De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

De apostel onderwijst Petrus, dat de rechtvaardiging alleen geschiedt uit het geloof : niet uit de werken, vers 15—21. (I)

6 minuten leestijd

Luthers verklaring van Paulus Brief aan de Galaten.

HOOFDSTUK II.

De apostel onderwijst Petrus, dat de rechtvaardiging alleen geschiedt uit het geloof : niet uit de werken, vers 15—21. (I)

Wij zijn van nature Joden, en niet zondaars uit de heidenen, vers 15.

Dit wil zeggen : wij zijn van nature Joden, die krachtens geboorte deel hebben aan de gerechtigheid, die uit de Wet is aan Mozes en de besnijdenis. Niet uit vrije keuze, gelijk de heidenen, maar van nature hebben wij de gerechtigheid der Wet. Worden wij dus vergeleken met de heidenen, dan zijn wij geen zondaars zonder de Wet en de werken, zooals de heidenen ; doch wij worden geboren en opgevoed als Joden en lieden, die gerechtvaardigd zijn. Onze gerechtigheid neemt terstond bij onze geboorte een aanvang, want het Joodzijn is ons aangeboren. In Genesis 17 vers 12 heeft God aan Abraham geboden, dat ieder jongetje ten achtsten dage besneden moest worden. Deze wet der besnijdenis, welke de vaderen ontvingen, is later door Mozes bevestigd. Het is dus een groote zaak, dat wij van nature Joden. zijn. Doch hoewel wij dit voorrecht hebben, zoo zijn we toch daarom niel rechtvaardig voor God.

Wanneer ge mij dus den besten Jood zoudt kunnen voorstellen, die als een gerechtvaardigde geboren is, en die van zijn jeugd af aan de Wet op z'n vlijtigst heeft onderhouden, dan zou hij toch daarom niet voor God rechtvaardig zijn.

Wij zijn wel besneden, maar terwille van de besnijdenis worden wij niet gerechtvaardigd, want zij is slechts een zegel der gerechtigheid (Romeinen 4 vers 11). En ook de kinderen, die in het geloof van Abraham besneden zijn, zijn niet op grond van hun besnijdenis, maar om hun geloof zalig geworden.

Al zijn wij dus als Joden geboren, en al zijn we nog zoo heilig, dan zijn we toch daarom niet rechtvaardig voor God, en derhalve niet beter dan de heidenen.

Het is dan ook duidelijk, dat Paulus hier niet spreekt over de ceremoniën en uitwendige gebruiken. Hij handelt echter over een buitengewoon groote en ernstige zaak, namelijk over het als Jood geboren worden. Hij zegt : de Joden zijn niet rechtvaardig, hoewel zij heilig geboren worden, zich laten besnijden, de Wet onderhouden, en vele voorrechten en beloften hebben.

Ook Petrus, Paulus en de andere apostelen waren weliswaar kinderen Gods, rechtvaardig naar de Wet, ja zelfs apostelen van Christus ; doch daarom waren zij nog maar niet rechtvaardig voor God. Alleen het geloof in Christus rechtvaardigt, zoo volgt uit den tekst : géén Wet en géén besnijdenis.

Niet, dat de Wet op zichzelf kwaad of veroordeeld is, want de Wet, de besnijdenis enz. zijn miet veroordeeld, omdat zij hel vermogen missen om rechtvaardig te kunnen maken. Paulus valt ze echter aan, omdat de valsche apostelen beweerden, dat men door Wet en besnijdenis, zonder geloof, gerechtvaardigd en zalig kon worden, wanneer men ze alleen maar onderhield. En dat kon Paulus niet dulden.

Zonder geloof is alles dood : de Wet, de besnijdenis, het kindschap, de tempel, de godsdienst, de beloften, enz. En ook God en Christus zelf zijn, zonder geloof, van geen nut.

Doch wetende, dat de mensch niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der Wet, maar door het geloof van Jezus Christus , begin vers 16.

De woorden „de werken der Wet" sluiten zeer veel in zich, en worden met nadruk gebruikt. Bij Paulus beteekenen zij de gansche Wet, hetzij de ceremonieele, hetzij die der Tien Geboden. Wanneer de Tien Geboden niet kunnen rechtvaardigen, dan kan de besnijdenis, welke een handeling der ceremonieele wet is, zulks nog veel minder.

Indien Paulus, zooals hij dikwijls doet, spreekt : door de Wet of de werken der Wet wordt niemand gerechtvaardigd, — dan bedoelt bij de geheele Wet ; hij zet dan de gerechtigheid des geloofs tegenover de gerech­tigheid der gansche Wet, welke laatste óf door Goddelijke kracht óf door menschelijk vermogen uit de Wet kan worden verkregen. Geen mensch wordt echter door deze gerechtigheid rechtvaardig verklaard voor God. De gerechtigheid des geloofs daarentegen rekent God ons toe zonder eenige verdienste onzerzijds, alleen uit barmhartigheid ter wille van Christus.

Paulus spreekt dus niet van een deel der Wet, maar van de geheele Wet. Hij zegt namelijk, dat een werk, hetwelk verricht is overeenkomstig de Wet, niet rechtvaardigt. En een dergelijke daad noemt hij geen ,,zonde" tegen de Wet of een daad des vleesches, maar een „werk" der Wet, verricht overeenkomstig de Wet. Wanneer men dus niemand vermoordt, geen overspel doet enz., dan is men daarom nog niet gerechtvaardigd : hetzij men van moord of echtbreuk teruggehouden werd krachtens natuurlijke aanleg, hetzij uit eigen menschelijke kracht, hetzij op grond van z'n vrijen wil, hetzij door een gave Gods of Zijn bewarende hand.

Werken der Wet kunnen verricht worden vóór en na de rechtvaardigmaking. Vóór de rechtvaardigmaking hebben vele goede lieden ook onder de heidenen de Wet vervuld en voortreffelijke daden verricht, als daar zijn : Xenophon, Aristides, Fabius, Cicero, Pomponius Atticus, enz.

Cicero is om een rechtvaardige en goede zaak manmoedig gelaten den dood ingegaan.

Pomponius was een waarheidlievend en kloekmoedig man, die niet loog, en ook geen leugens verdragen kon.

Standvastigheid en liefde tot de waarheid zijn dan ook de hoogste deugden en de schoonste werken der Wet. Nochtans worden wij door haar niet gerechtvaardigd.

Na de rechtvaardigmaking hebben Petrus, Paulus en alle Christenen „werken der Wet" verricht, maar ook zij werden daardoor niet gerechtvaardigd. In 1 Korinthe 4 vers 4 zegt Paulus : „Want ik ben mijzelven van geen ding bewust ; doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd". Het blijkt dus wel, dat er hier sprake is van de Wet als geheel, als ook van de werken der gansche Wet : niet van zonden tegen de Wet.

Men moet dus veroordeelen de verderfelijke en Goddelooze opvatting der papisten, die aan een bloot eigen werk de verdienste der genade en de vergeving der zonden toeschrijven. Dat is een godgeleerdheid uit het rijk van den antichrist, want indien ik, in mijn doodslaat verkeerend, nog eenig werk verrichten kon, dat wezenlijk niet alleen Gode aangenaam is, maar ook op goede gronden de genade kon verdienen, - waarom zou ik dan nog de genade Gods, de vergeving der zonden, Zijm beloften en de overwinning van Christus over den dood noodig hebben ? Christus zou mij dan van geen nut zijn, daar ik de beschikking had over een vrijen wil en over krachten, die het vermogen bezitten om goede werken te doen, waardoor ik de genade billijkheidshalve verdien, als ook later het eeuwige leven. Zulke waanzinnige enormiteiten en vreeselijke godslasteringen moet men maar onder Joden en Turken verkondigen, maar niet leeren in de Kerk van Christus !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 februari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's