KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE THEOLOGIE VAN KARL BARTH--DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (7)--DE STRIJD OM DEN BIJBEL OP DE SCHOOL (11)--ERVARINGEN VAN EEN VELDPREDIKER
II.
Van Karl Earth wordt heel dikwijls gezegd: hij weet blijkbaar zelf nog niet wat hij wil, want in elk volgend geschrift breidt hij de stof zóó uit en verandert hij den inhoud zóó zeer, dat het voorgaande daarmee als vervallen moet worden beschouwd.
Nu zagen we reeds dat b.v. dr. Berkouwer hieromtrent in zooverre een andere meening verkondigt, dat hij getuigt: wat Barth schrijft is in één stijl opgetrokken en hij verandert niet, maar wordt langzamerhand veel duidelijker in z'n betoog. „Met elke nieuwe publicatie van Barth wordt de structuur van zijn theologie duidelijker zichtbaar" ; ,,Barth's theologie vertoont één stijl" ; „hij werkt de oneffenheden gestadig wèg" ; „na de 2de druk van de „Römerbrief" zijn geen essentieele wijzigingen op te merken"; „er is een directe verbindingslijn te trekken tusschen Römerbrief - en Dogmatiek - " ; „er is continuïteit, die voor ieder, die zijn ontwikkelingsgang nagaat, onmiskenbaar is".
Deze getuigenissen van dr. Berkouwer vinden we nogal van beteekenis en daarom herhalen we ze hier nog eens in 't kort ; temeer, waar er zijn, die het tegendeel zeggen en telkens herhalen.
Wat dien „gedurigen uitbouw" van Barth betreft, moge hier ook volgen de opmerkingen van prof. dr. D. H. Kromminga van Grand Rapids, die we vonden in zijn belangrijke brochure „De theologie van Karl Barth" (uitgave De Graafschap, Aalten). Daar worden opmerkingen gemaakt inzake zijn Lehre vom Wort Gottes (1938, herziene uitgaaf). Die „Lehre vom Wort Gottes" doet dienst als Prolegomena voor zijn Dogmatiek. Het is zijn Dogmatiek zelve niet; 't zijn maar „vóór-besprekingen" (prolegomena). De eerste uitgave van dat belangrijke geschrift telde 463 blz., maar de herziene 2de druk 1504 blz. En dan zijn het nog maar inleidende, vóór-besprekingen. Enkele onderwerpen uit de Dogmatiek worden er met name in behandeld (Barth zegt dan : , , in mijn Dogmatiek kom ik er nader op terug" !) 't Gaat over drie voorname stukken : de leer van de Drieëenheid, de leer van de Incarnatie of Vleeschwording des Woords, en de leer van de uitstorting des Heiligen Geestes. Voorname stukken dus, maar toch zijn het maar deelen van 't geheel. En dan alles in verband met de leer van het Woord Gods ; waarom het hier eigenlijk te doen is.
In de oorspronkelijke uitgave beslaan die drie stukken 200 blz. van de 463, in de herziene uitgave 704 blz. van de 1504!
Hier zien we dus, hoe Barth voortdurend neiging heeft om uit te breiden.
En wat getuigt nu prof. Kromminga ? Hij zegt : „Eene vergelijking van de revisie met de oorspronkelijke uitgave brengt geene wezenlijke verandering aan het licht". „Het is daarom mogelijk, op de basis van de oorspronkelijke uitgave van zijn Lehre vom Wort Gottes een schets te ontwerpen van Karl Earth's fundamenteel theologisch standpunt" (bladz. 3).
En zoo'n schets wordt dan hier (in genoemde brochure) aangeboden, gevolgd door een overzicht van de voornaamste veranderingen, die de revisie biedt (zij 't geen „wezenlijke verandering van zijn theologie") met een critische beoordeeling van zijn standpunt.
We laten dit nu verder nog even rusten, en willen een tweede opmerking maken. En wel deze : de oordeelvellingen over de theologie van Karl Barth onder geestverwanten loopt nogal wat uit elkaar en de waardeering van de beteekenis van dezen theoloog is nogal verschillend. De bekende Duitsche theoloog dr. W. Kolfhaus van Vlotho (door zijn schrijven in „Antirevolutionaire Staatkunde" ons niet heelemaal een vreemde) eindigde in 1925 (het is dus al weer ongeveer 15 jaar geleden !) een artikel in „Reformierte Kirchenzeitung" (1 Febr. 1925) ongeveer op deze wijze : „de theologie van Barth staat in het teeken van Soli Deo Gloria ; zij zal zeer zeker haar gebreken hebben en zal verbeteringen noodig hebben, maar in den grond van de zaak „geht sie auf dem rechten Weg". Maar 6 jaar later (1931) schreef de Transvaalsche professor dr. C. J. H. de Wet in „Die Wagtoring" (Julie 1931): „dat de theologie van Earth de finale doodsteek (want er waren al vele doodsteken toegebracht, maar dit zou de finale zijn) was van alle Christelijke, met name Gereformeerde theologie".
Bij zulke tegenstrijdige beoordeelingen zal het waarschijnlijk verstandig zijn met beide wat voorzichtig te zijn.
Wie in Duitschland als Gereformeerd theoloog (zooals dr. Kolfhaus) leeft en voortdurend ervaren moet, wat in de laatste eeuw aan de Universiteiten als theologie gedoceerd is, zal de prediking van Barth voelen als een opluchting en als beginsel van bevrijding van de Schleiermacheriaansche theologie, dat eigenlijk geen theologie is, maar veeleer anthropologie of beschouwing van den vromen mensch met z'n „ervarings-theologie", zooals de mensch dat zelf aangeeft, omschrijft en propageert. Heel de Duitsche theologie was, zoowel links als rechts, van A. Schweizer tot Troeltsch en van Nietzsche tot Schaeder, onder den invloed, ja, onder den ban gekomen van het Schielermacheriaansch subjectivisme. Object van de theologie was niet meer de transcendente Godsopenbaring, ons in Zijn Woord gegeven, maar voorwerp van de theologische bezinning waren de subjectieve religieuse belevingen en de geloofsacten van den individueelen mensch of van een menschengroep, of, zooals de Ethische theologie zegt : de geloofservaring van de Gemeente. Norm en maatstaf voor de kennis der waarheid Gods lag niet meer buiten, maar in ons. 't Was niet meer hetgeen de Heere Zelf door Zijn organen, de heilige menschen Gods, door den Heiligen Geest gedreven, in de Heilige Schrift heeft geopenbaard ; dat heette te „statish", te stroef, te beperkt, te oud en te doodsch, waarom het voor de „levende" gemeente van vandaag ontoereikend was. 't Moest veeleer en veel meer om 't geloof van den mensch zelf gaan, om 't geloof der „levende" gemeente. Dat heette dan „dynamisch" en was van veel meer levende kracht en had veel meer levende beteekenis voor het heden ; veel beter en veel verkieselijker zijnde dan al dat „boek- en formuliergeloof".
Zoo was er geen objectieve maatstaf in het van God gegevene ; elk geloofsdogma (dat steeds „intellectualistisch" werd geheeten) werd gemeten naar de innerlijke en levende zielservaring van den vrome. De religieuse Christen of de geloovige gemeente — dus de vrome, brave mensch, het geloovig subject - zou wel zeggen, wat waarheid, levenswaarheid is! Wat dan geen „stilstaand" iets is („statisch") maar „vloeibaar" en „steeds nieuw" („dynamisch").
Een „levende" waarheid dus, opkomend uit de gemeente, die met haar tijd meeleefde en dus telkens weer met nieuwe dingen aan kwam dragen — waarbij bovendien ook dit nog kwam, dat die „levende" gemeente zoo ongeveer alles wist. Men moest een „open" belijdenis hebben, omdat de tijden telkens veranderen en men van „stilstaand doodwater" niet leven kan. Daarom geen afgesloten belijdenis en geen afgesloten, maar „open" canon. Kon het mooier en aantrekkelijker ?
En tegen dit subjectivisme in de theologie — met den vromen mensch als autoriteit - is Karl Barth met al de kracht van zijn dialectisch en existentieel denken opgekomen. Hij heeft gebroken, radicaal gebroken, met - zooals hij het noemt - de „bewustzijns- of ervarings-theologie" ; en heeft met kracht den mensch, ook, ja vooral den vromen mensch, ontkleed en neergeslagen, om te bepleiten de noodzakelijkheid van een theologisch object — in tegenstelling met een anthropologisch subject — en daarbij stellig teruggegrepen op de groote reformatoren, Luther en vooral Calvijn.
Barth heeft weer gegrepen naar een objectieve Woordtheologie.
Of — zou het ook hier toch weer anders staan ?
(Wordt voortgezet.)
DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (7)
De noodzakelijkheid van beproevingen.
Allen, die door den Heere aangenomen zijn en in Zijn gemeenschap deelen, moeten er op rekenen, dat een hard, moeitevol en onrustig leven, dat door allerlei wederwaardigheden gekenmerkt wordt, hun wacht. Ze moeten leeren hun kruis op zich te nemen (Matth. 16 VS. 24). Waarom? Omdat de hemelsche Vader op die wijze de trouw der Zijnen op de proef wil stellen. Hij begon met Christus, Zijn Eengeborene, en bewandelt met al Zijn kinderen den zelfden weg. Christus, de geliefde Zoon des Vaders, heeft een leven moeten doormaken, dat een soort van voortdurend kruis is geweest. En het was : om gehoorzaamheid te leeren (Hebr. 5 vers 8). Waarom zouden wij nu een uitzondering maken op den regel, waarnaar Christus, ons Hoofd, zich moest voegen? Ook hierin zijn wij ,,verordineerd het beeld van Christus gelijkvormig te worden" (Rom. 8 VS. 29). Maar we mogen daarbij de heerlijke troost genieten bij moeilijke en onaangename omstandigheden, dat wij deel mogen hebben aan het lijden van Christus, opdat wij straks, door beproevingen gelouterd, ook met Hem de heerlijkheid mogen beërven. Terwijl wij de gemeenschap Zijns lijdens leeren, grijpen wij tegelijk de kracht Zijner opstanding aan (Fil. 3 vs. 10). Ën terwijl wij Hem in Zijn dood gelijkvormig worden, worden wij voorbereid tot de gemeenschap aan Zijn heerlijke opstanding.
Hoezeer verzacht het de bitterheid des levens, als wij weten, dat wij, hoe meer wij gebukt gaan onder lijden, des te meer versterkt worden in onze gemeenschap met Christus! Door de gemeenschap met Hem wordt het lijden niet alleen voor ons een zegen, maar dient het ook tot bevordering van onze zaligheid.
Dat onze Heere en Heiland het kruis op Zich nam, was niet omdat Hij daartoe gedwongen werd, maar alleen omdat Hij gehoorzaam wilde zijn en blijven aan Zijn Vader. Maar voor ons is het daarentegen om vele redenen noodig, dat wij steeds onder kruis en druk verkeeren. Want vooreerst zijn wij van nature geneigd, al ons vertrouwen op onszelven te stellen. Als onze zwakheid daarbij ons niet telkens voor oogen wordt gehouden, hebben wij spoedig een te hoogen dunk van onze kracht en meenen dan tegen alles wat ons kan overkomen, onwrikbaar en onoverwinnelijk stand te kunnen houden. Dan blazen wij ons op in dwaas, vleeschelijk zelfvertrouwen, waardoor wij ons verhoovaardigen tegen God, alsof onze eigen kracht voor ons voldoende ware zonder Zijn genade. Dien overmoed kan Hij niet beter breken, dan door ons in een duidelijk voorbeeld te toonen hoe zwak. hoe hulpbehoevend wij zijn. Dan bezoekt Hij ons met tegenspoed, armoede, verlatenheid, ziekte en andere rampen, die te zwaar zijn voor onze schouders om ze te torsen, en weldra bezwijken wij er onder. Op die wijze verootmoedigd, leeren wij Zijn kracht inroepen, die alleen ons onder de zwaarte van het lijden kan doen staande blijven. Zelfs de allerheiligsten, al weten zij nóg zoo goed, dat zij door Gods genade, niet door eigen krachten, staande blijven, wiegen zich in slaap met eigen moed en eigen standvastigheid, wanneer Hij hen niet door kruis en beproeving tot diepere zelfkennis leidt.
Op deze zorgeloosheid doelde David, toen hij sprak : „Ik zeide in mijn voorspoed : ik zal niet wankelen in eeuwigheid ; want Gij, Heere, hadt mijn berg door Uwe goedgunstigheid vast gezet; maar toen Gij Uw aangezicht voor mij verbergdet, werd ik verschrikt" (Ps. 30 vs. 7). David, de man naar Gods hart, bekent hier, dat zijn geheele denken door zijn voorspoed was verward, zóó, dat hij de genade van God, waarop hij bouwen moest, op den achtergrond plaatste, op eigen krachten steunde, en meende dat hij altijd standvastig zou blijven.
Indien dit een profeet als David kon overkomen, wie van ons zou dan niet ongerust worden over zijn eigen zorgeloosheid ? Als de vromen, door het geluk verblind, zich vleien met den waan van groote standvastigheid en lijdzaamheid, leeren zij, door den rampspoed verootmoedigd, hun dwaling erkennen.
„'k Sloeg, eer ik werd verdrukt, het dwaalspoor in ; Maar nu, geleerd, houd ik Uw Woord en wegen". (Psalm 119).
De kastijding, als die tegenwoordig is, is dan wel niet aangenaam, maar de vrucht daarvan is heilzaam.
(Wordt voortgezet.)
DE STRIJD OM DEN BIJBEL OP DE SCHOOL (11)
Onvermoeid bleef Groen, ten spijt van allerlei teleurstellingen, ijveren voor het bijzonder Christelijk onderwijs. Ja, zelfs nam hij na 5-jarige afwezigheid weer zitting in de Tweede Kamer ; en in 1862 was zijn eerste woord aan de verdediging van dit standpunt gewijd: „In den feitelijk godsdienstloozen Staat zijn Christenen, voor wie ik rechtens de vrijheid eisch voor het betrachten van hun Christelijke plicht".
Toen begon zijn moeizame kamp met Thorbecke en telkens liet hij weer hooren : „Het is ons miet te doen om aftroggeling van een aalmoes. Wij vragen aan de Kamers en de Kroon, niet als gunst, maar als recht, het handhaven der dierbaarste vrijheden, eigendom der natie".
Naamloos fier heeft destijds menigmaal Groen's stem geklonken. Zoo, toen Thorbecke, de liberalistische grootmeester en felle tegenstander van Groen, staande hield, dat de Openbare School niet godsdienstloos was, tenzij men godsdienst opvat in „zoodanige bekrompen beteekenis, dat hetgeen in een of ander boek, onder zekere bepaalde formulieren begrepen is, alleen godsdienst zou zijn". Daarop vat Groen vuur, en trillend van emotie heet het : „Zoó bekrompen zijn wij ! Wij hechten nog aan zekere formulieren, wanneer men daarin het eenvoudig en evangelisch geloof van den Christen terugvindt. In onzen Catechismus luidt de eerste vraag niet: hoe velerlei godsdiensten zijn er? Maar: „Welke is uw eenige troost, beide in het leven en in het sterven? " Wij hechten nog aan de Heilige Schrift. Volgens haar heeft de tempel, niet met handen gemaakt, waar men aanbidt in geest en in waarheid, tot opschrift niet slechts: „Komt allen tot Mij, gij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven", maar óók : „niemand komt tot den Vader dan door Mij".
„Er zijn voorzeker" — aldus Groen, — „velerlei godsdiensten, vooral bij het subjectivisme van onzen tijd. Tallooze godsdiensten van filosoof en ongodist beiden ; maar voor ons, exclusivisten als wij zijn, is er slechts één ware godsdienst, die niet „in een of ander boek", maar in de Heilige Schrift, in den Bijbel, in Het Boek, geopenbaard, is". (Studiën en Schetsen ter Schoolwetsherziening, bladz. 11).
Het was een moeizame, afmattende strijd. Vruchtbaar parlementair debat scheen onmogelijk. Zoo nu en dan een saamspreking met den Minister, maar overigens doffe, koude onverschilligheid.
In 1865 neemt Groen als Kamerlid zijn ontslag, om buiten het Parlement vruchtbaarder werkzaam te zijn. Maar ach, wéér een onafgebroken reeks van teleurstellingen. We hooren haast niet anders dan in eentonigen rythmus herhaling van wat David deed klagen: „Want het is geen vijand, die mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen ; het is mijn hater niet, die zich tegen mij groot maakt ; anders zou ik mij voor hem verborgen hebben".
In „Voorheen en thans" (bladz.. 145 enz.) geeft prof. Fabius een omstandig verhaal van den gang van zaken op de Algemeene Vergadering van de Vereeniging van „Christelijk Nationaal Schoolonderwijs" op 19 en 20 Mei 1869 te Utrecht gehouden. Daar wordt het Schoolwet-program vastgesteld en daarin komt dan voor het voorstel tot schrapping van het woord „Christelijk" uit artikel 23 („Christelijke" deugden — zonder Christus). Men wil niet langer, dat het volk misleid wordt en dat de menschen zand in de oogen wordt gestrooid. Christelijk moet ook Christelijk willen zijn, met Christus, die de weg, de waarheid en het leven is, de ware Wijnstok, waarvan de ranken alleen bloeien kunnen uit en door Hem — of Christelijk is een leugen, een fraze, menschenbedrog.
Bekend is, hoe dr. Beets toen fel is uitgevallen en heftig dit voorstel, dat bedoelde eerlijk te zijn inzake het beginsel van het volksonderwijs, heeft bestreden. Ontroerd voerde hij het woord en zei : „Laat ons niet ons heil zoeken in het wegnemen van woorden, die op zichzelven goed zijn. Men heeft bij dit voorstel gesproken van „satanisch" ; ik vind daarin iets daemonisch. Laat ons het kwade niet doen, om het goede daaruit te doen voortkomen. Ik smeek de Vereeniging, niet een misdaad te begaan en een woord te bestrijden, dat goed kan doen in de toekomst".
Groen kwam op waardige en ernstige wijze op tegen deze voorstelling van dr. Beets en zei in zijn levendig betoog, dat het er om ging : de bevolking te beveiligen tegen ongeloofspropaganda onder Christelijke vlag ; en hij zei : dat de practijk was om met valsche leuzen en gedienstigheden der practijk, de waarlijk Christelijke Scholen, waar Christus beleden werd als Heiland en Heer, te weren. Het ,,Christelijk" in de Wet bedoelde niet Christelijk te zijn naar de Schriften en overeenkomstig ons algemeen, ongetwijfeld Christelijk geloof, maar bedoelde onder een schijn van recht het ware Christelijk Onderwijs verdacht te maken, tegen te staan en te weren.
En met verheffing van stem vraagt Groen : is dat satanisch, is dat daemonisch ? ......
Met groote meerderheid wordt Groen door de Vergadering in 't gelijk gesteld. Maar Beets gaat henen, hij verlaat de Vergadering en keert Christelijk-Nationaal den rug toe. Ook Chantepie de la Saussaye bedankt en meerderen volgen deze ethische voorgangers.
De kloof tusschen Groen en de ethischen was er en bleef bestaan. Groen's droeve klacht was : „Ze zijn van ons uitgegaan".
Prof. Chantepie de la Saussaye, destijds hoogleeraar te Leiden, zegt in zijn mooie biografie over Beets : „Geen woord van smaad heeft Groen ooit geuit op den tegenstander, die hem zoo diep had gegriefd. Maar de Muze van Beets, die op zoo menig graf haar waar en treffend lied gaf, heeft bij den dood van Groen gezwegen", (blz. 152)
Een bittere druppel méér was in den lijdensbeker van Groen bijgevoegd door hen, die toch in den diepsten grond: als Christus-belijders zijn vrienden waren en zijn medestrijdgenooten hadden moeten zijn.
(Wordt voortgezet.)
ERVARINGEN VAN EEN VELDPREDIKER
„Verschillende keeren wordt me gevraagd : wat is nu uw ervaring als veldprediker, wat betreft de trouw en beginselvastheid van onze gemobiliseerde Kerkmenschen ?
„Mijn antwoord" — aldus ds. W. E. Gerritsma, van Aalten, in de Geldersche Kerkbode — „is dan tweeërlei : ik heb gelukkig heel veel gevallen meegemaakt, waarbij ik tot mijn groote blijdschap en dankbaarheid heerlijke voorbeelden zag van het beleven van de Christelijke belijdenis; maar ik heb het helaas! óok gezien, dat kerkleden, ook Gereformeerden, in niets, ja in geen enkel opzicht het toonden. Christenen te zijn ; wel het tegendeel.
Er zijn er, die zich schamen „fijn" genoemd te worden ; die niet ter kerk gaan, al behooren ze nog tot de Kerk ; ja, die mee vloeken ; die soms erger zijn dan de onkerkelijken. Men vindt deze onder alle leeftijden, bij allerlei groepen ; maar — en dat is me zeer opgevallen — verreweg 't meest bij de luidjes uit de groote steden. Twee dingen zie ik al duidelijker : ten eerste de groote zegen, dat de Overheid ons in de gelegenheid stelt dwalende en afgedwaalde gedoopten weer in aanraking te brengen met het Evangelie ; en ten tweede de groote noodzakelijkheid, dat er méér intensief gewerkt wordt in onze groote steden : daar moet het aantal werkers meer dan verdubbeld worden.
,,We hebben" — aldus ds. Gerritsma, die tot de Geref. Kerken behoort — „geen candidaten te veel : er is werk in overvloed voor al die jonge broeders. Hier moet iets veranderen".
„Maar ik schreef boven, dat ik ook heerlijke dingen heb meegemaakt. Ja, gelukkig, zelfs vele. Mag ik in dit artikeltje eens één „geval" noemen ? Ergens in Nederland ligt bij 'n eenzame post een kleine bezetting van 7 manschappen : één is Gereformeerd, één is orthodox-Hervormd, al de anderen hebben opgegeven „zonder godsdienst".
En wat gebeurt er nu in de barak, waar deze „jongens" liggen? Daar lezen elken dag de Hervormde en de Gereformeerde broeder om de beurt luide Gods Woord. En al de anderen luisteren. Er wordt niet gespot. Er wordt wel zwaar geboomd. Onze mannen hebben 't daar niet gemakkelijk in die barak : hun Christendom wordt er becritiseerd en aangevallen. Maar die anderen hebben respect voor hun trouw en eerbied voor hun geloof.
Hier zijn twee jonge menschen, die Christenen zijn. Deze jonge mannen verstaan hun taak in de weermacht ; ze durven profeten te zijn ; ze moeten het zijn als Christenen. En zoo zijn er, Gode zij dank, velen. Ze doen hun heerlijk werk rustig, zonder veel woorden, zonder gepreek. Maar ze zijn getrouw. Gedenkt deze mannen in uwe gebeden".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 februari 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's