Moet een vrouw of een meisje in het huis des gebeds een hoed of een muts op hebben ?
II.
In het vorige artikel deelden we u mede, dat we een predikant kennen, die de woorden uit 1 Cor. 11 zoo heeft opgevat, dat een vrouw ook nu nog bij het gebed en de Schriftlezing in hare woning een muts op het hoofd moet hebben.
Maar we staan voor een moeilijkheid, die nog grooter is. Al nemen we aan, dat Paulus aan het gebed in de huiskamer hier niet gedacht heeft, dan vragen we ons af, hoe dit Schriftgedeelte te rijmen is met 1 Cor. 14 vs. 34—35. Daar lezen we : Dat uwe vrouwen in de gemeente zwijgen ; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook uwe wet zegt ; en zoo ze iets leeren wil, laat haar tehuis hare eigen mannen vragen ; want het staat leelijk voor vrouwen, dat ze in de gemeente spreken.
Als ik dit goed gelezen heb, dan wordt het hier aan de vrouw uitdrukkelijk verboden om in de vergaderingen der Christelijke gemeente te spreken. In 1 Tim. 2 vers 12—13 vinden we bijna dezelfde gedachte : Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij leere, noch over den man heersche, maar wil, dat zij in stilheid zij, want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. En 1 Cor. 11 vers 4 schijnt toch wèl uit te gaan van de gedachte, dat de vrouwen wel in het publiek bidden of profeteeren en dat ze daarom juist iets op het hoofd moeten hebben, in den vorm van een sluier, die van het hoofd op de schouders hangt.
Dr. F. W. Grosheide neemt aan in zijn Korte Verklaring op dezen brief, dat we hier het liefst te denken hebben aan een optreden in het openbaar, zonder dat dit bepaald viel in de samenkomsten der gemeente. „Met dit aan te nemen, komen we ook niet in moeite met 1 Cor. 14 vers 34, waar met zoovele woorden aan de vrouwen geboden wordt in de godsdienstoefeningen te zwijgen".
Een bewijs voor deze meening wordt echter door prof. Grosheide niet aangevoerd. Andere uitleggers hebben daarom, evenals de boven vermelde predikant, aan samenkomsten bij de huishoudelijke godsdienstoefening gedacht.
Weer anderen aan vergaderingen, waar alleen vrouwen kwamen, ja, er zijn Engelsche scnrijvers, die meenen, dat de apostel in het l4de hoofdstuk eenvoudig zou hebben verboden om over koetjes en kalfjes te praten en te fluisteren, omdat dit voor de aandacht onder de godsdienstoefening hinderlijk zou kunnen zijn.
Maar het woord, wat door „spreken" vertaald is, kan toch onmogelijk vertaald worden door „hinderlijk babbelen of fluisteren". Gaarne luisteren we naar Calvijn. Hij zegt er dit van : „Maar dit schijnt te vergeefs te zijn, dat hij de vrouw verbiedt met ontdekten hoofde te profeteeren, dewijl hij op een andere plaats den vrouwen ganscheiijk verbiedt in de gemeente te spreken : zoo zal het haar dan zelfs niet onder het deksel geoorloofd wezen te profeteeren, waaruit volgt, dat hier te vergeefs van een deksel gesproken wordt. Men kan antwoorden, zegt Calvijn, dat de apostel het één misprijzende, het ander niet prijst. Want als hij berispt, dat zij met ontdekten hoofde profeteeren, zoo laat hij haar daarom niet toe op eenige andere wijze te profeteeren, maar wil liever de berisping van deze feil tot op een andere plaats uitstellen, te weten in het 14de hoofdstuk".
Tot zoover Calvijn.
Wij gelooven inderdaad met Calvijn, dat de apostel zich in het 11de hoofdstuk alleen maar heeft uitgesproken over het feit, dat de vrouw met gedekten of met ongedekten hoofde in het publiek bad of profeteerde. Over het al of met geoorloofde van zulk bidden en profeteeren zou de apostel dan pas in het 14e hoofdstuk hebben willen spreken.
Onmogelijk is het niet, dat de apostel is uitgegaan van de gedachte, dat vrouwen nimmer in de vergadering mogen spreken, maar dat hij hier aan enkele uitzonderingsgevallen heeft gedacht, waarin een vrouw toen wel terdege zou moeten getuigen. Denk maar eens aan de vrouwelijke richteres Debora.
Op andere meeningen zullen we in dit artikel niet verder ingaan. We komen nu echter toe aan de zaak zelf. Er wordt van den man, die met gedekt hoofd bidt of profeteert, gezegd, dat hij zijn hoofd te schande maakt. Dat we in dit hoofdstuk telkens op nieuwe uitlegkundige moeilijkheden stuiten, wordt ons opnieuw duidelijk, als we ook nu weer vragen, welk hoofd te schande wordt gemaakt door het met gedekten hoofde bidden van den man.
Prof. Grosheide is van meening in zijn bovengenoemde Korte Verklaring op dezen brief, dat we onder „zijn hoofd", zijn lichamelijk hoofd hebben te verstaan en niet zijn geestelijk hoofd, Christus Jezus.
Hij meent, dat met het hoofd onmogelijk Christus kan bedoeld zijn, omdat in vers 5 van de vrouw gezegd wordt, dat de oneer, die ze haar hoofd aandoet, het zelfde karakter draagt, als wanneer ze zich liet scheren. Ik geloof echter, dat in vers 5 evenmin sprake is van het hoofd der vrouw als haar lichamelijk hoofd als in vers 4.
Erasmus, Beza, Bengel, Neander en Meyer hebben ook evenals prof. Grosheide het woord „hoofd" in den letterlijken zin opgevat. Godet wijst er echter op, dat aan vers 4 de overweging voorafgegaan is, dat Christus het hoofd is van iederen man.
„Bijaldien deze opmerking een bedoeling had, dan moest het die zijn om de gedachte van het 4de vers voor te bereiden en om bijgevolg de toepassing van het woord „hoofd" op Christus zelf te rechtvaardigen. Is de laatste verklaring de juiste, dat we dus onder „hoofd" Christus zouden hebben te verstaan, dan zou vers 4 dus moeten beteekenen, dat de man, die zijn hoofd bedekte, er Christus door onteeren zou.
Nu kan de vraag gedaan worden, waarom een man met ongedekten hoofde mag bidden. Ik denk aan den bekenden tekst uit de brieven : En wij allen, met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante, veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid als van des Heeren Geest.
Zich het hoofd te bedekken is het teeken van dienstbaarheid. Als een zondaar voor God moet verschijnen, dan mag hij wel hetzelfde doen als de Godsmannen van den ouden dag. Ze omwonden hun hoofd en hun aangezicht met een mantel. Maar de zondaar, die met God verzoend is, heeft een vrijen toegang tot den troon van Gods genade.
Met recht wordt er in vers 7 van zulk een geheiligden man gezegd, dat hij zijn hoofd niet moet dekken, omdat hij het beeld en de heerlijkheid Gods is.
De man spiegelt in de heerschappij, die hem over de wereld en over zijn huis door God verleend is, het gezag Gods af.
Als de man nu tóch zich het hoofd en hetaangezicht ging bedekken, dan zou hij daardoor den glns van God verborgen houden. Juist van het hoofd des mans straalt de heerlijkheid van het beeld Gods het meeste af. De vrouw echter moet zich juist het hoofd bedekken om daarmede te kennen te geven, dat ze aan haren man ondergeschikt is.
Daarom is het voor een vrouw schandelijk, als haar haar wordt afgeknipt. De oude Germanen knipten overspelige vrouwen het haar af, ten teeken van hare schande.
Welnu, de apostel stelt het bidden en profeteeren van de vrouw in de gemeente, al zal het dan ook slechts bij uitzondering geschieden, gelijk met den toestand, waarin ze zou verkeeren als het haar haar werd afgesneden. Nu zou men kunnen vragen, waarom de vrouw ten teeken van hare ondergeschiktheid zich wèl moet bedekken, terwijl de man, die toch ook aan zijn hoofd Christus ondergeschikt is, zich niét behoeft te bedekken.
Dat komt omdat Christus altijd den Vader eeren wil. Daarom gaat Hij uit van, de scheppingsordinantiën. Krachtens de schepping is de man beelddrager Gods. Van hem straalt de heerlijkheid van het beeld Gods af.
Zou Christus hem nu gebieden om zich toch 't hoofd te bedekken ten teeken van de onderwerping aan zijn hoofd Christus, dan zou de man daarmede ophouden om zich voor te doen als beeld en heerlijkheid van God.
,,Neen, neen, Christus wil nimmer, dat we ons in Zijnen naam over de ordeningen der eerste schepping, die 's Vaders eigene ordeningen zijn, heen zetten", zegt Van Andel in zijn bekende commentaar op 1 Corinthen.
Het feit, dat de man het beeld en de heerlijkheid Gods is, legt hem een dure roeping en verplichting op, ook tegenover de vrouw.
Het is maar niet zoo, dat er alleen maar lichamelijke verschillen zijn tusschen man en vrouw, neen, ze hebben beiden een verschillende taak en een verschillende roeping, die zijn grond vindt in de scheppingsordinantiën van den Vader.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's