De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

20 minuten leestijd

Mr. GROEN VAN PRINSTERER EN WORMSER--BALANS VAN CHRISTUS--DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (9)--ROME EN GODSDIENSTVRIJHEID--NIET MEER „VRIJZINNIG" DOCH „OECUMENISCH"--NIEUWE BANEN, NIEUWE NAMEN

Mr. GROEN VAN PRINSTERER EN WORMSER.

Inleidend woord boekje : De Kinderdoop, (l)

Hoe mr. Groen van Prinsterer dacht over zijn vriend Wormser en met name ingenomen was met zijn boekje De Kinderdoop, blijkt wel uit zijn Inleiding, die hij gaf bij de tweede uitgave. Wij laten dat gewichtige stuk in z'n geheel volgen; het is gedateerd : 's Hage; 21 April l864

„Een herdruk van sommige opstellen van mijn hooggeschatten vriend J. A. Wormser is, reeds terstond na zijn overlijden, openlijk door mij begeerd.

Vooral in de tegenwoordige omstandigheden, schreef ik, zou die uitgaaf zeer nuttig zijn.

Wormser was een geloovig Christen en een man van uitstekende begaafdheid. Hij had een geopend oog niet slechts, maar een scherpen en ruimen blik voor onzen geheelen kerkelijken en maatschappelijken toestand. Niemand wellicht heeft hem geëvenaard in het algemeen verstaanbaar maken van het Christelijk historisch beginsel, toepasselijk op Kerk, Staat en School. Zijne vlugschriften, wier invloed niet gering was, hebben blijvende waardij.

Gezond zielevoedsel en vaste spijs ! Wie liefst oppervlakkigheid begeert, legge ze terzij. Voor hem zijn ze te diep. Maar het is hier, als in de goudmijn : hoe dieper men graaft, hoe meer de arbeid beloond wordt. Wormser zelf levert telkens het bewijs, dat „de diepte der waarheid in de hoogst mogelijke eenvoudigheid ligt" (blz. 75). Diepzinnig en helder tegelijk, is hij, ook waar niet alles onder ieders bereik valt, verstaanbaar en leerrijk ; in christelijken kring stichtelijk en populair.

Liefst zou ik dezen lof in bijzonderheden staven ; maar dan werd de aanbeveling weldra langer dan het opstel. Alleen in de hoofdomtrekken schets ik den gang en het doel van het betoog".

En dan Groen verder : „De Kinderdoop ; let wel ! „met betrekking tot het bijzondere, kerkelijke en maatschappelijke leven".

De Kinderdoop. Waarin ligt vooral het schadelijke van de dwaling, die den doop enkel den bejaarden (volwassene) vergunt ?

Hierin — dat men aldus den zielevrede, in Gods onwankelbare genade en trouw gegrond, „afhankelijk maakt van de wisselbare gemoedsgestalten en overtuigingen van den gedoopte omtrent zijn genadestaat" (blz. 63).

Dit is het gevoelen der Baptisten ; maar, in den grond der zaak, evenzeer van eene „ziekelijke, bekrompen richting" in de Gereformeerde Kerk. „Vele godvruchtigen verkeeren, méér dan zij vermoeden, in een labadistische en baptistische richting (blz. 35), tot zeer wezenlijke schade van eigen gemoedsleven, tot groot nadeel van Kerk en Staat".

De Doop, wèl begrepen, is de grondslag der Christelijke Kerkgemeenschap en de eenheidsband eener Christelijke natie.

„De baptistische richting toch is uit haren aard anti-kerkelijk ; het wezenlijk begrip van Kerk is haar geheel onbekend ; zij kent slechts geloovige individu's. Indien haar beweren waarheid bevat, kunnen wij ophouden te spreken van een Christelijken Staat, van eene Christennatie, van eene Christelijke Overheid, van Christelijke instellingen, van Christelijke Scholen, ja, van Christelijke huisgezinnen. Alsdan behooren ook de thans bestaande Christelijke Kerkgenootschappen,  en bepaaldelijk de Gereformeerde- Kerk, hoe spoediger hoe beter, te worden ontbonden en opgeheven, en, te beginnen van de zuigelingen af, de niet-wedergeborenen te worden teruggeworpen in het heidendom" (blz. 126).

(Wordt voortgezet.)

BALANS VAN CHRISTUS

De menschheid weet geen raad met den Christus Gods.

„Eerst moet de kerkelijke leer der twee naturen van Christus weggedaan worden — dan eerst kan men over den historischen Jezus gaan spreken." Zoo ongeveer moet Albert Schweitzer gezegd hebben. Maar de practijk leert, dat wie de leer van de goddelijke- en de menschelijke natuur van Christus verwerpt, een persoon overhoudt waarmee men heelemaal geen raad weet. Dan blijft er een allerwonderlijkste Jezus-figuur over (als er ooit een historisch persoon van dien naam en die kwaliteit geweest is? ), waarvan men dan (juist omdat men Zijn waarachtige Godheid loochent) de vreeselijkste gedachte moet krijgen. Let maar eens op de brochure : „Balans van Christus" door ds. H. Bakels.

Als men de-Godheid van Christus loochent moet de persoon Jezus een zonderlinge indruk op ons maken, 't Wordt dan een fantast, een dwaas, iemand die bedenkelijk verwaand is, iemand die „buiten z'n zinnen" raakt telkens; een geesteskranke ; een droomer van 't allerbedenkelijkste soort.

Als zoo'n persoon (die niet waarachtig God is) van zich zelf getuigt : Ik ben de opstanding en het leven, dan is het een fantast, een geesteskranke. 

Als zoo'n persoon (die niet waarachtig God is) zegt, dat hij iemand dé zonden kan vergeven, dan is hij iemand, die zich Gode gelijk waant en Godslasterlijke dingen zegt.

Als zoo'n persoon (die niet waarachtig God is) te midden van een groote kring van menschen zegt : „Wie van u overtuigt mij van zonde ? " dan is het een onuitstaanbaar hoogmoedige en eigengerechtige dwaas.

Als zoo'n persoon (die niet waarachtig God is) tot een doode zegt : „sta op, kom uit" - dan moet zoo iemand niet heelemaal toerekenbaar worden geacht te zijn.

Ja — dan kan ds. Bakels (zou die wel heelemaal toerekenbaar zijn ? ) in zijn boekje „Balans van Christus" zóó maar 400 onsympathieke trekken in de figuur van Christus aanwijzen, en hij roept dan mistroostig uit : „wie verlost ons toch eens van dal dwaze Christus-geloof ? " Want laten er ook nog 100 „sympathieke trekjes in Christus zijn aan te wijzen, 400 is toch veel, en véél meer dan 100 ! En daarom, laten we ons niet belachelijk maken — zegt ds. Bakels — door aan die Christus van de legende waarde te hechten.

„Het loslaten van het oud-Christelijk dogma" — zegt Philax in Calv. Weekblad — „is oorzaak van het deraillement van ds. Bakels". „Hij zegt het wat cru. Hij spreekt van geestelijke puisten, enz., — maar het is de consequentie van de loochening van Jezus als Gods Zoon.

De menschen van Nazareth hebben eerst, toen Jezus in hun synagoge Jes. 61 op zichzelf toepaste, met waardeering geluisterd naar zijn aangename woorden. Maar als Messias hebben ze hem niet erkend. Toen moesten ze hem wel van de steilte afgooien.

Jezus vraagt aanbidding, omdat Hij Gods Zoon is ; en staande voor Kajafas verklaart Hij onder eede dat Hij Gods Zoon is — maar als Hij Zich vergist, is Hij de meest tragische figuur van de wereldgeschiedenis. Een pathologisch geval van hoogmoedswaanzin. Was hij toerekenbaar, dan was hij een Godslasteraar".

„Maar de Kerk" — aldus Calv. Weekblad — „wil met haar dogma niet anders dan naar Zijn zelfgetuigenis luisteren. En alleen zóó, door in den eenen Persoon van onzen Middelaar Jezus Christus een menschelijke en een goddelijke natuur te belijden, is er een mogelijkheid om iets te verstaan van Zijn menschelijk leven op aarde".

DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (9)

De ware en valsche lijdzaamheid.

De Heere eischt volstrekt niet van de Zijnen dat ze ongevoelig zullen zijn voor het lijden en alle gevoel van droefheid zullen afwerpen. Dan zou er geen lijdzaamheid onder het kruis bestaan voor de geloovigen, als zij niet door smart gekweld, noch door druk beangstigd werden. Als de doorn in het vleesch niet gevoeld werd, waartoe zou dan moed of zelfbeheersching vereischt worden ?

Het gaat er veeleer om z'n lijdzaamheid te toonen onder het bitterst lijden, door zich te laten beheerschen door de vreeze Gods ; en de gelatenheid blijkt daaruit, dat de Christen rust vindt in de vertroosting van Gods Geest, als hij door droefheid en smart bezocht wordt.

Paulus schrijft over die christelijke lijdzaamheid op treffende wijze, als hij zegt : dat wij verdrukt worden, maar niet beschaamd ; dat wij angstvallig zijn, maar niet mismoedig; dat wij vervolgd worden, maar niet verlaten zijn ; dat wij neergeworpen, maar niet verdorven worden (2 Cor. 4 vers 8). Hieruit leeren wij, dat de christelijke lijdzaamheid allerminst gevoelloosheid is, zooals de Stoïcijnen leeren, vroeger en nu ; die wel wilden, dat de mensch hard als een steen, ongevoelig en onverschillig zou zijn, net zoo goed voor vreugd als voor smart, voor voorspoed als voor tegenspoed.

Er worden — aldus Calvijn — ook thans nog onder de Christenen zulke Stoïcijnen gevonden. Maar dat zijn vreemde opvattingen, uitgedacht door menschen, die niets te doen hebben dan met eigen denkbeelden rond te loopen, inplaats van het werkelijke leven te beoefenen ! Het zijn dwaze verzinsels. En de Christen wil niets van deze dingen weten, ziende op den Heiland, die zuchtte over Zijn lijden en dat van anderen. Hij leert de Zijnen van schreien en vreugde smaken.

Als alle angst en droefheid voor ongeloof moest gehouden worden, wat moesten wij dan zeggen van de benauwdheid, die Hem zoo hevig aantastte ? Als alle droefheid verkeerd is, wat moeten wij dan denken, als Hij zegt : ,,Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe" ?

De geloovigen zijn niet in staat om alle menschelijk gevoel af te werpen, en dat behoeft hen niet te bezwaren of hen te doen wanhopen. Christus wil van ons niet een blok hout maken !

De geloovigen, die de Heilige Schrift ons teekent, bukken zich onder den last des lijdens, maar zij behoeven niet te bezwijken ; zij gevoelen wel de bitterheid van de smart, maar zij worden tevens opgebouwd door de blijdschap des Heiligen Geestes ; zij worden wel door angst gekweld, maar door de vertroosting van God halen zij ruimer adem. En bij dat alles heerscht er strijd in hunne harten ; maar de vrome worstelt ook in den nood om gehoorzaamheid aan Gods wil. Dezen strijd bedoelde de Heere, toen Hij tot Petrus zeide : „Toen gij jonger waart, gordet gij u zelf — maar wanneer gij oud zult geworden zijn, zal een ander u gorden" (Joh. 21 : 18). Als Petrus straks met innige blijdschap des harten aan den goddelijken wil gaat gehoorzamen, om door den marteldood Zijn Heere en Heiland groot te maken, had hij toch niet alle menschelijk gevoel afgelegd, maar werd door tweeërlei aandoening bevangen : vrees en huivering, maar tegelijk gewilligheid en blijdschap.

Als wij dan ook leerlingen van Christus willen zijn, moeten wij er naar trachten, dat onze harten zóó vervuld zijn van gehoorzaamheid aan Gods wil, dat wij zelfs alle neigingen tot tegenstreven aan Zijn gebod kunnen onderdrukken. Dan zullen wij het zóóver brengen, dat wij standvastig en geduldig blijven in alle lijden, dat ons treft, ja zelfs in den grootsten angst des harten.

Elke tegenspoed veroorzaakt ons smart en zorg. Ziekte en armoede doet ons zuchten en bidden en vragen om gezondheid en brood. Maar altijd moet de gedachte bij ons levendig zijn : God heeft het zoo gewild, wij moeten Zijn wil volgen ; en we moeten er naar staan zóó op Hem te betrouwen, dat het geduld bewaard blijft en het vertrouwen versterkt.

Hier kunnen we het onderscheid zien tusschen de lijdzaamheid van een Christen en een ander. De Christen mag het weten, dat hij door Gods hand in rampspoed is gebracht en dat zijn Vader in den hemel het niet doet uit lust tot plagen. Wij leeren dan Zijn rechtvaardigheid en billijkheid erkennen en vervolgens Zijn Vaderlijke zorg voor ons heil. Niets geschiedt buiten den wil van onzen hemelschen Vader en alles geschiedt naar Zijn wijs bestel.

En moeten we bij de beproevingen niet belijden, dat Zijn hand zwaarder ons had kunnen treffen ? Moet Zijn goedheid niet worden geprezen ook bij tegenspoed en kruis ?

We moeten ons dan ook niet voegen naar Gods weg, omdat het nu eenmaal zoo is en niet anders kan. Want dat is ons noodgedwongen buigen onder het noodlot. Neen, we moeten in alles, ook in de beproevingen, Gods Vaderlijke hand opmerken en Zijn Voorzienigheid erkennen. Hij wil alzoo met ons handelen, wat wij niet in onverschilligheid en gevoelloosheid, ook niet met morren en mokken, hebben te dragen, maar waarbij we met lijdzaamheid hebben te loopen de loopbaan, die ons voorgesteld is, ziende op den Oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus Christus.

En als het dan voor ons allen duidelijk is, dat tegenspoed heilzaam voor ons is, waarom zouden wij dien dan niet met een dankbaar en kalm gemoed dragen ?

Bezwijkt dan ons vleesch en ons hart — zoo is God de rotssteen onzes harten en ons deel in eeuwigheid ! (Psalm 73).

(Wordt voortgezet)

ROME EN GODSDIENSTVRIJHEID

Rome en Godsdienstvrijheid — dat kan onmogelijk in één adem gelezen worden. Rome kan en Rome wil geen godsdienstvrijheid. De alleenzaligmakende Kerk kan geen godsdienstvrijheid dulden. Zij zou zich zelf moeten verloochenen en dat kan en dat wil Rome niet. Zij is immers de ééne ware Kerk, die de waarheid heeft en die God dient zooals Hij het wil (door den Paus) en alle andere kerken en godsdiensten zijn eigenwillig en leven in ongehoorzaamheid aan God en verscheuren de ééne ware Pauselijke Kerk. En zooiets kan en mag Rome toch niet dulden of goedkeuren ?

Typisch komt deze Roomsche mentaliteit uit in een briefje, dat een Roomsche Aalmoezenier schrijft aan een Protestantsch veldprediker (in Frankrijk). De Protestantsche legerpredikant had z'n Roomsche collega (twee Engelschen, die in Frankrijk bij de Engelsche soldaten zijn) een schrijven doen toekomen, waarin hij hem voorstelde in verschillende dingen samen te werken, om zoodoende de soldaten meer en beter te kunnen helpen en bijstaan in allerlei opzicht.

De Roomsche Aalmoezenier stemde daarin toe en schreef aan z'n Protestantschen collega : „U hebt volkomen gelijk : wij dienen beiden denzelfden God. U op uw manier en ik op de Zijne". Daar heb je het dus weer. Rome is God gehoorzaam, de Protestant wandelt in eigenwillige wegen !

In Algem. Weekblad voor Kerk en Christendom (vroeger voor Christendom en Cultuur) geeft M. Lankamp verscheidene citaten uit officieele kerkelijke proclamaties en brieven, om te bewijzen, dat Rome tegen Godsdienstvrijheid is en die vrijheid van religie, in welk land ook, haat en tegenstaat.

We laten enkele citaten, verder zonder commentaar, volgen :

1. Apostolische brief van 29 April 1814 door Paus Pius VII den bisschop de Boulogne geschreven naar aanleiding van Napoleons besluit, de vrijheid van godsdienst te handhaven :

„Een nieuwe reden tot droefheid, welke ons hart nog feller pijnigt en in uiterste verslagenheid dompelt, is het 22ste artikel der Constitutie. Dit vergunt niet slechts vrijheid van godsdienst en geweten, doch belooft ook bescherming daarvan en van de leiders dier z.g. godsdiensten. Onnoodig te zeggen, welk een doodelijke slag de alleenzaligmakende Kerk daardoor wordt toegebracht, welke op één lijn gesteld wordt met kettersche secten en zelfs met het trouwelooze Judaïsme".

2. Pius IX. Concordaat met Spanje van 1851 :

„De (R.K.) religie met al hare rechten, welke zij krachtens haar goddelijke instelling en de regelen van den H. Canon bezit, zal, gelijk voorheen uitsluitend in het Koninkrijk heerschen en elke andere godsdienst zal openlijk worden verbannen en verboden".

[Men weet, wat ontzettende verwildering en godsdiensthaat in Spanje geweest is.]

3. Pius IX. Encycliek Quanta Cura. 8 Dec. 1864 :

,,Geen noodlottiger leer voor de Katholieke Kerk en het heil der zielen kan er zijn, dan deze verouderde meening, welke Gregorius XVI een delirium noemde, dan de leer : dat de vrijheid van geweten en godsdienst een recht is, dat iederen mensch toekomt en dat deze leer dient te worden geproclameerd en verzekerd in elken welgeconstitueerden Staat, en dat de burgers recht hebben om in volle vrijheid luide en openlijk hunne meeningen te verkondigen, door woord en geschrift, zonder dat het kerkelijk en burgerlijk gezag zou mogen ingrijpen".

4. In de Syllabus, prop. LXXVII en LXXVIII, 8 Dec. 1864, slingert Pius XI zijn banvloek uit over wie zou leeren dat vrijheid van godsdienst en geweten een recht is, dat een volk en een mensch toekomt :

„Anathema (vloek) over hem, die zegt : het behoort niet meer tot onzen tijd, dat de Katholieke godsdienst als de éénige van den Staat wordt beschouwd, met uitsluiting van alle andere godsdiensten.

Anathema over hem, die zegt : men moet dan ook zekere Katholieke landen prijzen, waar de wet den vreemdelingen toestaat hunne respectieve godsdiensten in het openbaar uit te oefenen".

Dat mag dus geenszins geprezen of aangeraden worden, nooit en nergens ! Ook in 1940 niet in Duitschland, in Oostenrijk, in Tsjecho- Slowakije, nergens ! Rome de alleenzaligmakende Kerk, en geen vrijheid van godsdienst, geen vrijheid van geweten, geen vrijheid om voor z'n nieening uit te komen in woord en geschrift. Zegt Rome officieel .......

5. In Encycliek Libertas praestantissimum, 20 Juni 1888, zegt Leo XIII :

„De moderne godsdienstvrijheid is een ontaarding der vrijheid en een slavernij der ziel in de laagheid der zonde".

6. Dood aan de ketters! roept de Jezuïet L. Billot, professor in de theologische dogmatiek, Raad van het H. Officium, in 1911 tot kardinaal-diaken benoemd, woont te Rome, via Giorecchino Belli 3, erkende autoriteit als schrijver van talrijke kerkelijke leerboeken, enz. Hij schrijft (Rome 1910) : „Welk beter middel is er om een zoo groot kwaad als de ketterij uit te roeien, dan de wetten der Middeleeuwen ? Strenge wetten, het is waar, maar vaderlijk, maar heilzaam, maar beschermend de eenvoudigen en zwakken tegen de ergste moordenaars en daarom grootelijks in overeenstemming met de regelen van recht en billijkheid".

„Ik zeg zonder aarzeling, er is geen hoop, dat de Christelijke natiën weer tot bloei komen, indien deze beginselen niet weder van kracht worden. Zónder dat, zijn wij niet ver van de catastrofe door den Apostel voorzegd: „Dat u niemand verleide in eenigerlei zonde ; want de dag van Christus komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des verderfs". (2 Thess. 2 vers 3).

7. Ketters erger dan wilde zwijnen. Monseigneur Lepicier, Generaal der Jezuïeten, door den Paus benoemd tot Apostolisch Opziener voor Indië, Apostolisch Directeur voor Engeland en Schotland, enz. enz., schrijver van „De Stabilitate", zegt op bladz. 51 en 52 (het vorig citaat vindt men bladz. 30 en 43) :

„Vorsten, die ketters vervolgd hebben, zijn dus te prijzen" ...... „Ketters zijn erger dan de wilde zwijnen van het woud".

„Van in ketterij geboren ketters kan men eischen, indien men daar de macht toe heeft, hun heiligschennis, slechte raadgevingen of eenigen overlast"..... (blz. 210).

„Het Katholieke geloof, dat het eenige geloof is ..... (blz. 214).

„Ketters, die het vrijelijk geworden zijn, hunne ketterij openlijk belijden en anderen tot dezelfde dwalingen door woord en voorbeeld overhalen, behooren niet slechts uit de Kerk gebannen, doch ook uit het rijk der levenden weggevaagd te worden door den dood, want gelijk de H. Thomas terecht opmerkt, dat de valsche munters en andere misdadigers rechtvaardiglijk door den wereldschen rechter ter dood gebracht worden, zoo zal men nog minder de ketters ontzien, die het eenig ware geloof vervalschen, zonder hetwelk geen eeuwig heil is. Bijgevolg kan iemand, die openlijk zijn ketterij belijdt of anderen deze leert — absoluut gesproken — met het volste recht gedood worden. Inderdaad, zooals Aristoteles zegt, is een slecht mensch gevaarlijker dan een roofdier, waaruit volgt, dat, zooals het niet verkeerd is een roofdier te dooden, dat schade toebrengt, het goed moet zijn, een ketter om te brengen, die de goddelijke waarheid verkracht tot een valstrik voor het heil van anderen".

Aldus de „herderlijke taal" van de Roomsche geestelijken, die dan weer behendig onderscheid gaan maken tusschen de Kerk en de wereldlijke rechter, om den laatste te laten opdraaien voor het bloed vergieten, dat (schijnheilig gedoe) de Kerk natuurlijk niet doet ! De Roomsche Kerk heeft nog nooit een druppel bloed vergoten, zegt men, want dat heeft de Overheid altijd gedaan !... Hoort maar wat Mgr. Lepicier ten slotte verklaart, nadat hij gezegd heeft, dat de ketters wilde zwijnen, valsche munters, roofdieren, enz. zijn. Hij zegt dan :

„Het recht, de doodstraf tegen ketters uit te spreken, komt aan de Kerk toe. De macht deze te voltrekken, behoort aan beide, zoowel de burgerlijke als de kerkelijke Maatschappij, doch verschillend ten aanzien van de eene en de andere. De burgerlijke macht mag alleen de doodstraf voltrekken, wanneer de ketterij door de bevoegde geestelijkheid is aangetoond, terwijl de Kerk, kennende het wezen van het misdrijf, zelfstandig tot die straf mag veroordeelen, zonder haar te voltrekken, doch daarmede belastend den wereldlijken arm (non tarnen exequi, sed illam brachio seculari exequendam commitet)".

Die onschuldige Kerk van Rome toch .......die heeft nog nooit een druppel bloed vergoten !

Dit onderstreept Mgr. Lépicier nog eens, op deze wijze (bladz. 198) :

„De Kerk levert den ketter aan den wereldlijken rechter om ter dood gebracht te worden, want het is lofwaardig en heilzaam, dat hij gedood wordt (laudabiliter et salubriter occiditur). Maar het is in geen geval den priesters geoorloofd zelve de ketters te dooden. Zegt de H. Paulus niet, dat de bisschop zonder zonden moet zijn ? en niet slaan mag ? En de H. Thomas merkt op, dat priesters, die het sacrament van den gedooden Christus hebben op te dragen, niet zelve slaan en dooden mogen. Zij dienen hun Meester na te volgen".

De Kerk, die haar Meester heeft na te volgen(!), mag het dus niet doen; maar de Overheid wel ! Waarbij de Kerk dan de Overheid moet aanzetten. Hoort maar wat Mgr. Lépicier tenslotte nog zegt :

„De Kerk, terwijl zij dus den ketter door den Staat, in haar plaats, laat ombrengen" (de Kerk laat het dus doen !) „beveelt zulks onder toevoeging van bedreigingen, opdat de Staat zich niet aan dien plicht onttrekke". (bladz. 195).

„Overeenkomstig het kanonieke recht en de decreten der pausen Gregorius en Innocentius III, moet de wereldlijke macht op straffe van excommunicatie en hare gevolgen, gemaand en gedwongen worden", (bladz. 195).

„Doch nóg eens, indien al de Kerk het doodvonnis velt en den Staat dwingt dat te voltrekken, zoo volvoert zij dat zelve niet, daar zij terecht een afschuw heeft van bloedvergieten", (bladz. 196)

Dat is de taal van gezaghebbende organen der Roomsche Kerk.

Iemand steelt zelf niet, maar beveelt zijn knecht zulks te doen, zoozeer heeft hij een afschuw van stelen !.........

Men stelle zich den Heiland voor, die Zijn dienaren beveelt hen, die niet naar Hem hooren willen, te dooden, omdat Hij Zelf die zonde niet kan begaan !...... Misdadige drogredenen.

NIET MEER „VRIJZINNIG" DOCH „OECUMENISCH"

Zooals het courantenbericht onlangs meldde, wil ds. A. M. van de Laar Krafft, Ned. Herv. pred. te Heenvliet (vrijzinnig), niet meer tot de „vrijzinnigen" gerekend worden, echter niet, omdat hij orthodox geworden is, maar om andere oorzaken.

In een brochure, door hem geschreven met den titel: „Niet meer „vrijzinnig" doch „oecumenisch", geeft hij nu als een „gewetenskreet" te kennen, dat men alles moet doen om meer en meer te komen tot christelijke eenheid ; maar dan zullen er offers gebracht moeten worden en „heilige huisjes" zullen moeten worden opgeruimd. Zoo'n heilig huisje acht hij den naam „vrijzinnig" ; een naam, die zeker z'n verdienste en uitwerking heeft gehad, doch die nu slechts misverstand en aanstoot kan verwekken, omdat hij scheiding veroorzaakt.

Op het oogenblik kieze men een richtings- of doelstellingsnaam — indien 't woord „christelijk" helaas niet meer toereikend is — die samenbindt en vereenigt: En dat is — aldus ds. Van de Laar Krafft — de naam „oecumenisch".

Van welk beginsel dat „oecumenisch" moet uitgaan en op welken grondslag de „oecumenische beweging" moet staan, zegt ds. Van de Laar Krafft niet.

Zou hier dan tóch weer gesproken moeten worden over rechtzinnig en..... vrijzinnig?

NIEUWE BANEN, NIEUWE NAMEN

Ds. mr. F. C. M. Boenders, Ned. Herv. pred. te Oss (vrijzinnig), schrijft in een brochure , met bovenstaande titel.: Nieuwe banen, nieuwe namen, over het historisch verband van de godsdienstige vrijzinnigheid met andere voorafgaande stroomingen. Hij ziet dan verband, niet zoozeer met de z.g.n. vroegere „rekkelijkheid", maar veeleer met de mystieken der Middeleeuwen. Hij betreurt het, dat de vrijzinnigen (waartoe hij rekent: de modernen, de evangelischen en de ethischen) dit te weinig hebben beseft en hun kracht hebben gezocht in een steeds „smallere orthodoxie", en zoo tot het prediken van „kettersche inzichten" kwamen ; want tusschen „orthodoxie" en „ketterij" acht ds. Boenders geen principieel verschil.

Van die steeds smaller wordende orthodoxie met al die ketterijen moeten de vrijzinnigen zich terug trekken en zij behooren te leeren doordringen tot de religieuse beleving in en achter het dogma. Dit brengt zeker mee een geestelijk aanvaarden van de leer, maar niet als „leer", eerder als „beeld en gelijkenis van de religieuse ervaring".

Ds. Boenders verdedigt om meer dan één oorzaak „een zich losmaken van de oude richting". Wat hij voorstaat, zou hij willen noemen : innerlijk Christendom.

„Velen, zoowel van links als van rechts, zullen hierin tot overeenstemming kunnen komen. Wij moeten nieuwe banen bewandelen en nieuwe namen kiezen" — aldus ds. Boenders.

Geduld is zulk een schoone zaak.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's