KERKELIJKE RONDSCHOUW
CHRISTENDOM EN HUMANISME--CALVIJN EN DE KUNST--DE NOODZAKELlJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (10)--DE KWESTIE DER REORGANISATIE--AFSCHAFFING DER KIESCOLLEGES
CHRISTENDOM EN HUMANISME
Men spreekt tegenwoordig graag van Christelijk humanisme. Maar dat is zooiets als een vierkante cirkel. En een cirkel is geen vierkant, terwijl een vierkant geen cirkel is. Zoo grijpt men naar het onmogelijke. En dat komt, omdat men eigenlijk het humanisme wil hebben en vasthouden (en niet het Christelijke), maar omdat men er bedrogen mee uitgekomen is, zoekt men naar iets anders, terwijl men het humanisme toch eigenlijk beschouwt als z'n schat. De mensch wil den mensch vasthouden en die mensch moet het dan doen, terwijl de mensch 't niet kan doen, vroeger niet en nu niet en nooit in de toekomst. Omdat de mensch een zondaar is. Maar dat ontkent men juist, en daarom komt de rekening niet uit. Het is en blijft één groote mislukking en één groote bittere teleurstelling, waarmee de humanistische bouwlieden leelijk verlegen zitten. Het gebouw stort telkens weer in, omdat het geen fundament heeft ; men bouwt altijd weer op zand, en dan op drijfzand, dat al heel wat mooie plannen heeft doen mislukken.
Een aardig stukje schreef ds. James, van Rotterdam (Delfshaven) in de Rotterd. Kerkbode, met het opschrift : Nellie van Kol en het Humanisme.
Hij wijst op de geestelijke omkeering, die bij deze merkwaardige vrouw, weduwe van den bekenden Van Kol, den Socialist, plaats greep ; wat weer uitkomt in wat ze schrijft in haar proza en in haar lied. Gewezen wordt dan op haar korte, veelzeggende kernspreuken, op haar Aphorismen.
Wanneer men de eerste uitgave van haar Aphorismen (vóór haar bekeering) legt naast de tweede (nu zij een geestelijke omkeering doorleefd heeft) bemerkt men een groot verschil. En dat verschil kunnen we typeeren met de woorden Humanisme en Christelijk geloof. Eerst was zij humaniste, nu is zij een Christin !
Toen de Wereldbibliotheek de tweede uitgave ter perse legde, vroeg zij verlof hier en daar veranderingen te mogen aanbrengen. „Zij behoefde zich" — zegt ds. James, die ons deze dingen vertelde — „voor dit boekje niet te schamen. Maar het was onder den titel van : „Graankorrels" ter perse gegaan in een tijd, waarvan zij zelf zegt, dat ze niet mee" dan humanisme had te geven, een tijd, waarin zij, hoewel de duisternis niet liefhebbend en zoekende naar het licht, in den nevel rondtastte. De dagen van het humanisme in haar hart, waarin de weemoed van het agnosticisme een floers wierp over de blijmoedigheid van het „goede weten" en het „nuttig werkzaam zijn.
Bij de tweede uitgave moest zij bekennen, dat zij zoo bitter weinig waarde hechtte aan het tijdperk uit haar leven, dat achter haar lag als iets afgeslotens, iets, dat haar niet meer aanging — en een herdruk begeerde zij dan ook niet. Zij was zelf veranderd, van binnen veranderd, en nu wilde zij ook graag veranderen, althans hier en daar, wat zij als humaniste vroeger had geloofd en beleden.
Zij heeft van de gelegenheid tot veranderen ruim gebruik gemaakt en we moeten bewonderen de vrijmoedigheid, waarmee zij dat gedaan heeft, er gaarne getuigenis van gevend dat het humanisme, met het „goede weten" en het „nuttig werkzaam zijn" niet is te vergelijken met het geloof van een Christen.
Telkens komt zij in een noot terug op wat zij had geschreven en ieder van die aanteekeningen is een kloek gegeven getuigenis, van een geloovige vrouw, die iets nieuws, iets anders, iets beters heeft ieeren kennen !
Ds. James noemt dan een voorbeeld. Aphorisme 62 luidt volgens den oorspronkelijken tekst : Eén ding is noodig : het geloof aan het onverwoestbaar goede in den mensch. Kweek dit aan en uit dien wortel zullen allengs wonderbare bloesems opbloeien in uw zieleleven".
Hier is de echte humaniste aan het woord. Maar de Christin Nelly van Kol teekent nu bij deze levensspreuk het volgende aan :
„Ik denk daar nu anders over. Ik veroordeel niemand, denk gaarne het beste van iedereen, maar de menschelijke natuur vertrouw ik niet meer zoo onvoorwaardelijk. Eerst de nieuwe, in Christus herboren mensch verstaat, hoe diep verdorven de oude Adam is, al ziet hij er op het oog heusch nog zoo kwaad niet uit".
„Juist door deze wijzigingen" — zegt ds. James — „is dit boekje een stille evangelist in kringen, die anders niet door en met het Evangelie werden bereikt.
Nu het trotsche gebouw van het moderne humanisme zoo radicaal onder den voet geloopen wordt, leek het ons gewenscht dit getuigenis van de Christin even door te geven".
CALVIJN EN DE KUNST
Er is een studie verschenen van Léon Wencelius ,,L'esthétique de Calvin", met honderden citaten uit Calvijn's werken, om te bewijzen, dat Calvijn en het Calvinisme oog en hart heeft gehad voor de kunst. Prof. dr. H. H. Kuyper betreurt het, dat nog geen Hollandsche vertaling van deze studie is verschenen.
De Roomsche dr. Jop Pollmann heeft nu ook een studie gewijd aan Calvijn's Aesthetica, en noemt dit geschrift „een daad van rechtvaardigheid". Want dr. Pollmann heeft het in vroeger verschenen geschriften uitgesproken, dat noch bij Calvijn, noch bij het Calvinisme plaats was voor de kunst. Wat vroeger door dr. A. Kuyper in zijn Rectorale oratie over het Calvinisme en de kunst, door E. Doumergue over L'art et le sentiment chez Calvin en door anderen geschreven was, hadden hem in deze meening niet geschokt. Eerst de magistrale studie van Léon Wencelius had hem onontkoombaar gedwongen tot eene herziening van zijne meening. En nu schrijft hij dan ook :
„We zien voor ons een reformator, die waarlijk niet blind is voor schoonheid ; die de waarde van het schoone, ook wanneer het niet direct nuttig is, terdege beseft ; die aan den kunstenaar richtlijnen gaf, welke aan zijne werken slechts ten goede kunnen komen. We zien een gansch anderen Calvijn, dan we ons wel hadden voorgesteld".
Zoo wordt hier Calvijn door een Roomsche schrijver gerechtvaardigd tegenover een helaas ! algemeen verspreide meening, dat Calvijn en het Calvinisme van kunst niets willen weten.
„Een openhartige erkentenis van ongelijk, waarvoor we te meer dankbaar zijn" — aldus prof. dr. H. H. Kuyper — „omdat ze helaas in eigen kring zoo goed als nooit gevonden wordt, hoe tastbaar ook het ongelijk, dat iemand heeft, hem aangetoond wordt".
Van de inhoud van dr. Pollmann's brochure zegt prof. Kuyper, dat achtereenvolgens behandeld worden : Calvijn en de kleeding, Calvijn en de dans, Calvijn en het tooneel, Calvijn en de beeldende kunsten, Calvijn en de muziek (waaronder het kerkgezang), Calvijn en het volksvermaak op Zondag, om dan te eindigen met te wijzen op de tegenstelling tusschen Calvijn en het Calvinisme, zooals dat zich in ons land later ontwikkeld heeft.
Wij hebben zelf de brochure van dr. Pollmann nog niet gelezen, maar het komt ons voor, dat het de moeite loonen zal, om dat geschrift straks eens ernstig door te nemen, tot de laatste bladzijde toe.
En we hopen, dat er spoedig iemand gevonden wordt, die van de studie van Léon Wencelius ons een vertaling in de Nederlandsche taal bezorgt. Hij (of zij) die het doet, zal zeker de dank van velen inoogsten.
DE NOODZAKELlJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (10)
Het verlangen naar het toekomende leven. Over drie dingen in verband met het toekomende leven spreekt Calvijn, en wel : 1. de noodzakelijkheid daarvan, het kan en mag niet gemist worden in het leven van den Christen ; 2. maar dan is er een heilig, doch ook een onheilig verlangen, en 3. vrees voor den dood.
Eerst dus over de noodzakelijkheid daarvan. Welke ook de verdrukking is, die ons kwelt, steeds moeten wij indachtig blijven, dat wij moeten leeren dat aardsche leven te verzaken en onze blik moeten slaan naar het toekomende leven. Maar de Heere weet, hoezeer we aan dit aardsche leven gehecht zijn en blijven en Hij wil toch niet, dat wij er geheel in op gaan en ons aan de dingen, die beneden zijn, vergapen.
De wereldzin zit er diep in bij ons allen. We haken naar geld en eer en macht en om dit kwaad tegen te gaan, dat we niet geheel in de strikken des vleesches verward zullen raken, komt de Heere de Zijnen bij voortduring er aan herinneren aan de ijdelheid van dit tegenwoordige leven. En opdat zij zich geen diepe, ongestoorde rust in de wereld voorspiegelen, laat Hij hen vaak verontrusten door oorlog, rampspoed, en verdriet. Dan konen onvruchtbare jaren, brand en schade, opdat wij ons niet al te rustig overgeven aan de vreugde van het gezinsleven of aan den ijver bij onzen arbeid. Hij doet ons genieten van onze kinderen en kastijdt ons tegelijk, opdat we alle dingen, ook 't liefste, zullen waardeeren, zooals God het wil. Hij leidt ons en de onzen door gevaren van ziekte en dood, opdat we bij iets anders zullen leven dan de tijdelijke dingen en ons zullen uitstrekken in geloof en liefde naar het toekomende leven. We mogen niet indommelen hier, en dan eerst vorderen wij dus goed in wijsheid door de tucht des kruises, wanneer wij Ieeren verstaan, dat dit leven vol onrust en ongestadigheid is, om ons zoo te doen verstaan, dat de wereld voorbij gaat met al haar heerlijkheid en wij hier geen blijvende plaats hebben, maar op reis zijn naar de eeuwigheid. Hier hebben we ten slotte niets te verwachten, maar we zullen onze oogen moeten opheffen naar den hemel, om te jagen naar de kroon der overwinning en zaligheid. Want dit moeten wij steeds voor oogen houden, dat onze ziel zich nimmer met ernst tot de gedachte aan en het verlangen naar het toekomende leven verheft, als zij niet eerst vervuld is van de erkenning der nietigheid van het aardsche leven.
Indien wij nu begeerte hebben naar het eeuwige leven, moeten wij ons zorgvuldig er op toeleggen ons uit al de strikken van het aardsch begeeren los te maken. Doch omdat het aardsche leven veel schoons bezit, waardoor het ons bekoort en waardoor het ons streelt, is het van het grootste belang, dat wij onophoudelijk worden vermaand om ons door de verlokkingen des levens niet te laten misleiden. Wat toch zou er het gevolg van zijn, wanneer wij ons hier baadden in een stroom van onafgebroken geluk en genot, en niet door den gedurigen prikkel van het lijden werden aangespoord om de nietigheid des levens te bedenken ? We weten allen, dat alles is als rook en damp, en toch wordt niets ter wereld minder behartigd en lichter vergeten. Wij zijn zoo met de dingen bezig, alsof wij altijd hier op aarde willen blijven. We weten bij tijden fraai te filosofeeren over de vergankelijkheid van het leven, maar intusschen hangen we met geheel ons hart daaraan. En we hebben ons nog niet afgekeerd van het graf, waarin een ander is neergelaten, of we spoeden ons heen naar het aardsche leven, om als 't ware weer opnieuw daarmee te beginnen. Wij vergeten dan niet alleen den dood, maar ook dat wij sterfelijk zijn en wij vervallen tot diepe zorgeloosheid bij onze droomen van aardsche zaligheid. En als ons dan eensklaps het oude lied wordt voorgezongen, dat de mensch een schepsel is van één dag, dan stemmen wij dit toe — maar niettemin blijft ons hart gehecht aan dit leven.
Wie kan dus ontkennen, dat het van de grootste beteekenis is voor ons, niet enkel met woorden, maar met ons geheele hart toe te stemmen, dat dit leven een hand breed gesteld is, en dat het ware leven niet beneden, maar boven is, waar Christus is.
Indien God het dus noodzakelijk acht ons telkens te leeren, dat deze wereld voorbij gaat en dat alle aardsch bezit vergankelijk is, dan is het onze dure plicht te luisteren naar de stem des Heeren, die ons uit onzen slaap wil wekken, opdat wij de wereld verzaken en al onze gedachten wijden aan het toekomende leven.
(Wordt voortgezet.)
DE KWESTIE DER REORGANISATIE
Ds. E. van Meer, van Utrecht, schrijft het Jaaroverzicht in Jaarboek voor de Ned. Hervormde Kerk en zegt daar dan heel kort het volgende van de zaak der Reorganisatie, zooals die het vorige jaar aan de orde was :
„Er was (op de Synodale tafel) een Voorstel, opgemaakt in overleg met de zes kerkelijke hoogleer aren en gebaseerd op de wenschen, die in 1938 vanuit de Kerk waren kenbaar gemaakt. Het presbyteriaal-synodaal karakter der Kerk kome beter tot zijn recht ; in de plaats van vaste Besturen moeten vergaderingen van ambtsdragers komen.
Ook worde de leer der Kerk losgemaakt uit haar omknelling in Art. 11 Algem. Regl.
De Commissie ad hoc sprak met nadruk als haar overtuiging uit, dat de Kerk, evenmin als haar Hoofd, Jezus Christus, gekomen is om te verderven. Zij is er om te behouden. Het is derhalve niet te doen om gewelddadige uitdrijving van vertegenwoordigers van welke richting ook, maar om het heilig houden van de Boodschap der Kerk.
2. Prof. de Vrijer verklaarde in een afzonderlijk schrijven, dat de Belijdenis niet allereerst moet worden hervormd, doch gehandhaafd. De kern der belijdenisschriften is niet moeilijk aan te wijzen en geeft de demarcatielijn aan, die de twee groote fracties in de Ned. Hervormde Kerk scheidt. Staat de Belijdenis niet a priori en centraal vast, zoo werken de samensprekingen weinig uit. De formeele reorganisatie kan nuttig zijn, maar kome aan de orde, als wij elkaar op het stuk der Belijdenis hebben gevonden.
3. Ds. Gravemeijer meende, dat begonnen moet worden met de „Groote Synode". Deze brengt wel niet de reorganisatie, waarop wij biddend hopen, maar dan was toch de eerste stap gezet om te komen „tot losmaking van de strakke bestuursbanden, waarin de Kerk gebonden ligt".
4. Tenslotte was er een Voorstel van dr. Oorthuys, om een Reorganisatie-Commissie te benoemen, die een Kerkorde ontwerpe, die in overeenstemming is met het wezen der Ned. Hervormde Kerk, gelijk dit ligt uitgedrukt in de Drie Formulieren van Eenigheid en in de Dienstboeken der Kerk. Deze Commissie geve daarbij acht op het rapport der kerkelijke hoogleeraren en op de beschouwingen van prof. De Vrijer.
Geen enkel voorstel heeft bij de stemmingen een meerderheid kunnen verkrijgen.
Vroeger is over de kwestie van de „Groote Synode" ook door ons meer dan eens gesproken en is het in het midden van onzen Gereformeerden Bond meer dan eens behandeld. Wij herinneren aan een Voorstel „Groote Synode", in een uitgewerkt reglementair plan, dat door de Classis Harderwijk in 1927 is ingediend. De onderteekenaars waren toen : ds. J. J., Timmer, Ermelo ; ds. J. Klomp, 0ldebroek ; ds. J. van Amstel, Putten ; ds. J. H. Th. Rappard, Barneveld ; ds. A. F. P. Pop, Vaassen en ds. L. van Mastrigt, Harderwijk.
KERKOPBOUW - en SCHRIFT en KERKORDE
Als ds. Van Meer, van Utrecht, in zijn Jaaroverzicht handelt over Vereenigingen en Vergaderingen, noemt hij — natuurlijk — óók de Vereeniging „Kerkopbouw". En hij zegt dan:
„Kerkopbouw" heeft als grondslag voor de nieuwe actie een rapport aanvaard, opgesteld door prof. dr. Ph. Kohnstamm, prof. dr. G. Sevenster en ds. W. A. Zeydner. Voorts stelden de hoogleeraren Brouwer, Sevenster en Wagenaar een rapport samen over „Schrift en Kerkorde".
Om de belangrijkheid (aldus ds. Van Meer vinden de hoofdgedachten hier een plaats :
„Bij de beantwoording van de vraag naar „Schrift en Kerkorde" moeten allereerst zorgvuldig de uitspraken der Schrift naar haar oorspronkelijke bedoeling worden nagegaan. Hierbij mag alleen het Nieuwe Testament, al is dit van het Oude niet te isoleeren, den doorslag geven. Daarom moet afgezien worden van zulk een verband tusschen Staat en Kerk, waarbij niet de volledige vrijheid der Kerk in geloofszaken wordt erkend.
De Heere Jezus heeft wel een eigen gemeenschap gevormd, de ecclesia van Matth. 16 vers 18, maar daaraan niet een bepaalde organisatie gegeven. Uit niets blijkt, dat Petrus een bijzondere machtspositie heeft ingenomen. De Apostelen hebben echter uit Mattheüs 23 vers 2—8 niet afgeleid, dat Jezus geen Kerkorganisatie zou gewild hebben.
Uit de verdere gegevens van het Nieuwe Testament blijkt, dat het niet ééne bepaalde Kerkorganisatie is, die zich met een beroep op de Schrift kan rechtvaardigen. Zoowel een presbyteriale als een episcopale en een bestuurlijke Kerkorde zijn uit de Schrift te verdedigen.
De ambten blijken diensten te zijn, die niet tot een drietal liehoeven te worden beperkt. Ook de vrouw verrichtte volgens den Bijbel kerkdijken arbeid ; haar daarvan uit te sluiten is onbijbelsch.
Reeds in de oudste Christenheid is een duidelijke differentiatie in leeropvatting aan te wijzen. De Kerk erkenne daarom binnen ruime grenzen de onvermijdelijkheid van differentiatie in de verkondiging.
Wat de algemeene Kerk betreft : de presbyteriaal-Synodale Organisatie kan wel uit de algemeene beginselen van den Bijbel worden afgeleid ; maar hiervoor kan Hand. 15 geen dienst doen.
Het belijdend karakter van de Kerk moet beter tot uitdrukking worden gebracht dan tot heden geschiedde, maar men wachte zich voor vereenzelving van haar belijdenis met de voor vier eeuwen opgestelde belijdenisgeschriften, die op velerlei punten voor andere formuleering vatbaar te achten zijn.
Het streven om te heerschen, hetzij door oudsten, hetzij door een Synode, hetzij door een bisschop is onbijbelsch.
AFSCHAFFING DER KIESCOLLEGES
De Classicale Vergadering van Deventer wilde de Kiescolleges afgeschaft zien en diende daartoe een voorstel in bij de Synode van 1939. Het verzoek kwam echter niet in behandeling, daar Deventer 1. verzuimde motieven voor haar wensch op te geven en 2. ook geen aanwijzing gaf, welke wijzigingen alsdan in de reglementen zouden moeten worden aangebracht.
Het lid der Synode Wolffensperger diende daarna een voorstel in, tot wijziging van Art. 23 Algem. Reglement e.a., beoogende de afschaffing der Kiescolleges ; en de Synode heeft een Commissie benoemd om deze zaak nader te bestudeeren.
Wij zijn benieuwd of er straks nog iets uit handen van deze „studie-commissie" zal komen en zoo ja, in welke richting dan een eventueel voorstel zal gaan.
Wij hebben vroeger wel eens de wensch uitgesproken, dat de Kiescolleges de Kerkeraadsleden zullen benoemen en dat de Kerkeraad het beroepingswerk zal verzorgen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's