Zijdelingsche loopgraven.
Satan poogt het geloof door zijdelingsche loopgraven aan het wankelen te brengen. Calvijn.
Dat Gods gemeente hier op aarde terecht de strijdende Kerk genoemd wordt, blijkt wel heel duidelijk uit bovenstaand woord van Calvijn.
De tegenstander, satan, tracht door allerilei middelen het geloof van Gods gemeente in haar geheel en dat der geloovigen afzonderlijk aan het wankelen te brengen. En een der meest gevaarlijke methoden welke hij daartoe gebruikt, is, om met Calvijn te spreken, de aanval vanuit zijdelingsche loopgraven. Daardoor toch moet de strijd over verschillende fronten worden verdeeld. Niet alleen dus een strijd tegen hen, die in de uniform van den vorst dezer wereld, zich lijnrecht tegenover Gods gemeente stellen, maar ook een strijd, die moet worden aangebonden tegen aanvallen vanuit zijdelingsche loopgraven. En nu is dit de tactiek van satan, dat hij in die zijdelingsche loopgraven geen manschappen opstelt die in zijn uniform zijn gestoken, doch veeleer dezulken, die zich voordoen als medestrijders met de gemeente Gods vóór de Waarheid. Juist hierdoor worden de meeste slachtoffers gemaakt.
Toen Calvijn bovenstaande woorden schreef, had hij speciaal 't oog op een bijzondere aanval uit een dier zijdelingsche loopgraven. En als een goed aanvoerder in den strijd, maakte hij de strijdende Kerk terstond daarop opmerkzaam, opdat deze aanval met het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord, zoo mogelijk zou kunnen worden afgeslagen.
Wat toch was het geval ?
Er kwamen er in de gemeente, die zoodanig een leer verkondigden, waardoor de zekerheid des geloofs onherroepelijk moest gaan wankelen, wanneer men daaraan gehoor gaf.
Calvijn zegt van hen en hun leer het volgende: „Zij erkennen dat, zoo dikwijls wij op Christus zien, wij bij Hem een volkomen reden vinden om het goede te hopen; maar omdat wij altijd al die goederen onwaardig zijn, die ons in Christus worden aangeboden, willen zij, dat wij, door op onze onwaardigheid te zien, weifelen en aarzelen. Kortom, zij plaatsen de consciëntie zoo tusschen hoop en vrees, dat zij bij tusschenpoozen en beurten nu eens hier, dan weer daarheen gericht wordt ; en de hoop en de vrees brengen zij zoo met elkaar in verband, dat wanneer de een opkomt, de ander onderdrukt wordt, maar wanneer de laatste oprijst, de eerste weer instort. Zoo poogt satan, nu hij ziet, dat de openlijke middelen, waarmede hij vroeger de zekerheid des geloofs placht te vernielen, thans geen kracht meer hebben, het geloof door zijdelingsche loopgraven aan het wankelen te brengen".
Calvijn staat dus op de bres tegenover een leer, die de zekerheid des geloofs aantastte. O zeker, wie zijn Institutie leest, dien is het bekend, dat hij uitdrukkelijk leert dat de oprecht geloovige meermalen, naarmate zijn zwakheid, temidden van hevige aanstormingen hier- of gindsheen gebogen wordt, zoodat somtijds het geloof eenige onderbreking ondervindt en het licht des geloofs in de dichte duisternis der verzoekingen gesmoord wordt. Maar wat ook gebeure, zegt Calvijn, het geloof laat niet af om zich toch weer tot God te richten, zoodat de geloovige zijn ziel dan toespreekt : „O, mijn ziel, wat buigt g' u neder, waartoe zijt g' in mij onrust ? Voed het oud vertrouwen weder, zoek in 's Hoogsten lof uw lust".
Vanuit de zijdelingsche loopgraven had de aanval dit doel, dat de geloovigen er toe gebracht zouden worden om altijd door maar op zichzelven en hun onwaardigheid te zien, met als gevolg: weifeling en aarzeling.
Dat is juist satans opzet.
Een weifelend en aarzelend volk toch kan hij gemakkelijk bestrijden en overwinnen. Terwijl uit het midden van een weifelend en aarzelend volk ook niet het lied des geloofs opklinkt ter eere Gods. En niets heeft satan liever dan dat zulk een lied tot zwijgen gebracht wordt of niet wordt aangeheven.
In de kracht Gods neemt Calvijn het tegen hem op. Terwijl hij den aanval vanuit de zijdelingsche loopgraven tracht te stuiten, zingt hij de gemeenten van alle tijden en plaatsen vóór het lied van het wereld-overwinnend geloof. Daarvoor siddert satan, indien het in oprechtheid wordt gezongen. Dat doet hij niet voor een ingebeeld lied des geloofs, dat niet door Gods Geest is gewerkt, omdat de zanger daarvan slechts het oog heeft op een ingebeelden hemel. En een ingebeelden hemel ligt midden in de plaats der duisternis, zoodat satan met zulk een zijn doel toch wel bereikt. Zoo staat Calvijn als voorvechter op de bres, een en al aandacht, omdat hij weet hoe gevaarlijk de aanvallen uit de zijdelingsche loopgraven kunnen zijn. Tegenover een prediking van twijfeling en aarzeling plaatst hij daarom de zuiver gereformeerde prediking van de zekerheid des geloofs, die er is voor allen die in Christus door de werking des Geestes leerden gelooven.
„Indien gij ziet op uzelf", zegt hij, „is uw verdoemenis vast ; maar — en hier komt het „maar" des geloofs — aangezien gij zoo deel gekregen hebt aan Christus met al Zijn goederen, dat al het Zijne het uwe wordt, dat gij een lid van Hem wordt, en zoo één met Hem, zoo bedekt Zijn gerechtigheid uw zonden, Zijn zaligheid doet uw verdoemenis te niet en Hij komt met Zijn waardigheid tusschenbeide, opdat uw onwaardigheid niet voor Gods aanschijn kome. Zoo is het ongetwijfeld: Christus van ons te scheiden of ons van Hem, past allerminst; maar met beide handen moeten wij krachtig vasthouden de gemeenschap, waarmee Hij Zich aan ons verbonden heeft. Zoo leert ons de apostel. Het lichaam, zegt hij, is wel dood om der zonden wil; maar de Geest van Christus, Die in u woont, is leven om der gerechtigheid wil. Volgens hun dwaze opvatting had hij moeten zeggen: Christus heeft wel het leven bij Zich, maar gij blijft daar ge zondaren zijt, onderworpen aan dood en verdoemenis. Maar hij spreekt geheel anders. Want hij leert dat de verdoemenis, die wij door onszelf verdienen, door de zaligheid van Christus verslonden is ; en om dit te bevestigen, gebruikt hij de reden, die ik aangevoerd heb, namelijk deze : dat Christus niet buiten ons is, maar in ons woont, en niet alleen door een onverbrekelijken band der gemeenschap met ons verbonden is, maar ook door een wonderbare vereeniging met den dag meer en meer met ons tot één lichaam saamgroeit, totdat Hij geheel één met ons wordt."
Zoo zien wij hier Calvijn als een strijder met ootmoedigheid bekleed. Daarom wijst hij er ook telkens op, dat de geloovige naast de vrijmoedigheid die steunt op Gods barmhartigheid, een kinderlijke vrees zal moeten bezitten, vooral wanneer hij komt voor het aanschijn van Gods Majesteit en wanneer hij in den glans daarvan leert inzien, hoe groot zijn onreinheid is. In dit verband wijst Calvijn op Ps. 5 : 8 „In de grootheid Uwer goedheid zal ik uw tempel binnengaan, ik zal aanbidden in vrees". Waarbij hij uiteenzet „dat de psalmdichter hieronder een vrees verstaat die ons voorzichtig maakt en niet een, waardoor wij bezwijken. Zoo verhindert niets dat God de Zijnen oefent tot nederigheid, opdat ze, dapper strijdend, zich houden onder den teugel der ingetogenheid. Deze vrees is juist een vrucht van Gods welbehagen, waardoor Hij den Zijnen geeft het goede te willen en naarstig te volgen."
Wanneer zoo de geloovigen, geoefend tot nederigheid en gehouden onder den teugel van ingetogenheid, dapper strijden, dan keeren zij zich telkens weer tot Gods arsenaal. Want het geloof wapent en versterkt zich met het Woord des Heeren. Zoo in de wapenrusting des geloofs zullen de aanvallen uit de zijdelingsche loopgraven kunnen worden afgeslagen. En in de zekerheid dat in Christus Jezus Gods gemeente meer dan overwinnaar is, is er ook telkens weer het vroolijk opgaan der stammen naar Gods Huis en betreden zij in het bewustzijn van de grootheid van Gods goedheid den tempel om te aanbidden in vrees.
Niet zelden stijgt dan tusschen de tempelgewelven het loflied op :
Hoe groot, hoe vrees'lijk zijt G' alom, Uit Uw verheven heiligdom, Aanbid'lijk Opperwezen, 't Is Israels Gods Die krachten geeft, Van Wien het volk zijn sterkte heeft. Looft God, elk moet Hem vreezen.
En vanuit het verheven heiligdom antwoordt er een stem, die zegt :
„Israël, gij zult van Mij niet vergeten worden !"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's