De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.

6 minuten leestijd

Paulus wederstaat Petrus, vers 11—14. (IV).Vervolg vers 14.

HOOFDSTUK II.

Boven heb ik reeds uiteengezet, dat velen het Evangelie hebben, doch niet de waarheid van het Evangelie.

Zoo zegt Paulus hier, dat Petrus, Barnabas en de andere Joden, niet juist wandelen naar de waarheid van 't Evangelie, dat wil zeggen: zij hébben wel het Evangelie, maar ze wandelen er niet naar. Want hoewel zij het Evangelie predikten, zoo hielden zij toch door hun veinzerij, die met de waarheid van het Evangelie niet strookt, de Wet staande. Wie echter de Wet handhaaft, schaft het Evangelie af, en beneemt het zijn kracht.

Wie echter het Evangelie goed van de Wet weet te onderscheiden, die danke God, in de wetenschap, dat hij een echt theoloog, een van God geleerde is.

In tijden van aanvechting kent men deze dingen nog niet, gelijk behoort. Wet en Evangelie moeten echter zóó onderscheiden worden, dat men het Evangelie als in den hemel en de Wet als op aarde beschouwt. De gerechtigheid des Evangelies noeme men hemelsch en goddelijk; de gerechtigheid der Wet daarentegen aardsch en menschelijk. Ge moet even nauwkeurig onderscheid maken tusschen deze beide soorten van gerechtigheid, als God doet tusschen den hemel en de aarde; het licht en de duisternis; den dag en den nacht. De gerechtigheid des Evangelies kan vergeleken worden met het licht en den dag; die der Wet met de duisternis en den nacht. Mochten we beide gerechtigheden nog maar verder van elkaar scheiden !

Een gemoed, dat door een gevoel van zonde verschrikt is, moet aldus denken : nu hebt ge te stellen met de dingen dezer aarde ; laat daar de ezel werken, dienen en den last dragen, welke hem opgelegd is, hetgeen zeggen wil: het lichaam met al zijn leden zij der Wet onderworpen. Klimt ge echter op tot in den hemel, — laat den den ezel met zijn last op aarde, want de consciëntie heeft met de Wet, de werken en de aardsche gerechtigheid niets te maken. Blijft dus de ezel in het dal, dan klimt de consciëntie met Izaak den berg op, niets wetende van de Wet en de werken, daar hij slechts de vergeving van zonden in het oog houdt, benevens de gerechtigheid, die ons in Christus, voorgesteld en geschonken wordt.

Op burgerlijk terrein echter behoort de gehoorzaamheid aan de Wet op z'n strengst gevorderd te worden. Daar late men zich met het Evangelie, de consciëntie, de genade, de vergeving der zonden, de hemelsche gerechtigheid en met Christus niet in ; doch men houde zich daar aan Mozes, de Wet en de werken. Neemt men deze onderscheiding nauwlettend in acht, dan blijft elke soort van gerechtigheid binnen eigen perken. De Wet blijve evenwel uit den hemel, namelijk uit het hart en de consciëntie. De vrijheid des Evangelies daarentegen mag niet op het terrein dezer aarde komen, en behoort derhalve buiten het lichaam en z'n leden te blijven. Zoodra de Wet en de zonde in den hemel komen, namelijk in de consciëntie, moeten deze daaruit terstond verwijderd worden, omdat de consciëntie, welke verschrikt is door de vrees voor Gods toorn en Zijn gericht, niets behoort te weten van de Wet en de zonde, maar van Christus.

Dit onderscheid tusschen Wet en Evangelie had Petrus door zijn huichelarij uitgewischt; en daardoor bracht hij de geloovigen in de meening, dat zij tegelijk door het Evangelie en de Wet moesten gerechtvaardigd worden. Dat kon Paulus niet dulden ; derhalve bestrafte hij Petrus, niet met de bedoeling, hem aan smaad bloot te stellen, maar alleen om beide onderscheidingen weer zuiver te onderscheiden, namelijk dat de Wet op aarde, en het Evangelie in den hemel rechtvaardig maakt.

De paus heeft niet alleen de Wet met het Evangelie vermengd, maar ook heeft hij het Evangelie tot louter wet en ceremonieele inzettingen gemaakt. Het wereldlijk en kerkelijk terrein heeft hij geheel door elkander gegooid, hetgeen geleid heeft tot een waar Satanische en helsche verwarring.

Dit leerstuk omtrent het onderscheid tusschen Wet en Evangelie moet men noodzakelijkerwijze vooral goed weten, omdat het de hoofdzaak inhoudt van gansch de christelijke leer. Een ieder, die streeft naar de Godzaligheid, geve dan ook nauwlettend acht, dit onderscheid te leeren kennen: niet alleen in woorden, maar metterdaad, en krachtens ervaring, namelijk in het hart en de consciëntie.

..... zeide ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid: indien gij, die een Jood zijt, naar heidensche wijze leeft, en niet naar Joodsche wijze, waarom noodzaakt gij de heidenen naar de Joodsche wijze te leven ?

Deze woorden willen zeggen : ge zijt een Jood, die schuldig is naar Joodsche wijze te leven, en die zich dus behoort te onthouden van spijzen, welke in de Wet verboden zijn. Toch leeft ge, al zijt ge een Jood, naar de wijze der heidenen, wijl ge vrijelijk ingaat tegen de Wet, haar niet houdt, doch met voeten treedt. Ge eet namelijk (en daarin is het gelijk aan uw zijde) spijzen, die gemeen en onrein zijn, gelijk de heidenen doen, die van de Wet vrij zijn. Maar juist door het feit, dat ge bevreesd zijt geworden door de aanwezigheid van broeders uit de Joden, welke tot bekeering gekomen zijn, en u nu onthoudt van spijzen, die in de Wet verboden zijn, de Wet in acht nemende, — juist door dit alles dwingt gij de heidenen er toe, Joodsch te leven en de Wet als noodzakelijk te beschouwen. Want door het voorbeeld, u van onreine spijzen te onthouden, geeft gij den heidenen aanleiding aldus te denken: Petrus mijdt thans de spijzen der heidenen, welke hij eerst gegeten heeft; wij moeten dat dus ook doen, en naar Joodsche wijze leven; anders kunnen wij niet gerechtvaardigd en zalig worden.

Ik herinner er hier nog eens aan, dat het niet verkeerd is, naar Joodsche wijze te leven, wijl het een zaak is, waar niets aan gelegen is, of ge varkensvleesch dan wel ander vleesch eet. Wanneer ge echter op zoodanige wijze Joodsch leeft, dat ge u om des gewetens wil van zekere spijzen onthouden wil, dan is dat een verloochening van Christus en een verkrachting van het Evangelie.

Door zijn handelwijze kwetste Petrus niet alleen de zuiverheid der leer, maar ook de waarheid van het geloof en de christelijke gerechtigheid. Want de heidenen concludeerden uit een en ander, dat de Wet noodzakelijk is voor de gerechtigheid. Waar deze dwaling voorkomt,  is Christus geen nut.

Alle kracht van Paulus is gelegen in de woorden : „gij noodzaakt". Zij willen zeggen: gij dwingt de heidenen van de genade en het geloof te vervallen tot de Wet en de werken. Gij dwingt hen, Christus te verloochenen, alsof Hij tevergeefs geleden heeft en gestorven is. De woorden ,,gij noodzaakt" sluiten alle gevaren en zonden in, welke Paulus dezen heelen brief door scherp in het licht stelt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's