift moest vervuld worden. Niet alleen wat de groote lijnen betreft, maar tot in alle bizonderheden. Ook deze. Daarom zegt Jezus (volgens Mattheüs) onmiddellijk na de mededeeling: Die de hand met mij in den schotel indoopt, die zal mij verraden — de Zoon des menschen gaat heen, gelijk van Hem geschreven is. En dat beteekent niet maar: De Zoon des menschen gaat heen; dat feit is voorspeld in het Oude Testament. Neen, het wil zeggen: de Zoon des menschen gaat heen, precies zooals van Hem geschreven is. Dus: door het verraad van een vriend, die zijn brood at.
En waarom moest nu de Schrift vervuld worden, ook deze Schrift? Wel, de Schrift is immers de openbaring van Gods Raad. En in Gods Raad was bepaald, dat Christus voor de zonden der zijnen lijden zou, voor al hun zonden.
In de bejegening nu door Judas heeft Christus bepaalde zonden gedragen. Dit bestek laat niet toe, een ontleding van Judas' karakterontwikkeling te geven. Slechts zij opgemerkt, dat het op het laatst een heel complex van zonden is, waarin Judas verstrikt is. Naar den aard van het kwaad bracht de eene zonde de andere mee. En zoo zien we op 't laatst eerzucht, geldgierigheid, ontrouw, geveinsdheid, verraad, al die zonden in Judas' ziel dooreen. Welnu, al deze zonden heeft Christus gedragen, mede door en in het verraad van Judas.
Weest dan welgemoed, mijne vrienden, die u bezwaard gevoelt met zulke zonden. Christus heeft ze gedragen, en weggedragen. Door het geloof in Hem zullen ze u dan ook zeker vergeven worden.
„Maar ik ben zoo bang, een Judas te zijn. En als dat waar is, dan is er voor mij geen behoud, in eeuwigheid niet" — zoo hoor ik iemand zeggen.
Laat mij u dan mogen antwoorden, dat ik in uw klacht hetzelfde geluid verneem, dat de discipelen lieten hooren, toen ze riepen: Ik ben het toch niet, Heere? En als dat in uw hart leeft, eenerzijds dat wantrouwen aan uzelf, en anderzijds die hoop op Gods genade, neen, dan zijt ge geen Judas. Hóéver ge dan ook afgedwaald zijt, hoe zwaar ge ook gezondigd hebt, dan komt ge wel terecht.
Jezus is immers de Goede Herder, die de zijnen opzoekt en vergadert tot zijn kudde.
Luistert dan niet naar de stem, naar de vele stemmen van uw vreesachtig en twijfelmoedig hart. Luistert slechts naar Zijn stem. Dan heet Jezus u niet meer dienstknechten, maar vrienden. Dan noodigt Hij u aan Zijn disch, den disch van het Nieuwe Verbond, waar Hij u de bete toereikt, het teeken zijner vergevende liefde. En dan stamelt gij, bewogen onder zooveel liefde tegenover zooveel zonden en slechtheid van uw zijde, vol innige dankbaarheid : Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.
Den Ham (Ov.).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's