UIT DE HISTORIE
De apostel onderwijst Petrus, dat de rechtvaardiging alleen geschiedt uit het geloof
Luthers verklaring van Panlus' Brief aan de Galaten.
HOOFDSTUK II.
De apostel onderwijst Petrus, dat de rechtvaardiging alleen geschiedt uit het geloof ; niet uit de werken, vers 15—21 Vervolg vers 16.
Het is voldoende duidelijk, dat de paus, benevens zijn bisschoppen, leeraars en monniken, in het minst geen kennis gehad hebben van de heilige dingen ; zij bekommerden er zich niet eens om ; en ook maakten zij zich geen zorg omtrent de zaligheid der verlaten en ellendig verstrooide kudde. Want wanneer zij iets gezien hadden, al was het maar in een nevel, van hetgeen Paulus zonde en genade noemt, dan zouden zij het christen-volk niet zulke verfoeilijke en goddelooze beuzelarijen opgedrongen hebben, als thans het geval is. Nimmer heeft God een mensch Zijn genade en het eeuwige leven geschonken krachtens waardigheid en verdienste. Niettemin is het heele pausdom hierop gefundeerd, en tot op den huldigen dag steunt het er op. ledere monnik toch beeldt zich in : ik kan door het houden der heilige regelen de genade verdienen, en door de werken, die ik na ontvangen genade doe, kan ik zooveel verdienste ophoopen, dat deze niet alleen voor mijzelf voldoende is om het eeuwige leven te erlangen, maar ook genoegzaam is, om er van aan anderen mede te deelen en te verkoopen.
Een waar kenmerk van het christendom is de leer, dat de mensch eerst door de Wet leert kennen, dat hij een zondaar is, wien het onmogelijk is, eenig goed werk tot stand te brengen. De Wet zegt namelijk : ge zijt een kwade boom. Zoodoende kunt ge slechts kwade vruchten voortbrengen, dat wil zeggen : zonden. Want alles, wat niet uit het geloof is, is zonde.
Wordt een mensch alzoo door de Wet onderricht, verschrikt en deemoedig gemaakt, en ziet hij in waarheid de grootte zijner zonde, zonder bij zichzelf ook maar het geringste spoor van liefde jegens God te ontdekken, dan billijkt hij God in Zijn Woord, en bekent, dat hij schuldig staat, en den eeuwigen dood en de verdoemenis verdiend heeft.
Het eerste deel der christelijke leer is derhalve een prediking van boete en zelfkennis. Deel twee bestaat in het volgende.
Wanneer ge zalig wilt worden, dan kunt ge dat niet bereiken door de werken, want God heeft Zijn eeniggeboren Zoon in de wereld gezonden, opdat wij door Hem leven zouden (1 Johannes 4 vers 9). Deze is voor u gekruisigd en gestorven, en uw zonden heeft Hij in Zijn lichaam gedragen op het hout (1 Petrus 2 vers 24). Er was hier geen sprake van eigen waardigheid of verdienste ; alles was louter toorn, zonde, verschrikking, dood. De Wet toont dus alleen de zonde ; zij verschrikt en maakt deemoedig ; en op deze wijze bereidt zij de rechtvaardigmaking voor, en drijft zij uit naar Christus. God heeft namelijk door Zijn Woord geopenbaard, dat Hij een genadig Vader zijn wil, die ons, wijl wij niets verdienen kunnen, zonder verdienste om niet de vergeving der zonden, gerechtigheid en het eeuwige leven schenkt om Christus' wil. Dit is in het kort de theologie der christelijke gerechtigheid. Zij is niet een hebbelijkheid, welke den mensch eigen is, gelijk de Sophisten leeren, als zij zeggen : wanneer de mensch eenig goed werk doet, dan aanvaardt God dat, en giet hem daarvoor liefde in. En deze ingestorte liefde is dan volgens de Sophisten een eigenschap des harten, welke zij een wezenlijke gerechtigheid noemen. Men is echter ver afgedwaald van de Heilige Schrift, als men beweert, dat wij door onze natuurlijke vermogens God boven alles lief kunnen hebben, of tenminste door een eigen gewrocht werk de genade en het eeuwige leven verdienen kunnen.
In de plaats der liefde stellen wij het geloof, dat Christus omhelst, die het wezen is des geloofs. Het christelijk geloof is niet zoo maar iets of slechts een omhulsel des harten, maar een zeker toevoorzicht en een vast vertrouwen, waardoor Christus wordt omhelsd, zoodat Hij het voorwerp is, waarop het geloof zich richt. En niet alleen het „voorwerp" is Hij, maar we zouden kunnen zeggen, dat Christus in het geloof zelf tegenwoordig is. De christelijke gerechtigheid bestaat dus in het omhelzen van Christus en het wonen van Hem in ons hart. Om Zijnentwil houdt God ons voor rechtvaardig, en schenkt Hij ons het eeuwige leven. Hierbij komt geen werk der Wet en geen liefde te pas, doch hier is sprake van een gansch andere gerechtigheid, van eer nieuwe wereld, die de Wet te boven en te buiten gaat. Want Christus of het geloof is geen Wet, noch een werk der Wet.
De mensch moet dus eerst door de Wet onderricht worden, ten einde zich zelf te leeren kennen, en met den profeet te belijden: „er is niemand, die goed doet ; niemand is verstandig ; allen zijn afgeweken, enz." (Psalm 14 vers 1, 2 en 3). Wordt men echter door de Wet deemoedig gemaakt, en leert hij zichzelf kennen, dan is hij waarlijk boetvaardig geworden, en ziet hij in, dat hij een groot zondaar is, en dat hij door eigen kracht, inspanning en werken niet van de zonde kan bevrijd worden. Eerst dan verstaat hij, wat Paulus zegt : ik ben gevangen onder de Wet der zonde (Romeinen 7 vers 23) ; en : de Schrift heeft alles onder de zonde besloten (Galaten 3 vers 22).
Hier slaakt men slechts de verzuchting : wie kan dan hulp bieden ? Want de mensch, die door de Wet verschrikt is, wanhoopt aan eigen kracht. Overal zoekt en zucht hij om de hulp van een middelaar of verlosser.
Op het juiste moment komt nu het heilzame woord des Evangelies, dat spreekt : wees getroost, mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven ; geloof in den Heere Jezus Christus, die voor uwe zonden gekruisigd is ; wanneer ge de zwaarte uwer zonden voelt, — zie dan niet meer op haar, doch denk er aan, dat zij op Christus gelegd zijn, door Wiens wonden u genezing geworden is.
Dit is het begin der zaligheid. Op deze wijze worden wij van de zonde bevrijd, gerechtvaardigd en begiftigd met het eeuwige leven : niet om onze verdienste of werken, maar op grond van het geloof, waardoor wij Christus omhelzen.
Christus is niet zoozeer een Wetgever, doch veeleer Verzoener en Zaligmaker. Deze waarheid grijpt het geloof aan, er zonder twijfel op bouwende, dat Hij alle werk naar verdienste en waardigheid overvloedig volbracht heeft, want met één druppel van Zijn bloed heeft Hij voor de zonde der wereld genoegdoening gegeven. „Door Zijn eigen bloed is Hij éénmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende". (Hebr. 9 vers 12).
Men moet er wel nota van nemen, dat deze drie (het geloof, Christus en de aanneming of toerekening der gerechtigheid) bij elkaar behooren. Het geloof grijpt Christus aan ; het bezit Hem, en houdt Hem omvat als een ring den diamant doet. En een iegelijk, die zal bevonden worden, Christus door een dergelijk geloof te hebben omhelsd, zal door God rechtvaardig geacht worden.
Waar echter Christus en het geloof in Hem niet gevonden wordt, daar is ook géén vergeving van zonden, en geen bedekking van haar, doch uitsluitend toerekening van en oordeel over de zonden.
Zoo wil God, dat Zijn Zoon verheerlijkt worde, en Hijzelf wil zich in ons verheerlijken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's