De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

13 minuten leestijd

VEST OP PRINSEN GEEN BETROUWEN--OPWAKING IN DE CHRISTELIJKE GEMEENTE IN NAZARETH--DE WAARDE VAN DE VROUW ONDER HET OUDE TESTAMENT--DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (8)

VEST OP PRINSEN GEEN BETROUWEN.

We weten allen van den grooten nood der dappere Finnen. En men zou hen van alle kanten helpen. „De Standaard" schrijft terecht : „De taaie weerstand der Finnen teert op de hoop van óf een belangrijke toevloed van vrijwilligers óf een directe interventie der geallieerden. In beide opzichten dient de verwachting gereserveerd te zijn. Bij herhaling hebben de Finsche staatslieden geklaagd over te geringe hulp aan manschappen"

Allerlei teleurstellingen zijn gevolgd. „Te Washington heeft men uit en ter na het Finsche verzoek om een Amerikaansch crediet behandeld, alsof in Finland niet dan pais en vree heerscht. Ten slotte is thans de bank voor in- en uitvoer gemachtigd een crediet van 20 millioen dollar te verleenen, het derde deel van het gevraagde bedrag, dat voorts slechts mag dienen voor civiele behoeften. En Chamberlain heeft deze week in antwoord, op een interpellatie gezegd, dat er geen tijd beschikbaar was voor behandeling van de vraag, of een directe interventie in Finland niet overwogen werd. Dit herinnert zeer aan de niet onbekende methode om na aanvankelijke beloften van het vage nadien preciseering daarvan te omzeilen en nakoming te weigeren. En wat de patrouilleering in de Noordelijke IJszee betreft, dit is niet bedoeld als hulp aan Finland, maar is louter en alleen om de Duitsche scheepvaart te treffen. Het blijkt uit alles : „dat het Britsche belang steeds, zal vóórgaan".

„De Standaard" besluit : dat de Finnen het mogen blijven verwachten van den Burcht, waarvan zij in het Lutherlied, dat hun volkslied is, zingen : Een vaste burcht is onze God, een toevlucht voor de Zijnen.

De menschen beloven wel veel, maar zij liegen nog meer. Vest op prinsen geen betrouwen, daar men nimmer heil bij vindt....

OPWAKING IN DE CHRISTELIJKE GEMEENTE IN NAZARETH.

Met groote belangstelling lazen we (Oog en Oor, Algem. Weekblad), dat door de Wereld Zendingsconferentie gehouden in Tambaran een gezegende invloed is uitgegaan óók op de kleine christelijke Kerk die te Nazareth is. De predikant aldaar (van de Christ Church) schreef in het tijdschrift „News Bulletin of the Near East Christian Council" als volgt : „Mijn kleine gemeente te Nazareth miste vroeger de wereldwijde blik van de Kerk van Christus. Maar nu gelooft zij niet meer, dat de Christenen in Palestina slechts een geïsoleerd groepje zijn, een zwakke minderheid zonder toekomst. Toen de berichten uit Madras over de wonderbare verbreiding van het Evangelie en het Rijk Gods in de wereld, haar bereikten, en zij hoorden, welk een belangrijke rol daar ook de jongere kerken vervuld hadden, werd mijn kleine gemeente met goede moed en groote vreugde vervuld".

„De vruchtbare resultaten hiervan vonden allereerst hun uitwerking in een belangrijke verbetering van de financieele positie der gemeente. Zoo kon de kerkelijke school, die wegens geldgebrek gesloten was, weer geopend worden. Ook voor de Zondagsschool ontstond veel meer belangstelling ; verschillende leden gaven zich als leider op, terwijl het aantal leerlingen verdubbelde. De evangelisatiearbeid onder het niet-christelijk deel der bevolking werd nog nooit zoo krachtig aangevat als thans.

Terwijl men vroeger meende, dat evangelisatiewerk tot de taak der Zending behoorde en de inheemsche Kerk zich alleen om haar eigen gemeenteleden moest bekommeren, heeft het schouwspel van Madras, van de gemeenschap aller Christelijke Kerken, ertoe geleid, dat men thans de Zending ziet als een taak voor de geheele Kerk. Men besloot nu (de „Palestine Native Church Council") voor 't eerst in alle Arabische gemeenten in Palestina en Transjordanië een oekumenische Evangelisatie-week te houden. Onder de indruk van een lezing over Tambaran, in het gebouw van de Chr. Jongemannen-vereeniging in Jeruzalem, overhandigde één der inheemsche aanwezigen aan den spreker spontaan een gift van 25 pond sterling tot dekking der voorloopige reiskosten, met de wensch, dat alle christenen in Palestina en Transjordanië meer over Tambaran te hooren zouden krijgen".

Heerlijk, als zoo het geloof vernieuwd wordt, de hoop verlevendigd en de liefde en ijver worden aangevuurd !

DE WAARDE VAN DE VROUW ONDER HET OUDE TESTAMENT.

Prof. dr. A. Noordtzij schrijft geregeld zeer lezenswaardige artikelen : „Wandelingen door het Oude Testament". Deze week schrijft de Professor over Abraham, die wel heel eigenaardig met z'n vrouw Sara handelt, als hij in Egypte en in Gerar is. Dat vergoelijkt Prof. Noordtzij allerminst ! En hij vindt er dan aanleiding in, om te schrijven over de waarde van de vrouw onder het Oude Testament, en zegt dan :

„Wat is er eigenlijk daar in Egypte en in Gerar gebeurd ? Niets meer of minder dan dit, dat Abraham eenvoudig zijn vrouw en haar eer opgeeft ten einde zijn eigen leven te redden, niet omdat het gevaar loopt, maar omdat hij bang is, dat het wel eens gevaar zou kunnen loopen. Hij zegt liever een leugen, berooft liever zijn vrouw van haar eer, stelt haar liever aan het grootste gevaar bloot dan dat hij persoonlijk gevaar zou loopen. En daarom eischt hij van haar, dat zij zich voor zijn zuster zal uitgeven. Ziehier Abrahams eigen woorden : „Ik weet wel, dat gij een schoone vrouw zijt. Als de Egyptenaren u nu zien dan zullen ze zeggen : „dat is zijn vrouw" en mij dooden, maar U in het leven laten. Zeg toch, dat gij mijn zuster zijt, opdat het mij om uwentwil wel ga en ik door uw toedoen in het leven blijve !" Bij ons pogen om den zin dezer woorden te verstaan dreigen twee gevaren. Het eene is, dat we ze uit hun historisch verband rukken en ze zien van uit onzen eigen gezichtshoek. In dat geval worden we onbillijk tegenover Abraham en mengt zich in ons oordeel een element, dat er niet in behoort, en leggen we een maatstaf aan, waaraan Abraham nu eenmaal niet beantwoorden kan, omdat hij kind van zijn eigen tijd is, precies op dezelfde wijze als ook wij kinderen van onzen eigenen tijd zijn.

We mogen Abraham niet meten naar onze eigene christelijke moraal. Anderzijds echter — en ziedaar het tweede gevaar — mogen we Abrahams doen niet zien in het licht van het feit, dat de Heere Zijn hulp) niet aan Abraham onttrekt, maar den Egyptisthen heerscher straft, omdat hij Sara in zijn harem heeft opgenomen, en deze er toe brengt Abraham met geschenken te overladen en Sara in haar eer te herstellen. Immers, dan zouden we wel eens kunnen toegeven aan de neiging om in dit laatste een reden te vinden ter verontschuldiging van Abrahams daad en aldus te redeneeren : de Heere zou dat niet hebben gedaan, indien Abrahams doen ten eenenmale verwerpelijk ware. Geen poging mag worden gedaan om te vergoelijken wat Abraham deed. Nu begin ik met er de aandacht op te vestigen, dat voor Israels bewustzijn evengoed als voor het bewust zijn van geheel de oud- Oostersche wereld de verhouding der gehuwde vrouw tegenover haar man een andere was, dan die, welke voor ons christelijk bewustzijn tusschen beide moet bestaan. In Israël wordt de vrouw gekocht. Een vergelijking van Deut. 22 vers 28 met Exodus 22 vers 15 leert, dat de gewone prijs voor een jongedochter vijftig zilveren sikkels was, d.w.z. ongeveer vijf en zeventig gulden, terwijl naar Exodus 21 vers 32 de gewone prijs van een slaaf of slavin dertig zilveren sikkels, d.w.z. ongeveer vijf en veertig gulden was. Natuurlijk moet die koopprijs, die ook in den vorm van verrichten arbeid kan worden betaald — denk aan Jakob bij Laban — aan den vader worden gegeven, want kinderen zijn diens bezit. Dat het onder welgestelden gebruik moet geweest zijn, dat de vader de van den aanstaanden schoonzoon ontvangen bruidsprijs aan zijn dochter gaf en haar bovendien een zekere uitzet gaf (zie de klacht van Rachel en Lea, Gen. 31 vers 15), doet natuurlijk aan het feit als zoodanig niets af. Door dien koop wordt de vrouw het eigendom van den man, vandaar dat David, die immers Michal voor honderd voorhuiden gekocht heeft (1 Sam. 18 vs. 20 v.v.), zijn recht op haar handhaaft, ook al heeft Saul haar later aan een ander verkocht (2 Sam. 3 vers 14). Vandaar ook Simsons verontwaardiging, wanneer zijn vrouw aan een anderen man wordt verkocht (Richt. 15 vers 1—3).

Als bezit van haar man maakt de vrouw deel uit van diens „huis". Ten duidelijkste blijkt dit uit Exodus 20 vers 17, waar verboden wordt het eigendom van den naaste te begeeren, waarbij dan zijn „huis" nader omschreven wordt als te bestaan uit zijn vrouw, zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of ezel of wat verder aan den naaste toebehoort. Bovendien blijkt dit hieruit, dat op meer dan één plaats de vrouw na de zonen wordt genoemd. Ik wijs slechts op Nehemia 4 vers 8, waar gezegd wordt : „strijdt voor uw broeders, uw zonen en dochters, uw vrouwen en huizen". En eindelijk blijkt het hieruit, dat de man „heer" wordt genoemd (baal), de gehuwde vrouw de „beheerde" (bêulla). En omdat ze bezit van haar man is, kan de man haar ieder oogenblik wegzenden, terwijl de vrouw het recht niet heeft om haar man te verlaten. Zij erft dan ook niét van haar man, maar maakt deel uit van zijn nalatenschap.

DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (8)

De zegen der beproevingen.

Door de beproevingen moeten de geloovigen hun zwakheid leeren kennen, om van zichzelf af te zien en meer en meer op den Heere hun vertrouwen te stellen, die niet beschamen zal allen, die op Hem hopen. Daarop doelt de apostel Paulus, als hij schrijft, dat de verdrukking volharding en lijdzaamheid werkt (Rom. 5 vers 3). Dan wordt ook de hoop op God vernieuwd, met de bevinding, dat de Heere de beloofde hulp inderdaad verleent, zoodra dit noodig is.

De bedriegelijke waan, die ons fraaie droombeelden voorspiegelt, moet ontmaskerd worden en het gevaarlijke vleeschelijk zelfvertrouwen moet worden weggenomen en door beproevingen verootmoedigd, leeren we méér ons vertrouwen vestigen op God, die onze krachten wil vernieuwen, als we geen sterkte hebben. We moeten ons zelf leeren wantrouwen, om op den Heere te leeren vertrouwen. Zoo beproefde de Heere Abraham, door den eisch zijn zoon te offeren, om hem gehoorzaamheid te leeren (Gen. 22) en Petrus leert, dat ons geloof door tegenspoed wordt beproefd, gelijk het goud door vuur. (1 Petr. 1 vers 7).

Neen, de Heere zendt de Zijnen niet zonder reden lijden toe. Men leert door het kruis gehoorzaamheid, om niet naar eigen wil en wensch te leven, maar naar den wil van God. Indien alles altijd naar ónzen wensch ging, zouden wij niet weten, wat het beteekent : God te volgen. Dan eerst leert de mensch het juk van God op zich nemen, zoo hij zijn hals en rug buigt onder de roede Gods. Hierin moeten wij telkens geoefend worden. Want zoodra het juk een weinig licht is, gaat het ons als dartele paarden, die, goed gevoederd zijnde, weigeren hun berijder te gehoorzamen. Een zelfde toestand, als ons van Israël geteekend wordt in Deut. 32 vers 15.

Omdat wij zóó zondig zijn, dat wij telkens door Gods goedertierenheid jegens ons eer slechter dan beter worden, is het noodig, dat wij onder strenge tucht gesteld worden, opdat wij niet moedwillig in 't verderf loopen. Daarom stelt God ons naar Zijn wijsheid vaak paal en perk en beteugelt de losbandigheid des vleesches door het geneesmiddel van het kruis. Dat doet Hij op verschillende wijzen, want wij lijden niet allen in dezelfde mate. De één wordt op deze, de ander op andere wijze door lijden gelouterd, naar Zijn welbehagen. Maar de hemelsche Geneesheer slaat niemand over, omdat Hij weet dat allen, niemand uitgezonderd, ziek zijn.

In den weg van lijden wil de Heere ons daarbij ons vroegere leven in de herinnering terug roepen, en dan zullen we ongetwijfeld ontdekken, dat er zooveel in ons leven is, dat de beproeving en tuchtiging ons waardig maakt.

Dat Gods goedheid in de beproevingen uitkomt, leert de apostel ons, als hij schrijft : dat wij door den Heere worden getuchtigd, opdat wij niet met de wereld zouden veroordeeld worden. (1 Cor. 11 vers 32). Daarom moeten wij, zelfs onder het zwaarste lijden, de goedheid en liefde van God jegens ons erkennen, daar het een bewijs is, dat Hij geen lust heeft in onzen ondergang met de wereld. Want Hij doet ons lijden, niet om ons te verderven en te dooden, maar veeleer om ons vrij te maken van den vloek der wereld. „Mijn zoon" — zegt de Spreukendichter — „verwerp de tucht des Heeren niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding ; want de Heere kastijdt dengene, dien Hij liefheeft, ja gelijk een vader den zoon in wien hij een welbehagen heeft". (Spr. 3 vers 11). God zou ons bederven, als Hij ons, die van het rechte pad afwijken, niet door tuchtiging tot Zich terug riep ! Terecht wordt daarom gezegd, dat wij bastaarden zijn en niet zonen, indien wij zonder kastijding zijn. (Hebr. 12 vers 8). Een geheel bijzondere troost geeft het ons, als wij vervolging lijden om der gerechtigheid wil. Dan moeten wij bedenken, welke groote eer God ons waardig keurt door ons tot Zijn bijzonderen dienst uit te kiezen. Het moet ons dan ook niet te veel zijn, om voor den naam des Heeren smaadheid en schade te lijden en ook moeten wij ten allen tijde bereid zijn voor de gerechtigheid te strijden en de waarheid Gods te verdedigen tegen de leugen van den duivel. Ook moet het ons een heilige plicht zijn de verdrukten bij te staan. Wanneer wij dan zelf smaadheid moeten lijden, moet ons dat niet verdrieten, want de Heere spreekt dezulken, die dat doen, zalig. (Matth. 5 : 10). Wanneer wij de gunst van God mogen genieten, zal alles moeten medewerken ten goede. Kunnen wij ons dan geen schatten verzamelen in den hemel bij God, als we hier armoede moeten lijden ? Immers ja ! En worden wij zóó dan niet des te rijker in de gemeenschap met God ? Als wij hier uit onze woning verdreven worden, worden wij dan niet te meer opgenomen in het huisgezin Gods ? Worden wij niet des te dieper in Christus ingeplant, als wij kwelling en verachting moeten ondergaan ? Verkrijgen wij niet een des te heerlijker plaats in het hemelsch Koninkrijk, als wij op aarde met schimp en smaad overladen worden ?

Daarom moet schaamte ons aangezicht bedekken, als wij hetgeen God zoo hoog acht. verwerpen en als wij willen vasthouden, wat God in ons niet dulden kan.

De Heilige Schrift wil de smaad en het lijden der geloovigen verzachten door deze en dergelijke troostredenen, om ons op te wekken de gerechtigheid lief te hebben en te leven in de wetenschap, dat het kruis moet medewerken ten goede voor allen, die God liefhebben. Zoo zal Christus in ons verheerlijkt worden (1 Petr. 4 vers 11—14) en we zullen meer en meer onze hoop stellen op den levenden God. (1 Tim. 4 vers 10).

Door goed gerucht en kwaad gerucht, door eer en oneer heen, vermaant de apostel ons zijn voorbeeld te volgen. (2 Cor. 6 vers 8).

(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's