De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

RONDOM DE LEESTAFEL

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

RONDOM DE LEESTAFEL

12 minuten leestijd

LODEWIJK VAN NASSAU, door dr. P. J. van Herwerden. Uitgave : Van Gorcum & Co. te Assen.

„Een leven, gewijd aan de Nederlanden", is de onder-titel. En terecht. Dr. Van Herwerden zit in z'n onderwerp goed in. Het gaat over den jongeren broer van Willem I, die jong gesneuveld is, maar die toch van zoo groote beteekenis is geweest voor ons volk en Vaderland. „Eerder zelfs dan Willem van Oranje heeft Lodewijk zijn plaats gevonden in het verzet tegen den Spaanschen godsdienst- en gewetensdwang en de invloed, dien hij heeft geoefend op de houding van zijn broer inzake de religie, is waarschijnlijk zeer groot geweest". Zijn rust, zijn bezittingen, zijn gezondheid, zijn leven heeft hij veil gehad voor ons volk, strijdende den strijd voor vrijheid en recht. En heeft hij de zege van het recht niet mogen aanschouwen, zijn strijd is niet vruchteloos geweest !

Het boekje van dr. Van Herwerden is een waardevol geschrift.

JAARBOEK VOOR DE NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK, onder redactie van ds. H. C. Briët, 24ste jaargang. Uitgave Drukkerij Nauta & Co., Zutphen, 1940.

Voor de 24ste maal — volgend jaar een jubileum! — verschijnt dit Jaarboek, dat we aan dominees en kerkeraadsleden altijd hartelijk aanbevelen, gelijk we dat nu óók weer doen kunnen en willen. Het is een reglementenboek in 't klein — en dat is zoo makkelijk ! — en daarbij is het een compleet „domineesboek", wat o ! zoo makkelijk is. Het jaaroverzicht is van de hand van ds. E. van Meer en bevat allerlei wetenswaardige dingen in verband met de Synode en het kerkelijk gebeuren. Ten opzichte van predikanten, als ze jubileeren, of met emeritaat gaan, vindt men in dit jaarboek altijd gegevens. En van hen, die gestorven zijn, een breed „levensbericht" met portret.

Wij raden ieder, die met de kerkelijke zaken m aanraking komt, in Kerkeraad, Kerkvoogdij enz., ten zeerste aan dit Handboek (men moet het steeds bij de hand hebben) te koopen. Over héél het kerkelijk leven laat het z'n licht schijnen.

DE PREDIKING VAN HET BOEK DANIëL, twaalf preeken van dr. A. H. Edelkoort te Amsterdam. Uitgave : H. Veenman & Zonen Wageningen.

Dr. Edelkoort is een Oud-Testamenticus van naam. Wij meenen, dat zijn naam ook wel eens genoemd werd in betrekking tot een professoraat. Zijn geschriften zijn van groote beteekenis. En zijn preeken — die in Amsterdam zeer worden gewaardeerd — zijn bewijzen van zijn studie en diep verstaan van de Schrift. Het boek Daniël trok hem en hij is aan de studie getrokken in betrekking tot dit profetisch boek, dat waarlijk niet behoort tot de geschriften, die 't gemakkelijkst zijn te verstaan. En dit studiemateriaal heeft dr. Edelkoort verwerkt in zijn preeken, die nu een prachtig middel zijn geworden tot beter verstaan van de Schriften en tot dieper voelen van het wondere Evangelie, dat ook uit dit boek tot ons komt voor onzen tijd. Is het niet, alsof de profeten in ónzen tijd geleefd hebben ? Is het Woord des Heeren niet vol wonder leven ook voor ónze dagen ?

De teksten, die verhandeld zijn, zijn : Daniël 1 vers 11—16 ; 2 vers 31—35 ; 3 vers 16—18 ; 4 vers 28—33 ; 5 vers 25—28 ; 6 vers 20—23 ; 7 vers 2—14 ; 8 vers 2—12 ; 9 vers 24—27 ; 10 vers 12—14, 20, 21 ; 11 vers 21, 31—36 en 12 vers 1—4.

De Uitgever bezorgde ons een mooi boekje met preeken, die zeker van beteekenis zijn voor predikanten, maar ook voor gemeenteleden, die van dergelijke preeken houden. Het Boek Daniël is dichter bij ons gekomen.

NAAR DE DIEPSTE WERKELIJKHEID, door dr. J. D. Dozy. Uitgave : H. J. Paris, Amsterdam.

Als we ons niet vergissen, is dr. Dozy voorzitter van de Vereeniging „Alle-dag-kerk" te Amsterdam. En als we ons verder niet vergissen, is hij iemand, die vroeger vreemd stond tegenover de waarde en de beteekenis van het Christelijk geloof, maar is daarna tot een diepere levensbeschouwing gekomen en van harte levend nu uit het Evangelie van Jezus Christus. Nu gaat dr. Dozy volstrekt niet vertellen over zich zelf ; er zijn belangrijker dingen dan de mensch. Hij wil dan ook dat de persoon van den Schrijver zooveel mogelijk op den achtergrond zal blijven. En dat maakt dit keurige boekje des te belangrijker, 't Gaat over de groote Christelijke waarheden als verlossing, verzoening, enz. En waar de Schrijver weet, dat dit voor vele menschen totaal vreemde dingen zijn en voor anderen niet meer dan begrippen, daar is het hem een vreugd er over te schrijven, omdat ze nu voor hem leven. Hij is zelf gekomen tot dieper inzicht en beter verstaan van de Evangelie-verkondiging (zoo luidt dan ook de ondertitel van dit boekje) en warm en levendig schrijft hij nu over God, de Schepping, de Wet der tien geboden, de profeten, de twijfel, de hoop, het Nieuwe Testament, de liefde Gods, de zonde, de beteekenis van Jezus Christus, enz. Terwijl aan het slot enkele kleine beschouwingen en verhandelingen staan („Enkele Opmerkingen" heet het) over : De Bijbel centraal, de gemeenschap der Christenen, gebruiken vol beteekenis, het kruis, het symbool, de goed doordachte godsdienstoefening ; het gebed, het voornaamste.

De dogmatische onderwerpen zijn : Algemeene genade, het Oude Verbond, Algemeene openbaring, Bijzondere openbaring in het O. T., Grenzen van deze Openbaring in het O.T., Heilsverwachting in het O.T., Het Nieuwe Verbond ; Jezus Christus, de Middelaar Gods en der menschen; De Heilige Geest, als derde persoon der Triniteit, de Verzoening, de Verlossing, Wedergeboorte en Heiligmaking ; De Heilige Geest ; de Booze ; De Eenigheid ; De Bijbel ; De Kerk ; de Sacramenten ; Het Kruis ; De Godsdienstoefening ; Het Gebed. Het gaat dus over leer en leven van den Christen, waarbij vele mooie opmerkingen worden gemaakt.

Al is het geen Geref. Dogmatiek, zoo is het een mooi, fijn boekje, tot beter verstaan der Evangelieverkondiging opgesteld. De Uitgever verzorgde het uitnemend.

ONDER DE BEKORING VAN KOHLBRUGGE EN ZIJN VRIENDEN (de leer der heiligmaking) door ds. H. J. de Groot, Ned .Herv. pred. te Voorst. Uitgave : G. F. Callenbach, Nijkerk.

Dit boekje is no. 14 van de Serie „Onze tijd" en is geschreven door ds. H. J. de Groot, die ons den laatsten tijd verrast met het ééne geschrift na het andere. Dit boekje is een kolfje naar zijn hand. Het „ligt" hem buitengewoon. Want 't bleek immers in zijn bijbellezingen over Ruth — om nu van zijn boek „Schaap en bok in één hok" maar te zwijgen — dat hij een overtuigde vijand is van al die wettische goede werken, waardoor de vrome mensch een sierlijk kleed van eigengerechtigheid meent te kunnen verdienen. Hij is een overtuigd Kohlbruggiaan, die ons nu in dit boekje smakelijk komt vertellen hoe hij dat geworden is. Zijn Groningsche periode als student, zijn Zondagavond-kerken in Leiden toen hij dominé in Zoeterwoude was (een mooie beschrijving geeft hij van ds. Oberman Sr., predikant in de Sleutelstad !) en geeft dan zelf een warm getuigenis van de leer der heiligmaking, of heiliging, zooals hij die gevonden heeft in den Bijbel en in den Catechismus. Scherp zegt hij dan : „Die tegen Kohlbrugge de tong gespitst hebben, hebben dat gedaan, zich niet kunnende vinden in de Schriftuurlijke leer der heiligmaking" (blz. 33). Tegelijk gaat hij dan op de kern van de dingen in en zegt dan : „mij dunkt, dit kan ik wel niet beter doen, dan door het woord te geven aan den heiligmakingsman, die de eeuw na de Hervormingseeuw zoowat gedomineerd heeft in onze Vaderlandsche Kerk : den vromen (die eer moet ik hem laten) Jodocus van Lodensteyn. Hier is hij dan, ten voeten uit ; de man van ons Evangelisch Gezang 62, waaraan zoovelen, zelfs in Confessioneel Friesland, nog lang niet afgestorven zijn". Hij schrijft dan dat Gezang heelemaal uit, „hoewel hij het een zuur stuk werks" vindt, om dat te doen, een „harde knoers". „Hier hebben wij de heiligmaking in folio. Hier worden onze geliefde Christenen te werk gezet" (blz. 38). „En dan te moeten bedenken, dat het nog maar net een eeuw geleden was, dat de Hervorming glorieus was doorgebroken" (blz. 40). Neen, dan Revius ! En dan vr. en antw. 60 van onzen Catechismus : „Hoe zijt gij rechtvaardig voor God ? " enz. „Is dat geen gezonde boschlucht en berglucht ? met de prikkeling daarin van den harsgeur der dennen; en dien zuiverenden adem, waar de hooge winden onophoudelijk waaien, die de gansche atmospheer rein en helder houden ? Het ver1eden, zegt de Catech., is verzondigd ; er komt niets van terecht ; neem u zelfs de moeite niet, daar nog éénig ding van te willen goedpraten. En werp u evenmin op de toekomst; als zoudt gij ook nog de geringste kans hebben, om, hetgeen gij zoo lang u heugt hebt krom getrokken, nog weer te kunnen recht buigen. En nochtans treedt Christus voor u in ; helpt u ; redt u ; bevrijdt u van het kwaad geweten, voor heden, verleden en toekomst". „Ja, dat is de lucht der bosschen en der bergen. Zelve gezond ; ons gezond makend en houdend" (blz. 45). „Toen is het Piëtisme gekomen, met gedroogde bloemen tusschen vloeipapier — inplaats van de levende bloemen, die groeien op de bergen".

Op blz. 48 begint ds. De Groot dan over „heilig" te spreken ; „heilig — wat is dat ? en : heiligmaking — wat wil dat ? " „Heiligmaking ; een eigen werk Gods ; evenzeer als de rechtvaardigmaking ; niet een werk van menschen" (blz. 52). Dan spreekt hij over Catech. Zondag 6 vr. en antw. 18. „En nu vraag ik u: heiligmaking, is dat een iets, of is het een iemand? is het een ding, of is het een levende Persoon ? "

„Houd nu den Catechismus in uw gedachten. En verklaar, aan de kinderen der gemeente : onze wijsheid — is Hij; onze rechtvaardigheid — is Hij; onze volkomen verlossing — is Hij; Hij is er ons, van God, toe geschonken. En dan : onze heiligmaking — is Hij; en alzoo leeft die heiligmaking" (blz. 52—53). „Onze heiligmaking — is de levende Heer uit de hemelen".

Zelf voelt ds. De Groot, dat hier de vraag gedaan kan en zal worden : raken wij, op deze manier, niet in gevaar, om die twee : rechtvaardigmaking en heiligmaking, dooreen te hutselen ? met elkaar te verwarren ? de ééne is toch de andere niet ? er is immers onderscheid ? de rechtvaardigmaking komt eerst, daarna volgt de heiligmaking? (blz. 53). En dan geeft hij een breede bespreking van Psalm 32. „En zóó teekent Psalm 32 het goddelijk werk, het Heilige Geest-werk- der heiliging ; dat uit het werk der rechtvaardiging voortvloeit ; en dat den genadestroom behoedt voor weg-ebben ; voor vervlieten in het zand" (blz. 55). „Zie, dat is heiliging. Zóó heiligt ons de Heilige Geest. Zet ons apart. Trekt ons uit deze tegenwoordige booze wereld. Houdt ons bij genade. Houdt ons bij God".

„En nu kom ik nóg weer eens terug op Kohlbrugge. Hij, in diepe wegen, worstelend met zooveel verwarrende problemen, hij vond datgene, waar heel die geestelooze tijd tegenaan bungelde en slungelde : het zalig geheim van de troostrijke leer der heiliging" (blz. 56).

De Heere onze gerechtigheid — onze Heere Jezus Christus, die ons van God geschonken is tot — heiligmaking, en tot eene volkomene verlossing. Dat is iets anders dan zoetelijk te zingen : „tot ik, als Gij, geheel volmaakt en heilig zij".

Zoo'n vers — zegt ds. De Groot — kon gemaakt zijn door ds. Soetemelk, Dirk Timanszoon Soetemelk. (blz. 38).

Kohlbrugge leefde bij vr. en antw. 50 van den Catechismus, „nochtans God — zonder eenige mijner verdienste — uit louter genade — mij de volkomene genoegdoening, gerechtigheid èn hei1ig- heid van Christus schenkt en toerekent".

Zoo is dan „de heiligheid net zoo min als de gerechtigheid, iets, dat wij, met bestdoen, opklimmende met trappen, omhoogworstelende, onszelven te verwerven hebben — maar dat ons geschonken wordt en toegerekend. „En hier werden Kohlbrugge de gordijnen uiteengeschoven !" (blz. 58).

GEBEDEN VAN CALVIJN, Nederlandsch van ds. A. G. Barkey Wolf. Uitgave : D. A. Daamen, Den Haag.

In een onbesmet bandje, royaal formaat, mooi papier met typisch kleine, duidelijke letter, ligt hier een boekje voor ons, waarin ons Gebeden van Ca1vijn worden voorgelegd, in onberispelijk Nederlandsch overgezet door ds. Barkey Wolf van Den Haag. Het zijn gebeden die na de bijbe1- lezingen door Calvijn uitgesproken zijn en dan ook nauw aansluiten aan het Schriftgedeelte (dat in dit boekje ook genoemd wordt). Het is een verkwikking deze korte gebeden (ze zijn telkens heel kort, waarin de groote Hervormer ons ook weer tot voorbeeld kan zijn) te lezen. Naast de bede, die telkens door klinkt : „wi1 ons schenken, dat Uw Naam door héél ons leven verheerlijkt wordt" is er altijd ook een heilig heimwee om „tot het einde toe vast te houden aan het heil, waartoe Gij ons roept en dat voor ons bereid is in den hemel, door onzen Heere Jezus Christus".

Het is opmerkelijk, dat Ca1vijn altijd bij deze twee dingen leefde : Gods Naam verheerlijken in heel ons leven, overal en altijd — en dan : uitzien naar de heerlijkheid, die ons in den hemel bewaard wordt.

Ds. Barkey Wolf zegt daarvan : herhaaldelijk komt het woord „totdat" in de gebeden van Calvijn voor. „Totdat wij onzen strijd gestreden hebben" ; „totdat wij onzen loop geëindigd hebben" ; „totdat wij eindelijk het doel bereikt hebben in de eeuwige heerlijkheid, waarvan wij de eerste beginselen reeds hier op aarde voor onszelf smaken mogen, door Jezus Christus onzen Heere".

„Dit woord „totdat" is typeerend ; het toont duidelijk aan, dat, Calvijns geest onder het bidden steeds eschatologisch gericht was en dat de „hoop" der heerlijkheid een levend ding voor hem was. Van uit de geschiedenis die behandeld wordt dwaalt de blik van zijn geest over het heden van zijn eigen èn van onzen tijd, totdat hij haar doet rusten op de toekomst des Heeren, een toekomst, waarnaar hij bij tijden met zijn geheele hart verlangde". Luister maar eens naar het laatste gebed (na bespreking van Ezechiël 20 : 40—44 : „Omdat wij een gegronde hoop hebben, zijn wij reeds den voorhof onzer eeuwige erfenis binnengetreden. Wij weten, dat ons een plaats in den hemel bereid is, daar Christus, ons Hoofd, als Eersteling onzer verlossing, daar is. Geef ons dan, o almachtige God, dat wij steeds weer ons benaarstigen op het pad van Uw heilige roeping, totdat wij eindelijk het doel bereiken in gindsche heerlijkheid, waarvan Gij ons het begin reeds hier op aarde te genieten geeft, door Christus, onzen Heere".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

RONDOM DE LEESTAFEL

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's