De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

21 minuten leestijd

CALVIJN OVER HET AVONDMAAL--DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (11)--JEZUS EN DE KERK--Uit Marnix' Byenkorf. Over de Mis in de Roomsche Kerk--Uit Marnix' Byenkorf--De beteekenis der Chr. School voor het nationale leven---Onze Chr. Scholen geen noodwoningen

CALVIJN OVER HET AVONDMAAL

In een Paaschpreek spreekt Calvijn bijzonder ook over de noodzakelijkheid en de heerlijkheid van de Avondmaalsviering. We moeten telkens verwonderd staan over de goedheid, die de Heiland ons daarin bewijst.

„Boodschapt Mijnen broederen, dat zij daar henen gaan" (zie Matth. 28 vers 10). Om de zaligheid en de heerlijkheid ons te bereiden, is Hij gestorven en opgestaan ; Hij heeft Zich vernederd, opdat wij met Hem zouden verheerlijkt worden. En daartoe komt Hij zoo bijzonder tot ons in het Avondmaal. Zoo laat ons tot Hem komen met vrijmoedigheid, nu wij op zoo'n vriendelijke wijze er toe geroepen worden. Hij wil Zich niet alleen van het Woord bedienen om ons tot Zich te trekken, maar voegt daar nog bij het zichtbaar sacrament, opdat wij in onze kleinheid door Hem zouden worden opgezocht tot onze vertroosting en zaligheid. En al zijn wij inderdaad zwak en traag, zoo mogen wij ons nu des te minder verontschuldigen, als wij niet tot onzen Heere Jezus Christus zouden komen.

„Hier is de tafel, die Hij ons heeft toegericht", aldus zegt Calvijn. „En met welk doel ? Niet om onze buik te verzadigen. Want hoewel al ons lichamelijk leven uit Hem is en de Heiland ook daarin Zijn goedheid ons bewijst, gaat het aan de tafel des Heeren om iets anders. Bij deze tafel, die nu is toegericht, moeten wij bijzonder bedenken, dat deze dient om ons te laten zien, dat wij broeders zijn van onzen Heere Jezus Christus. Dat wil zeggen, dat Hij ons vereenigd heeft met Zichzelf, zooals Hij dit zegt in het 7de hoofdstuk van het Evangelie naar Johannes, : Hij heeft ons vereenigd met God Zijn Vader. En Hij verklaart ons, dat Hij onze spijze en onze drank is en dat wij deel zijn van Zijn eigen substantie, om al ons geestelijk leven in Hem te hebben. En dat is méér dan dat Hij ons honderdmaal Zijn broeders noemt. (Matth. 28 vers 10).

Zoo laat ons dan de gemeenschap erkennen, die wij hebben met onzen Heere Jezus Christus, n.l. dat Hij met ons één leven wil deelen en dat wat Hij heeft, ook het onze is. Ja, Hij wil werkelijk in ons wonen, op geestelijke wijze. En wat er ook zij, door de kracht van Zijn Heiligen Geest werkt Hij zóó in ons, dat wij met Hem één zijn, méér dan leden van een lichaam onder elkander. Evenals de wortel van een boom zijn kracht en zijn sappen door alle takken heendrijft, zoo trekken wij onze kracht en ons leven van onzen Heere Jezus Christus.

Vandaar ook, dat Paulus zegt, dat ons Paaschlam gekruisigd is en geofferd, en dat ons nu niets anders overblijft, dan feest te vieren en gemeenschap te hebben aan Zijn offer. En zooals men vroeger onder de Wet als het offer was gebracht, at, zóó moeten wij nu onze geestelijke spijs en voeding zoeken in dat offer, dat voor onze verlossing is aangebracht. Wel eten wij Christus niet vleeschelijk, Hij komt ons niet in de mond en tusschen de tanden — zooals de Pausgezinden hebben verzonnen — maar wij ontvangen het brood tot een zekere en onbedriegelijke waarborg, dat onze Heere Jezus' Christus ons met Zijn lichaam geestelijk voedt. En wij ontvangen een dronk wijn om ons er op te wijzen, dat wij geestelijk onderhouden worden door het bloed van onzen Heere Jezus Christus.

Dooh wij moeten er wel op letten, wat Paulus er bij voegt, n.l. dat het onder de schaduwen der Wet niet geoorloofd was gedeesemd brood te eten, waarvan het deeg gezuurd was; — en zóó hebben wij thans (nu wij niet meer onder de schaduwen leven) te verwerpen den zuurdeesem van het kwade, van onze boosheid en al onze verdorvenheden. Op welke wijze ? In oprechtheid en waarheid !

Wij mogen dus tol deze heilige tafel naderen, waar de Zoon van God ons laat zien, dat Hij onze spijze is en dat Hij Zich voor ons wil geven, om ons geheel en volkomen bij hel leven te onderhouden. En Hij wil, dat wij nu deel hebben aan het offer, dat Hij eenmaal gebracht heeft voor onze zaligheid, waarom wij dan ook wel moeten toezien, dat wij hier niet komen met onze onreinheden, noch met onze onheiligheden, om die vast te houden en daarin te blijven opgaan, maar wij hebben dit alles te laten varen en niet anders te zoeken dan geheel gereinigd te worden, opdat onze Heere Jezus Christus ons als leden van Zijn lichaam erkent en dat wij daardoor ook Zijn leven deelachtig worden.

Zoo moeten wij dus ook nu den zegen zoeken van dit Heilig Avondmaal, dat ons is toegericht. Het leidt ons heen naar den dood en het lijden van Christus en verder lot Zijn opstanding, om daar te vinden hoop op hel eeuwige leven en de zekerheid der zaligheid.

Want door de overwinning, die Hij heeft behaald door Zijn opstanding, is ons gerechtigheid verworven en de poort van het paradijs geopend, zoodat wij nu vrijmoedig lol God kunnen naderen en voor Hem ons kunnen stellen in de zekerheid, dat Hij ons als Zijn kinderen zal ontvangen."' (Het Gepredikte Woord deel III, blz. 18—20).

Zoo mogen wij in het Avondmaal niet alleen door Hem tot God naderen, maar dan met Hem in het paradijs zijn : God met ons en wij met Hem. Etend uit Zijn hand, drinkend hel bloed des Nieuwen Testaments.

DE NOODZAKELIJKHEID VAN EEN CHRISTELIJK LEVEN (11)

Geen verachting van dit leven.

Er moet bij den Christen een verlangen zijn naar het toekomende leven. Dat mag niet worden gemist. Dat is noodzakelijk. Maar — nu kan er een heilig, doch óók een onheilig verlangen zijn. Daarover zegt Calvijn dan het volgende :

De geloovigen moeten dit aardsche leven gering achten, zonder er echter een afkeer van te hebben, of ondankbaar te zijn aan God. Want ook al is dit leven een aaneenschakeling van lijden, het moet toch terecht een groote zegen Gods worden genoemd. Als wij daar dus volstrekt geen goddelijke weldaad in erkennen, maken wij ons aan grove ondankbaarheid jegens God schuldig. Vooral voor de geloovigen moet het leven een duidelijk getuigenis zijn van de goedertierenheid des Heeren, omdat het geheel bestemd is om hun heil te bevorderen. Want de hemelsche Vader wil zich door kleinere bewijzen Zijner goedheid aan ons openbaren, eer Hij ons de eeuwige heerlijkheid openlijk doel beërven. Daarom geeft Hij ons dag aan dag kleine bewijzen van Zijn goedheid.

Daar dus dit leven strekt om de goedheid Gods te leeren verstaan, zouden wij het dan verachten, alsof er niets goeds in ware ? Wij moeten daarom het leven zelf als een groot geschenk der goddelijke goedheid beschouwen. Want al hadden wij de vele en duidelijke getuigenissen der H. Schrift niet, de natuur zelf spoort ons aan tot dank aan God, daar Hij ons het levenslicht geschonken heeft en daar Hij ons het leven vrijelijk laat genieten en ons alle mogelijke hulp verleent om het te bewaren. En van nog grooter gewicht is het, dat wij in het aardsche leven moeten voorbereid worden tot de hemelsche heerlijkheid. Want de Heere heeft het zóó verordend, dat wie eenmaal in den hemel de kroon wil dragen, eerst op aarde moet strijden en niet eerder kan triumfeeren, dan wanneer hij de moeilijkheden van den strijd heeft overwonnen en de zege verworven heeft.

Hierbij komt, dal wij door de onderscheiden weldaden der goddelijke goedertierenheid reeds in dit leven de lieflijkheid er van beginnen te ondervinden, opdat onze hoop en ons verlangen worden opgewekt om te haken naar de volle openbaring er van.

De heidensche wijsgeeren waren van oordeel, dat het voor den mensch het meest wenschelijk was nimmer geboren te worden, en indien dit eenmaal geschied was, ten spoedigste te sterven. Zij waren immers verstoken van het goddelijk licht en het ware geloof ; hoe konden zij in dit leven iets anders zien dan ongeluk en rampspoed ? Het was daarom zeer natuurlijk, dat zij den geboortedag hunner kinderen met droefheid en tranen begroetten, en juichten bij hunne sterfbedden. Toch was het een verkeerde gedachte. Zonder de rechte kennis der waarheid konden zij onmogelijk begrijpen, hoe voor de godvreezenden nog ten goede gewend wordt, wat op zichzelf niets gelukkigs, noch begeerlijks inhield. Zij moesten dus noodzalielijk hier een geheel verkeerd oordeel vellen.

De geloovigen moeten daarentegen bij de beschouwing van het aardsche leven goed leeren inzien, dat het op zichzelf niets dan jammer is, en, daarom des te blijmoediger zich verdiepen in de gedachte aan het toekomstige leven. Van dit geloofsstandpunt kan men het tegenwoordige leven niet alleen gerust gering achten, maar zelfs, bij de vergelijking met hel toekomstige, wenschen het te mogen afleggen. Als de hemel ons vaderland is, wat is de aarde dan anders dan het land onzer vreemdelingschap ? Als het afscheid van deze wereld een ingang is van het leven, wat is de wereld dan anders dan een graf, en wat daarin te blijven, anders dan de dood ?

Indien ontslagen te worden van het lichaam het verkrijgen der vrijheid is, wat is het lichaam dan anders dan een kerker ? Als het hoogste (geluk bestaat in het genieten van Gods tegenwoordigheid, is het dan geen ellende die te moeten missen ?

Wij wonen uit van den Heere, totdat wij deze wereld verlaten. Als dus dit aardsche leven vergeleken wordt met het hemelsche, is het niet twijfelachtig, dat wij het gaarne ver op den achtergrond stellen.

Wij moeten er echter nimmer een tegenzin in hebben dan in zooverre het ons aan de zonde blootstelt, en dan mag deze tegenzin nog geen betrekking hebben op het leven zelf.

Al hebben wij genoeg van dit leven en al verlangen wij naar het einde er van, wij moeten toch bereid zijn om te blijven, als God het wil. Onze tegenzin moet geen morren, noch ongeduld worden, want het leven is een post, waarop de Heere ons geplaatst heeft, en wij moeten daarop blijven staan, tot Hij ons daarvan afroept. Paulus klaagt wel, dat hij langer dan hij wenschte in het lichaam dezes doods geboeid blijft, en dat hij vurig verlangt naar verlossing, maar toch is hij gehoorzaam aan God en verklaart, dat hij bereid is zoowel om heen te gaan als om te blijven, omdat hij het als zijn plicht beschouwt Gods Naam te verheerlijken, beide in leven en in sterven.

Intusschen is het Gods werk, alles zóó te besturen, dat het tot bevordering van de eer Zijns Naams het meest dient. (Filipp. 1 vers 20, enz.).

(Wordt voortgezet.)

JEZUS EN DE KERK

Dacht de Heiland met Zijn Apocalyptische beschouwing, dat het Koninkrijk Gods zéér spoedig zou komen - - en dat dan het einde zou zijn ?

Dán — zoo zegt men — heeft de Heere Jezus er geen oogenblik aan gedacht een aardsche organisatie, een Kerk te stichten.

Maar toen men zag, dat Jezus en Zijn discipelen zich hebben vergist — zegt men — heeft men in de plaats van het Koninkrijk Gods de Kerk geschoven. En zoo zou dan het Koninkrijk Gods het ware zijn en de Kerk iets minderwaardigs, dat door de vertwijfelde mensch is uitgedacht en in elkaar getimmerd.

Maar zegt de Heiland niet : dat de wederkomst vèr, vèr weg ligt ? Niemand weet van die ure ! (Matth. 25 vs. 5, 19 ; 24 vs. 18 ; Luc. 12 vs. 45 ; 19 vs. 12 ; Marc. 13 vs. 32). En wat heeft de verhoogde Heiland geopenbaard aan den Apostel Johannes op Patmos ? Is het niet een lange, lange geschiedenis van worsteling en strijd, waarbij de Kerk, de georganiseerde Kerk met Woord en Sacrament, met ambt en belijdenis in het middelpunt staat ? En hebben de Apostelen niet hetzelfde getuigd ? In profetisch perspectief zien zij de dingen, gelijk de Heiland, heel dicht bij, en tegelijk vèr weg. En de Kerk, het huis des Heeren, staat in het middelpunt, met haar Christus-belijdenis, haar ambten, haar sacramenten, haar heilige wandel, haar strijd, haar tucht en haar overwinning.

De Heiland heeft Zich nooit gevleid met een ijdele hoop en verwachting, dat héél het Israëlietische volk, als volk, het volk des Heeren, de Gemeente van Christus, de kudde des heils, zou zijn. Met den doop van Johannes den Dooper komt al een scheiding, en Jezus gaat voort met den doop : die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden ; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.

De doop werkt scheidend ; bij velen zal geen verootmoediging zijn. En de tucht moet ordenen en heiligen. (Matth. 18 vs. 15).

De Heiland wist wat in den mensch was en laat Zich geen oogenblik „gaan" in ijdele fantasieën, maar spreekt van concrete dingen. Hij spreekt van Zijn schapen, die Zijn stem zullen kennen en Hem zullen volgen, en Hij spreekt van een klein kuddeke, verzekerend : „Ik ben met ulieden".

Men zegt : Jezus was een religieus genie en geen organisator van eenige aardsche gemeenschap. Maar Hij spreekt toch immers altijd van een gemeenschap ! Hij spreekt van het Koninkrijk Gods ; van Vader en Kinderen ; van een huis ; van een gemeente ; van schapen Zijner weide ; van een gemeente, gebouwd op een fundament ; van sleutels van dat rijk ; van doop en avondmaal ; van een belijdenis ; van tucht en orde !

En dat is dan maar niet een element van bijkomstigen aard, maar is domineerend. De gedachte van grondslag en opbouw, van belijdenis en orde, van organisatie en tucht, was Hem niet vreemd.

Wat er al was, toen Hij op aarde kwam, treedt in een nieuwen vorm op en gaat een nieuwe periode tegemoet. Het zou zijn de voortzetting van het oude, maar geheel anders en geheel vernieuwd. Hij zou Zijn Gemeente roepen en bouwen, regeeren en bewaren. (Matth. 19 VS. 14—17 ; Mare. 2 vs. 18—23; Luc. 5 vs. 33—38, enz.).

Nieuwe wegen, nieuwe orde komt Hij maken. En de Gemeente zou losgewikkeld worden uit het nationale, waarin zij onder Israël was besloten. De Christelijke Kerk zou geen Joodsche secte zijn. Tot alle vleesch, tot alle volkeren zou zij komen, en de volkeren zou zij daarbij niet verachten. (Matth. 16 vs. 23).

Natuurlijk heeft de Heiland geen gemeenschap gesticht met uitgewerkte Statuten, of een in bijzonderheden afdalende belijdenis gegeven. Maar Hij, de Waarheid Zelve, gaf Zich en Hij gaf Zijn Heiligen Geest, om die Waarheid altoos indachtig te maken en in die Waarheid in en door te leiden, waarmee de geschiedenis van de Kerk gemaakt is. In den eisch om Hem te belijden, en wel in den zin van Matth. 16 vs. 16, was de grondslag van de gemeenschap gegeven. Christus Zelf, maar dan Hem belijdende voor de menschen, welke belijdenis onderscheiden moest zijn van de belijdenissen der menschen. Zoo is de belijdenis noodig voor de Kerk zelve en ook tegenover de wereld.

En nauwer zou die gemeenschap; worden door den Doop en het Heilig Avondmaal, beide door Christus Zelf verordend en ingesteld, naar vorm en inhoud. En Hij geeft Zijn jongeren volmacht om te binden en te ontbinden, wat een gemeenschap des geloofs en een gemeenschap der belijdenis en des levens, een gemeenschap met woord en daad veron­derstelt. Christus heeft de Gemeente des Heeren, het Huis Gods, de Kerk, gewild. De Kerk als iets aparts in de wereld, als een zoutend zout en lichtend licht. Niet als dynamiet, maar als zout. Niet om te verderven, maar om te behouden. Niet door geweld, maar door Gods Geest zou het geschieden !

Zoo staat de Heiland daar en rondom Hem Zijn Gemeente, niet tot spiritualistisch anarchisme geroepen, maar om te leven onder de tucht en leiding des Geestes als een geordende éénheid : een Gemeente met een Hoofd, een Kudde met een Herder, een Huis met een fundament, waarop de levende steenen wèl saamgevoegd worden opgebouwd, waarbij de ambten niet mogen, niet kunnen ontbreken. (Efeze 4). De dienst der profetie is niet bandeloos, de dienst der regeering is naar heilige orde, de dienst der barmhartigheid is naar den wil des Vaders; de dienst der Sacramenten staat onder de heilige leiding en onder de tucht der waarheid.

Alles is naar Gods raad in Jezus Christus (Ef. 1 vs. 4). God kiest in Hem Zijn Gemeente. En zoo is de Kerk het lichaam van Christus. Zoo is Christus haar Hoofd, haar Koning. Christus regeert haar en Hij alleen. Zoodat geen vergadering der Kerk kan en zal plaats hebben dan door en in Christus „in éénigheid des waren geloofs". (Catech. Zondag 21, vr. en antw. 54).

Het gebed van den Heiland is voor Zijn zichtbare Kerk, opdat de éénheid der geloovigen voor de oogen der wereld zal uitkomen (Joh. 17 vs. 21, 23 ; 13 vs. 35). De éénheid van het ééne lichaam moet in belijdenis en wandel, in leer en leven uitkomen. (Efeze 4 vs. 3 en 4 ; 1 Cor. 12 vs. 25). De ééne Doop zal het teeken van éénheid zijn (Ef. 4 vs. 5).

De geloovigen weten zich dan ook één, ook met de geloovigen in andere plaatsen en landen, één in Christus, één in geloof, belijdenis en wandel. (Rom. 9 vs. 24 ; Gal. 6 vs. 16). Ze verleenen elkander hulp, ze brengen de groetenis over, ze strijden samen één strijd, ze lijden samen één leed. En het is één ge­loof. Het is ook één hoop, vast vertrouwend, op dezelfde beloften. Het is ook één liefde, gedragen door de liefde van Christus. (Hand. 11 vs. 29 ; Rom. 15 vs. 26 ; 2 Cor. 8 vs. 1 ; 1 Cor. 16 vs. 1 ; Hebr. 6 vs. 10 ; 1 Thess. 4 vs. 10 ; Rom! 12 vs. 13 ; Hebr. 13 vs. 2 ; 1 Petr. 4 vs. 9 ; 1 Tim. 3 vs. 2 ; Titus 1 vs. 8 ; 3 Joh., enz. enz.).

Zoo heeft de Kerk van Christus één geloof, één belijden, één leven, één norm, één organisatie, eenerlei ambt, eenerlei tucht, eenerlei Kerkrecht. En Christus is haar Hoofd, haar Verlosser en Behouder.

Het geheel éénige van de Kerk ligt in het geheel éénige van Christus. En als Christus maar in haar midden is, dan is 't goed, maar dan ook alleen. (Matth. 18 vs. 20).

Uit Marnix' Byenkorf. Over de Mis in de Roomsche Kerk

Uit Marnix' „Byenkorf" citeert H.G.G. in „de Geref. Kerk" : „Als de Roomschen in hunne Mis door de kracht van de vijf (wijdings) woorden, het brood in het lichaam van Christus Jezus veranderd hebben, dan gaan zij Hem Gode den Vader opofferen en bidden dezen, dat Hij op de offerande van hel lichaam Zijns eeniggeboren lieven Zoons inet een genadig en vriendelijk aanschijn neer wil zien en dezelve voor aangenaam wil houden, gelijk Hij behagen gehad heeft in de offeranden van Abel, Abraham en Melchizedek".

„Zoo is de Paus de opperste Priester, de rechte Melchizedek".

„Daarom kan de Roomsohe Kerk ook niet gebruiken, wat de Apostel zeggen wil tot de Hebreen, n.1. dat Melchizedek een type van Christus zou geweest zijn ; en dat, gelijkerwijs Melchizedek geen opvolger, noch stedehouder gehad heeft, zoo ook Christus geen opvolger, noch stedehouder zou hebben, doch Zelf in eigen persoon Zijn onvergankelijk priester-ambt in der eeuwigheid zou vervullen, éénmaal ingegaan zijnde in het hemelsche heiligdom krachtens de eenige offerande Zijns lichaams en bloeds, welke offerande eenmaal volkomenlijk gebracht is tot vergeving onzer zonden en nimmer meer zou mogen worden herhaald, noch hernieuwd.

„Dat alles tezamen kan de Roomsche Kerk niet gebruiken, want als dat eens waar was, dan zou de Mis geen waarde meer hebben en de Priesters zouden in een gasthuis terecht komen of ze zouden hun kost met harden arbeid moeten verdienen. Hetwelk een treurige geschiedenis zou wezen, daar zij geen ander werk gewoon zijn dan Missen op te dragen. Vespers te zingen en hun getijden te lezen, waarmede zij hier den kost en hiernamaals den hemel hopen te verdienen. Daarom besluit onze Moeder, de H. Kerk, dat de Apostel, die aan de Hebreën schreef, de dingen niet recht gezien heeft".

„Dewijl Christus' offerande op zichzelf den mensch van geen nut zou kunnen wezen, zoo hebben de priesters het andere zoenoffer der Mis uitgevonden, waardoor zij den menschen Christus' offerande als met een pleister opplakken en toevoegen".

„Was dat niet een groot tekort in 't werk van onzen Heere en Heiland, dat Hij wel veel geleden had, maar dat al Zijn lijden ons van geen nut zou kunnen zijn, wanneer de Priesters ons hetzelve door hun misoffer niet hadden willen toeëigenen ?

Daarom moet de Apostel in zijn brief aan de Hebreën wel zeer op een dwaalspoor zijn geweest, toen hij zoo sterk beweerde, dat Christus geen Stadhouder noodig heeft en Zijn offerande niet mag worden vernieuwd of herhaald, maar dat zij ons door middel van het geloof wordt toegevoegd en toegeëigend".

De beteekenis der  Chr. School voor het nationale leven.

Wij zijn voorstanders van Christelijk-Nationaal-Schoolonderwijs. We moeten Scholen hebben waar men acht geeft op Gods Woord en waar men de geschiedenis weer recht onderwijst. Mr. Groen van Prinsterer was gewoon om deze twee dingen naar voren te brengen in verband met het volksonderwijs : „er staat geschreven" (Gods Woord) èn : ,,er is geschied" (de historie).

Dat onze Christelijke Scholen dan ook het volk zouden loslaten en vreemd zouden staan tegenover het nationale leven, is een onwaarheid. Het tegendeel is waar. Geen betere school dan de School met den Bijbel voor Volk en Vaderland.

Het is goed, dat ds. G. D. A. Oskamp, Ned. Herv. pred. te Harlingen, op de Jaarvergadering van „De Unie, een School met den Bijbel", gerefereerd heeft over het onderwerp :

de beteekenis der Christelijke School voor het nationale leven.

We nemen het verslag hier over :

In ons schoolwezen is verdeeldheid. Het zou zeker goed zijn, terwille van de volkseenheid, als er één school kon zijn voor heel de natie. Maar als menschen leven we nu eenmaal uit beginselen, die diametraal tegenover elkander staan en beginselen beheerschen de wereld. Dat heeft het Christenvolk alle eeuwen door beseft en daarom gevraagd om scholen.

Het waarachtig Christelijk geloof staat naar de beste ontwikkeling. Spr. zette uiteen op welke gronden de belijders des Heeren vragen om een School met den Bijbel, en waarom zij de neutrale school verwerpen. Bijbel-onkunde beteekent verarming naar intellect èn hart. Het Nederlandsche volk heeft zijn antwoord gegeven op den gang van het Openbaar Onderwijs, dat nog slechts door 32% van de kinderen van ons volk bezocht wordt. Hier hebben geestelijke factoren gewerkt, ook naar uitwijzen der statistiek. Spr. stond in dit verband ook stil bij de uitlating van Minister Bolkestein op de vergadering der Vrijz.-Democraten over de positie der Openbare School. De uitdrukking „Christelijk-humanistisch", door den bewindsman daar gebruikt, verwerpt spr., o. a. met een beroep op Bavinck in zijn „Christusprediking in de volkerenwereld". Daarom keert hij zich ook tegen dr. H. de Vos, die zijn colleges als privaat-docent aan de R.U. te Groningen aanving met een oratie over „Christelijk humanisme". Christus zegt : „Zonder Mij kunt gij niets doen". Verzoening en verlossing zijn noodig, en daarvan wil de humanistische bevangenheid niet hooren.

Alleen in Christus is vernieuwing mogelijk van hart en leven, en de onderwijzer bedenke, dat het kind suggestibel is. Van een kinderziel is nog zooveel te maken. Den Christelijken onderwijzer zijn veel kanser gegeven op de scholen en zijn werk kan van de hoogste beteekenis zijn voor ons volksleven en voor den gang van Gods Koninkrijk in het midden dezer wereld.

In dezen tijd, nu het leven van millioenen in de volkeren uitgehold wordt door de materialiseering der cultuur, nu anderen opgezweept worden door wilde stormen van natievergoding, die alle moraal en recht misvormen, nu moeten allen medewerken om het volksleven te bouwen van Christus uit, mee door de opvoeding der Christelijke Scholen.

Spr. besloot zijn rede met een opwekking om mede door het onderwijs te strijden tegen alle onwezenlijke ideologieën en inde-lucht-zwevende utopieën en in Christus te zoeken de bron van alle kracht en licht, leven en liefde. Hij schept de toekomst, waarin wij zullen wandelen in nieuwen hemel en op nieuwe aarde, want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen.

Onze Chr. Scholen geen noodwoningen

Dikwijls hoort men beweren, dat onze Scholen met den Bijbel, zooals wij die nu over heel het land hebben, een soort „lapmiddel" zijn, waarvan we weer zoo spoedig mogelijk moeten worden bevrijd, om dan weer te komen tot de Openbare School als officieele school voor héél het volk. De Christelijke School zou dan een bewijs van ons ongeloof zijn, en de gewenschte Openbare School zal ons geloof illustreeren !

Het is goed, dat prof. dr. K. Dijk, de voorzitter van „de Unie, een School met den Bijbel", op de Jaarvergadering, deze week te Utrecht gehouden, hiertegenover een ander geluid heeft doen hooren, zooals dit weerklank vindt bij duizenden in den lande. Hij zei :

„We hebben den strijd te strijden tegen den Moloch der Staatsvergoding. Het Christenvolk moet zich van de vrijheid meer be­wust worden en zijn historie beter leeren verstaan en beleven. Hierbij zijn de Scholen met den Bijbel van zoo uitnemende beteekenis voor heel het volk.

De Christelijke Scholen zijn geen noodwoningen, waaruit men weer naar de Staatsschool verhuizen moet, maar woningen, door de ouders in bond met de gansche Christelijke gemeenschap gebouwd, waarin wij onze kinderen — aldus spr. — willen opvoeden naar den eisch van Gods Woord.

Daarom was het parool ook : „We moeten voortvaren en er is voor De Unie „een School met den Bijbel" nog véél te doen. De arbeid moet voortgezet worden in het geheele land. De Unie-dagen moeten in elk centrum gehouden, het Unie-propagandablad huis aan huis verspreid en de Uniecollecte stijgen. Het is de Unie hooge ernst en zij roept het geheele Christenvolk tot den kamp. Dat doet zij niet het minst in hartelijke samenwerking met den thans in het goud jubileerenden Schoolraad, met wien alle concurrentie haar vreemd is".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's