De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Moet een vrouw of een meisje in het huis des gebeds een hoed of een muts op hebben ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Moet een vrouw of een meisje in het huis des gebeds een hoed of een muts op hebben ?

7 minuten leestijd

III.

In 1 Cor. 11 vers 7—9 wordt niet gehandeld over gewoonten in de gemeente Corinthe. Neen, indien dit het geval ware, dan zouden we er ons gemakkelijk van kunnen afmaken. In dit Schriftgedeelte worden we veel meer herinnerd aan de scheppingsordinantiën van God, den Heere.

De man is het beeld en de heerlijkheid Gods, doch de vrouw is de heerlijkheid des mans. God in den hemel is de absolute heerscher. Hij heeft echter van Zijn heerschersmacht ook op koningen en keizers en andere overheidspersonen gelegd. Deze allen regeeren bij de gratie Gods. Maar daarbij blijft het niet. God bekleedde ook den man inzonderheid met gezag over zijn huisgezin. Dus gezag over vrouw en kinderen. De man moet regeervermogen bezitten. Hij wordt geroepen tot wijsheid en kloekheid, lankmoedigheid en zelfbeheersching — zegt Van Andel terecht in zijn commentaar op dezen brief.

Ik ben het ten volle met hem eens, dat hij onzen tijd kleurloos noemt. Als het avond wordt, zijn de roode klaprozen en de witte leliën bijna in kleur gelijk. Zoo worden ook in onze donkere eeuw de machtsverhoudingen in het gezin weggedoezeld. Er is een groote verslapping van het mannelijk gezag te bespeuren. We leven in een tijd van emancipatiezucht van de vrouw.

Vele vrouwen willen, dat ze evenveel macht hebben zullen als de mannen. Men wijst dan op het feit, dat het is voorgekomen, dat een slechte man zijn vrouw mishandelde, alles op maakte wat er nog was, de boel publiek liet verkoopen, dagen van huis was, zonder dat de vrouw wist waar hij was en dat er voor een vrouw tegenover dat alles geen recht was te verkrijgen.

Lezers, we hebben het hier niet over het feit, wat er gedaan moet worden, als een man het gezag, hetwelk God hem gegeven heeft, misbruikt, zoodat hij eigenlijk meer een tiran, dan een echtvriend is.

Neen, we hebben het over de scheppingsordinantiën Gods. En naar die scheppingsordinantiën is de man met gezag bekleed. Wee, indien hij het misbruiken zal !

Van de vrouw wordt hiet gezegd, dat ze het beeld des mans is. Ze wordt alleen de heerlijkheid van den man genoemd. En omdat ze niet het beeld van den man genoemd wordt, deelt ze ook niet in de uitoefening van het gezag, hetwelk alleen bij den man is.

Dit maakt haar echter niet tot een slavin. De man mag zijn vrouw niet tiranniseeren. O, wat zal een Christenman zijn vrouw waardeeren ! Wat zal hij haar hartelijk liefhebben als hij ziet op al hare deugden in het huiselijk leven ! Wat weet de vrouw een liefde te openbaren ! Wat weet ze haar gevoelig hart open te stellen voor alle leden van het gezin ! De kinderen gaan met hunne nooden vaak het eerst naar moeder ! Wat weet ze te zorgen!  Zooals moeder des avonds de kinderen dekt, doet niet één het ! Wie zal met zooveel geduld en liefde waken bij het bedje van zieke kleintjes, als de moeder ? O, wat een zorgen, om met een karig loon er zich toch doorheen te slaan ! Wat is haar taak veelomvattend !

Met recht mocht de Spreukendichter zeggen, dat een kloeke vrouw een kroon van haren heer is. Zeker, ik weet het wel, dat door de zondige tirannie van een liefdeloos man een vrouw soms gedoemd is tot een slavinnenleven. Daar staat tegenover, dat er ook vrouwen zijn, die van het gezag van den man een karicatuur hebben gemaakt. De vrouw deelt de lakens uit en de man heeft niets te zeggen. De man wordt in zulk een geval ook door de kinderen geheel op zijde geschoven.

Maar nóg eens, we hebben het niet over den droeven toestand, waarin het huwelijksleven geraken kan door de verwoestende macht der zonde. We hebben te luisteren naar datgene, wat het huwelijksleven behoort te wezen naar de scheppingsordinantiën.'

Twee redenen worden genoemd, waarom de verhouding tusschen man en vrouw zoo moet wezen. „Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit den man. Want ook de man is niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man".

Lees slechts de eerste bladzijden van den Bijbel. Daar vernemen we dat de Heere Adam heeft geschapen uit het stof der aarde, door in dat stof den adem des levens te blazen. De vrouw echter wordt niet apart uit het stof geschapen. Neen, ze wordt uit den man genomen. Dit feit alleen maakt reeds, dat ze geschapen is in een van den man afhankelijke positie. Maar dezelfde geschiedenis leert ons ook het doel kennen, waartoe ze geschapen is. Het was immers niet goed, dat de mensch alleen zou zijn. Nu wordt echter Eva uit hem geschapen, opdat hij niet langer een eenzaam wezen zou zijn, maar opdat zij hem in alles zou kunnen helpen en bijstaan in alle dingen, die tot het tijdelijke en eeuwige leven behooren.

Nu komen we toe aan de conclusie, die de apostel uit de bovengenoemde scheppingsordinantiën heeft getrokken.

„Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben om der engelen wil" (1 Kor. 11 vers 10).

Als iemand eens bij elkaar had, al hetgeen van de oudste tijden af over dit vers geschreven is tot op den huldigen dag, dan zou hij over 'n schrikbarende hoeveelheid litteratuur beschikken. Om alles te dezen, wat hierover geschreven is, is haast een onbegonnen werk.

Lezers, als ge dit 11de vers eens goed naleest, dan zult ge onmiddellijk gevoelen, dat het gaat om de beide vragen : Wat heb ik te verstaan onder de macht op het hoofd, en : welke beteekenis moeten toch de woorden , , om der engelen wil" wel hebben ?

Onder „macht" zullen we hier wel moeten verstaan het teeken van een macht, die ondergaan wordt. Het verband met het voorafgaande wijst er op, dat er geen sprake kan wezen om te denken aan een macht, die door de vrouw zou worden uitgeoefend.

Het komt vaak voor, dat een teeken van iets voor de zaak zelf gebruikt wordt. Zoo gebruiken we 't woord „kroon" weleens voor het koningschap zelf. We zeggen b.v. : ,,de kroon" moet beslissen, terwijl we daar toch eigenlijk „de Koningin" mee bedoelen.

Het eigenaardige in dezen tekst is echter, dat nu de zaak zelf inplaats van het teeken wordt genoemd. Toch komt dat meer voor. Godet zegt, dat Diodorus, als hij het standbeeld van de moeder van den Egyptischen koning Osimandias beschrijft, opmerkt, dat zij drie koninkrijken! op haar hoofd heeft. Dat kan natuurlijk onmogelijk beteekenen, dat ze drie machtige rijken op haar hoofd heeft. Het wil natuurlijk zeggen, dat ze drie diademen, drie kronen, als symbolen van koninkrijken op haar hoofd heeft.

We hebben trouwens ook nog een voorbeeld in Jesaja 9 vers 5. Daar lezen we : „en de heerschappij is op zijn schouder". Daar is bij „de heerschappij" toch ook te denken aan het teeken en niet aan de zaak zelf. Hoogstwaarschijnlijk is er de koninklijke mantel mee bedoeld.

Welnu, zoo heeft ook de vrouw ten teeken van hare onderworpenheid een deksel op het hoofd. De Oostersche vrouw was gesluierd. Lezers, ge kent allen de geschiedenis van Rebecca. Toen Eliëzer aan Rebecca verteld had, dat Isaak naderde, heeft ze onmiddellijk haar aangezicht met een sluier bedekt. En we lezen in het Hooglied van Salomo, dat de bruid er over klaagt, dat de wachters haren sluier hadden weggenomen.

Dat het dragen van een sluier of muts het symbool was van dé ondergeschiktheid blijkt nog uit sommige gewoonten uit onzen tijd. Als we schrijven „uit onzen tijd", dan hebben we misschien te veel gezegd. Ik bedoel dertig jaar geleden.

In de dagen mijner jeugd heb ik menigmaal in een advertentie, waarin een meisje voor de huishouding gevraagd werd, ook deze zin gelezen : muts dragen is een vereischte.

Dat is in onzen tijd haast voorbij. Toch ziet men bij Heek en in de cafetaria's van de groote steden op het hoofd van de meisjes toch altijd nog iets, wat gelijkt op een muts of een sluier, ook al is het geheel tot de kleinste proporties teruggebracht.

Doch we keeren terug tot den tekst. De apostel wil, dat de vrouw zich het hoofd zal omsluieren als ze in de vergadering komt. Want door die omsluiering geeft ze te kennen, dat ze op het terrein van het aardsche leven niet zelfstandig optreedt, maar dat ze staat onder den man. (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Moet een vrouw of een meisje in het huis des gebeds een hoed of een muts op hebben ?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's