De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Moet een vrouw of een meisje in het huis des gebeds een hoed of een muts op hebben ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Moet een vrouw of een meisje in het huis des gebeds een hoed of een muts op hebben ?

7 minuten leestijd

We moeten nu zien vast te stellen, wat het zeggen wil, dat een vrouw een sluier op het hoofd moet hebben (als ze in de godsdienstige samenkomsten verkeert) om der engelen wil.

„Om der engelen wil", ziedaar de woorden. die aan de verklaarders zulke groote moeilijkheden opleveren. In de eerste plaats staan we al voor de moeilijkheid of onder het woord engel een echte engel is te verstaan, of dat we hier te denken hebben aan een engel in de beteekenis van een voorganger.

Ik behoef u slechts aan een tweetal bekende teksten te herinneren. Er wordt in Maleachi  3 vers 1 voorspeld : „Ziet, ik zend mijnen engel, die voor mijn aangezicht den weg bereiden zal".

Daar heeft het woord engel stellig de beteekenis van bode. Daar kan niemand anders dan Johannes de Dooper mee bedoeld zijn. Denk voorts een aan de Openbaring van Johannes. In die zeven brieven, die Johannes aan de verschillende gemeenten van Klein- Azië schrijven moet, luidt de aanhef telkens: „Schrijf aan den engel der gemeente". Daarmede kan onmogelijk een echte engel bedoeld zijn. Immers aan een geestelijk wezen kan men geen brief schrijven. Met de engel der gemeente is zeker de leider, de geestelijke voorganger, het hoofd der gemeente bedoeld.

Nu zijn er altijd uitleggers geweest, die het 10e vers van 1 Cor. 11 zoo hebben verstaan, dat met die engelen ook de Corinthische voorgangers zouden zijn bedoeld.

De beteekenis van den tekst zou dan deze wezen, dat het wenschelijk zou te achten zijn dat de vrouwen in. de godsdienstige samenkomsten zich zouden sluieren, opdat het hart der voorgangeren niet op den weg der zonde zou worden geleid door de aanschouwing van schoone vrouwen.

Nog niet lang geleden is het op de Veluwe gebeurd, dat een voorganger van een groepje van ultra-Gereformeerden in de godsdienstige samenkomst van zijn groep een bewijs van zoogenaamde oprechtheid in den weg van zelfontdekking meende te moeten geven, door te belijden, dat hij zich onder het spreken had schuldig gemaakt aan de zonde tegen het 7de gebod.

We vinden zulk een verklaring van een voorganger allesbehalve stichtelijk. We kunnen er verder geen woorden voor vinden.

Waar we echter wèl een antwoord op moeten geven, het is op de vraag, of we de woorden „om der engelen wil" nu inderdaad moeten verstaan in den zin van ,,om der voorgangeren wil".

Niemand minder dan Ambrosius, de bekende bisschop van Milaan, die als een middel in Gods hand is geweest tot de bekeering van Augustinus, meende werkelijk, dat het dragen van een sluier een voorbehoedmiddel zou zijn om de voorgangers niet te prikkelen tot vleeschelijke lusten.

We kunnen, met alle verder respect voor Ambrosius, hem op dezen exegetischen weg niet volgen. We gelooven, dat de meening van Ambrosius en anderen, die zijn standpunt deelen, reeds hiermede grondig is weerlegd, door er op te wijzen, dat er in dit vers heelemaal geen sprake is van een middel tegen zedelijke onreinheid, maar dat het hier alleen maar gaat om het feit, dat de vrouw zich heeft te onderwerpen aan haren man, die haar hoofd is.

Hiermede is ook tevens weerlegd de meening, die we reeds vinden bij Tertullianus : Paulus zou dan hier gesproken hebben over de gevallene engelen, wier begeerlijkheden zouden zijn opgewekt door het gezicht van ongesluierde vrouwen.

Anderen hebben de geschiedenis uit Genesis er bijgehaald, waar sprake is, dat de zonen Gods zich namen van de dochteren van de menschenkinderen. Men meende dan, dat het reuzengeslacht geboren was uit een vermenging van engelen en menschen.

Wij gelooven, dat er met de zonen Gods absoluut geen engelen bedoeld zijn. Hier wordt alleen het feit vermeld, dat het godvreezende geslacht van Seth zich vermaagschapt heeft met het goddelooze Kaïnsgeslacht.

Trouwens, hoe zouden engelen, die niet lichamelijk zijn, zinnelijke lusten kunnen hebben. Eenigszins zou er nog mee door kunnen de verklaring, dat die booze engelen de zinnelijke lusten bij de mannen in de vergadering hadden kunnen opwekken. Maar de bovenvermelde weerlegging is naar onze overtuiging afdoende.

Als we onder engelen dan geen menschen en ook geen booze engelen hebben te verstaan, dan blijft alleen nog de vraag over, of we er de goede engelen onder hebben te verstaan. Dat moet dan wel het geval zijn. De vraag is nu echter aan de orde te stellen, wat de nadere beteekenis er van wezen moet.

Er is op gewezen, dat de engelen handelende personen waren, toen God, de Heere, de wereld schiep. Die engelen leven ook het leven der gemeente mede. Lees eens 1 Cor. 1 vers 9 : „Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld ais tot den dood verwezen ; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld en den Engelen en den menschen''.

Voorts Efeze 3 vers 10 : „Opdat nu door de gemeente bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods".

En dan 1 Tim. 5 vers 21 : ,,Ik betuig voor God en den Heere Jezus Christus en de uitverkoren Engelen, dat gij deze dingen onderhoudt zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid".

Tenslotte wijzen we nog op Hebr. 1 vs. 14 : „Zijn ze niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wil, die de zaligheid beërven zullen".

Genoeg ! Uit de genoemde plaatsen blijkt zeer duidelijk, dat de engelen levendig belang stellen in het leven van de leden van Gods Kerk. Welnu, dan moeten die engelen wel bijzonder beleedigd zijn geweest door een wijze van doen, die in strijd was met de normale verhouding, die in den schoonen ochtendstond der schepping tusschen man en vrouw gesteld was.

Prof. Grosheide heeft wellicht gelijk, als hij in zijn commentaar op deze plaats zegt : ,,Nu moet de vrouw ook tegenover de engelen het recht Gods handhaven. We begrijpen wel, waarom Paulus dit er bij zegt. Het is voor een vrouw moeilijk om alleen voor den man uit den weg te gaan. Het is gemakkelijker voor haar de onderworpenheid aan den man te toonen in haar dracht, als ze weet, dat dit ook noodzakelijk is terwille van de engelen".

Als we dus nog eens in hot kort de beteekenis van dit 11de vers voor oogen zouden willen stellen, meenen we het zoo te moeten doen :

De engelen leven mede met Gods gemeente, ze verheugen zich over een zondaar, die zich tot God bekeert, ze worden bedroefd door elke zonde van de menschenkinderen. Hoe zou het hun dan niet smarten, als ze in de gemeente zouden moeten gadeslaan iets, wat indruischt tegen het bevel van God en dat aanstoot geeft aan de hoogste welgevoegelijkheid (gelijk Godet het uitspreekt).

Welaan, dan neme de vrouw de engelen tot een voorbeeld en zij dekke zich het hoofd om daarmede hare onderworpenheid aan haren man te erkennen naar de ordinantiën Gods.

Eer we enkele conclusies voor onzen tijd gaan trekken rest ons nog om even het oog te richten op de laatste verzen, die over dit onderwerp handelen. We bedoelen 1 Cor. 11 : 11—16.

Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man in den Heere. Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzoo is ook de man door de vrouw ; doch alle dingen zijn uit God. Oordeelt gij onder u zelf : is het betamelijk, dat de vrouw ongedekt God bidde ? Of leert u ook de natuur zelf niet, dat zoo een man lang haar draagt, het hem een oneer is, maar zoo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is, omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven ?

Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonten niet, noch de gemeenten Gods.

De apostel had zijn betoog over den eisch, dat een vrouw gesluierd in de vergadering behoort te komen om daarmede de superioriteit van haren man te betuigen, zonder meer kunnen besluiten.

Toch laat hij er de bovengenoemde vijf verzen nog op volgen. En dit was stellig noodig.

We hebben er boven al op gewezen (in vorige artikelen) dat de scheppingsordinantie niet heeft bedoeld om den man tot een tiran over zijn vrouw en de vrouw daarmee tot een slavin te maken.

Stellig is deze conclusie wel eens door sommige mannen getrokken.

Het is goed, dat daarom de apostel op de gevaren van een zondige toepassing, nog eens ter dege wijzen zal.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Moet een vrouw of een meisje in het huis des gebeds een hoed of een muts op hebben ?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's