UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' Brief aan de Galaten.
De apostel onderwijst Petrus, dat de rechtvaardiging alleen geschiedt uit het geloof : niet uit de werken, vers 15—21. (V).
Hoofdstuk II.
Vervolg vers 17.
Men lacht ons, die zoo naarstig bezig zijn met het inscherpen van en aandringen op geloof, uit, zeggende : ha, ha ; geloof, geloof ? : wacht daar maar mee, totdat ge in den hemel komt. Streef maar naar hoogere dingen. Vervul liever de Wet Gods, gelijk geschreven staat : doe dat, en gij zult leven. Ge moet veel lijden ; uw bloed uitstorten; uw huis verlaten, benevens uw vrouw en kinderen ; ge moet Christus' voorbeeld navolgen. Uw geloof, waarvan ge zoo hoog opgeeft, maakt de menschen verzekerd, lui, en slaperig.
Wie echter zoo spreken, worden zonder meer dienaren der Wet en werkers van eigen gerechtigheid, die van Christus tot Mozes vervallen, en het volk terugroepen van den doop, het geloof, en de beloften van Christus tot de Wet en de werken.
Zou men wel ooit hebben kunnen gelooven. dat de Wet en de genade zoo gemakkelijk kon worden vermengd ? Niemand is toch zóó dom, dat hij niet zonder moeite het onderscheid tusschen deze beide zou kunnen inzien. Daarom is het een zonderling verschijnsel, dat men, alhoewel het onderscheid zeer duidelijk in het oog springt, vervalt tot de duivelsche dwaling om de Wet en de genade te vermengen, en Christus om te vormen tot een Mozes. Toch zeg ik dikwijls, dat deze leer aangaande het geloof zeer gemakkelijk is, en dat het onderscheid tusschen Wet en genade licht te verstaan is ; althans voor zoover het op woorden aankomt. Wat de toepassing der leer betreft in de praktijk van het dagelijksch leven, is de kwestie uiterst moeilijk.
De paus en de scholastieke doctoren zeggen ook openlijk, dat de Wet en de genade onderscheiden zijn, maar in de praktijk blijkt, dat zij het tegenovergestelde gevoelen toegedaan zijn. Het geloof in Christus, zoo zegt de paus, hetzij dit verkregen wordt door eigen kracht, activiteit en natuurlijke vermogens, hetzij dit door God ingegoten wordt, is dood, tenzij de liefde er bij kojiit. Waar blijft nu op deze wijze de onderscheiding tusschen Wet en genade ? In naam maakt de paus weliswaar verschil, maar als het er op aankomt, noemt hij de genade „liefde".
Zoo kennen alle drijvers van de Wet aan eigen werken de gerechtigheid toe. En allen, die het stuk der rechtvaardigmaking niet goed vasthouden, verliezen noodzakelijkerwijze het onderscheid tusschen de Wet en de genade uit het oog.
Door deze leer te verduisteren, miskennen allerlei dwaalgeesten in dezen tijd de weldaad van Christus. Zij ontnemen Hem de eer van Rechtvaardigmaker, en maken Hem tot een dienaar der zonde. Niets dan woorden opzeggen hebben zij dus van ons geleerd, want de zaak waarom het gaat kennen zij niet. Wel willen zij er voor aangezien worden, dat zij het Evangelie en het geloof in Christus zuiver leeren, evenals wij, maar wanneer het op de toepassing aankomt, dan zijn ze leeraars der Wet, in alle opzichten gelijk aan de valsche apostelen.
Wanneer Paulus schrijft : „indien wij, die in Christus zoeken gerechtvaardigd te worden, ook zelf zondaars bevonden worden", dan is het als wil hij zeggen : indien wij, die in Christus gerechtvaardigd zijn, nog gehouden worden voor menschen, die niet gerechtvaardigd zijn, dus voor zondaren, die alsnog door de Wet gerechtvaardigd moeten worden, dan volgt daaruit, dat wij de rechtvaardigmaking niet in Christus kunnen zoeken, maar in de Wet. Geschiedt de rechtvaardigmaking echter door de Wet, dan geschiedt zij niet door de genade. En wanneer dit laatste zoo is, — wat heeft Christus door Zijn lijden, Zijn prediking en Zijn overwinning over de zonde en den dood dan uitgericht ? Als ook door het zenden van Zijn Heiligen Geest ? Bijgevolg worden wij dus óf door Christus gerechtvaardigd, óf wij worden door Hem tot zondaren of schuldenaars gemaakt. Rechtvaardigt de Wet, dan is er niet aan te ontkomen, of wij worden door Christus tot zondaren gemaakt ; Christus is dan ook een dienaar der zonde. We zouden het dan aldus kunnen zeggen : ieder, die gelooft in den Heere Jezus Christus, is een zondaar, en is den eeuwigen dood schuldig, en wanneer hij niet zijn toevlucht neemt tot de Wet, en haar werken doet, kan hij niet zalig worden.
De Heilige Schrift, vooral het Nieuwe Testament, scherpt overal evenwel het geloof in Christus in, en het predikt dat alom. „Wie in Hem gelooft", zegt het Woord, „wordt zalig, en heeft het eeuwige leven". (Johannes 3 vers 16).
Anderen daarentegen zeggen : wie in Hem gelooft, wordt verdoemd, want zulkeen heeft een geloof zonder de werken, hetwelk ten verderve voert.
Deze lieden keeren echter alles onderstboven ; Christus maken zij tot een verderver, en uit Mozes fabriceeren zij een zaligmaker. Want is het niet een onuitsprekelijke godslastering, wanneer geleerd wordt: wanneer gij de Wet en haar werken betracht, dan zijt gij het eeuwige leven waardig ; gelooft ge echter in Christus, dan zijt ge den eeuwigen dood schuldig ; het houden der Wet maakt zalig, doch het geloof in Christus veroordeelt.
Onze tegenstanders gebruiken deze woorden wel niet, maar metterdaad leeren zij toch zoo, door te beweren, dat het ingestorte geloof niet van zonde verlost, doch het geloof, dat uit liefde bestaat, waaruit volgt, dat alleen het geloof in Christus, zonder de Wet en de werken, niet zalig maakt. Zoodoende rechtvaardigen de werken, en niet het geloof. De gruwel van deze vergaande godslastering is groot.
Paulus redeneert in dezen tekst uit het onmogelijke en ongerijmde, door te zeggen : wanneer wij, die in Christus gerechtvaardigd zijn, nog zondaars bevonden worden, die niet door Christus, maar door iets anders gerechtvaardigd moeten worden, namelijk door de Wet, dan volgt daaruit, dat Christus niet rechtvaardigen kan. Hij klaagt ons dan aan, en veroordeelt ons dan. Hij is dan ook voor niets gestorven, en teksten als deze: „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt", en : „Wie in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven", ja heel de Heilige Schrift, welke betuigt, dat Christus de Rechtvaardigmaker en Heiland der wereld is, is dan valsch. Want wanneer wij nog zondaren bevonden worden wanneer wij door Christus gerechtvaardigd zijn, dan volgt daar noodwendig uit, dat zij, die zonder Christus de Wet houden, rechtvaardig zijn. En is dat zoo, dan zijn we eigenlijk Turken, Joden en Tartaren, die slechts in schijn het Woord en den Naam van Christus aannemen, doch die metterdaad in wezen Christus en Zijn Woord verloochenen en miskennen.
De apostel echter wil, dat het geloof ongeveinsd zij. Derhalve is het een vergissing en een goddeloosheid, wanneer men beweert, dat het door God geschonken geloof niet rechtvaardigt, wanneer het niet door werken van liefde versierd is.
Wanneer het geloof door de werken zou rechtvaardigen, dan is heel het betoog van Paulus valsch, die toch nadrukkelijk zegt, dat de mensch niet uit de werken der Wet, maar door het geloof in Jezus Christus gerechtvaardigd wordt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's