UIT DE AFDEELINGEN
GOUDA, 5 Maart 1940. .Kort verslag van de rede, gehouden op voormelden datum, door ds. Jac. Vermaas, van Huizen, over het onderwerp :
„De kenmerken dergenen, die van de Kerk zijn".
Na gebed en Psalmgezang en Schriftlezing door onzen eere-voorzitter van de afd. Gouda van den Geref. Bond, en een kort openingswoord, bepaalde ds. Jac. Vermaas ons door een inleiding tot zijn onderwerp. Spreker zeide vooraf, dat door de tijdsomstandigheden de vraag naar de Kerk weder opgekomen was en dat zoowel op maatschappelijk, sociaal, philanthropisch en kerkelijk gebied, alsook 't Reorganisatie-vraagstuk en meer andere vraagstukken van velerlei aard, ook van Vrijzinnige zijde.
Wij willen ons echter hedenavond eens bij óns onderwerp bepalen, namelijk „de kenmerken dergenen, die van de Kerk zijn". In een gloedvolle rede zette spreker zijn rede voor een volle zaal tot in de fijnste puntjes uiteen. Hij verdeelde zijn rede als volgt : I. Een geloovige (geloof) ; 2. Een godzalige (wandel) ; 3. Een strijder (strijd) ; 4. Een vluchteling (vlucht).
1e. en 2e. Het eerste kenteeken dergenen die van de Kerk zijn, is het geloof. Door velen wordt verondersteld of gezegd, dat het geloof uitgedacht is door menschen, en ook dat om in den hemel te komen, men maar gelooven moet, en ook dat men een geloovige wordt om in den hemel te komen. Ja, velen zeggen : als ik belijdenis des geloofs afleg in de Kerk, kom ik in den hemel, en dat, terwijl zij er nooit toe gekomen zijn om alleen nog maar na te denken wat het geloof voor beteekenis heeft, zoowel voor de practijk, alsook voor het persoonlijk leven. En het wordt ook luide verkondigd : Christus is eenmaal gestorven om de zonde der wereld weg te dragen, en geloof dit nu maar, dan zijt ge er — alsof men maar op commando of zoomaar gelooven kan.
Neen, zoó gaat dat nu eenmaal niet, dat weet elk wel, die gelooven wil, dat zulks vanuit den mensch onmogelijk is. Dan leert de H. Schrift dit geheel anders, welke zegt : „Het geloof is een gave Gods", een vrucht en werk des Heiligen Geestes. Neen, het geloof is zoo maar niet voor 't grijpen of wegpakken, en dit wordt door een waarlijk door Gods H. Geest bewerkten (wedergeboren) mensch (zondaar) goed verstaan en beleefd. De door Gods Geest bewerkte zondaar leert als vrucht des geloofs uitroepen : „Hoe word ik, zondaar, rechtvaardig voor God", waarop dan de boodschap komt : „Uit het oprechte geloof in Christus zal de rechtvaardige leven". Geen grond of wil uit ons dus, ook geen tranen, bekeering, boete, berouw van onze zijde, maar alléén Chnstus' bloed wascht van alle zonden ons rein. Dit alleen moet slechts door ons gekend worden, dat reinigend bloed moet als 't ware over onze ziel gaan en bij bevinding gekend worden, zal het wèl zijn.
Zeer uitvoerig zette spreker dit uiteen, opdat wij toch maar met geen droggronden ons zouden tevreden stellen. Bij recht Geesteswerk wordt het : de zonde haten en laten, leeren liefhebben wat des Heeren is. Zijn Woord, Zijn Wet, Zijn volk, Zijn huis. Zijn tempelzangen. Men zou de zonde met wortel en tak wel willen uitrukken om Gode waardig te leven. Men leert dan ook volmondig zingen en bidden : ,, Ik zet mijn treden in Uw spoor, opdat mijn voet niet uit zou glijden", enz. (Ps. 17 vs. 3).
3e en 4e. Dan gaat spreker uitvoerig na den strijd der geloovigen en deze is : laag van zichzelf denken en hoog tegen God en Zijn volk opzien. De schijngeloovige heeft geen last van de overgeblevene zwakheid, de oprecht geloovige wèl. Die zegt: „mijne bestraffing is er alle morgens" ; het is een steeds zichzelf aanklagen over zonde, dagelijksche zwakheid (overtredingen) en kleingeloof, en vindt er geen lust in, dat hij zichzelf zoo bevindt, maar beproeft door bidden en smeeken om er uit te komen en zijn roeping en verkiezing vast te maken. Het is ook een strijd op schier elk terrein des levens, om voor den naam en de zaak des Heeren uit te komen. Ja, hij acht alle dingen schade en drek te zijn om de uitnemendheid der kennis van Christus den Heere. Vandaar dat hij ook een verzameling van oorlogswapenen in Gods Woord vinden kan, als : de helm der zaligheid, enz. (Efeze 6). Allemaal wapens uit Gods wapenkamer, en dit zijn geen wapenen die hij zelf gesmeed heeft, neen, de Heere zelf heeft ze voor Zijn volk gemaakt ; en dan gereed ten strijde.
Maar die strijders zijn ook vluchtende, zij zijn strijdende Kerkleden, want als zij denken om te komen, „vluchten" zij tot den Koning der Kerk ; zie het aan David, Petrus en alle bijbelheiligen (strijders des geloofs), vluchters. En zeker, de vijand is machtig, maar de Heere is Almachtig en Hij bemoedigt hen en zegt : „Ik zal maken dat zij in Mijne wegen zullen wandelen en Mijne rechten zullen houden", en dat uit genade.
Van zichzelf belijdt de geloovige te zijn een goddelooze, die uit zichzelf niets kan, maar hij mag „vluchten" tot Christus' borggerechtigheid, want bij Hem is veel vergeving, opdat Hij gevreesd wordt.
Calvijn zegt het zoo schoon en zoo waar in een van zijn preeken aldus : Als God ons rechtvaardigt uit het geloof, dan sluit Hij 't oog voor het zwakke geloof, en, als er maar een vonkje van geloof is, zoo is dat voldoende ; want het wérk des Heiligen Geestes zal hem juist drijven tot versterking.
Zij er daarom bij u en bij mij veel gebeds, ook voor u persoonlijk, maar ook voor ons kerkelijk leven, opdat Gods Geest opwekking tot ware bekeering moge geven.
Ds. de Looze dankte hem hartelijk, en wij zeggen : tot weerziens.
Oosthaven 64.
C. J. REVET, secretaris
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1940
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's